Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4157

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
13/00031
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2877
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reikwijdte verwijzingsopdracht niet zo ruim als door belanghebbende gesteld. Niet is komen vast te staan dat belanghebbende in 1986 eigenaar is geworden van de grond onder de dammen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2690
Belastingblad 2014/45
FutD 2013-3005
NTFR 2014/539 met annotatie van Mr. W.E. Nent
NTFR 2014/2438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00031

31 oktober 2013

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde K. Werkhorst te Woerden,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk BK-10/00710 van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 30 december 2011 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, de heffingsambtenaar,

gemachtigde mr. J.M. de Heer.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 2 december 2008 twee aanslagen precariobelasting voor het jaar 2008 opgelegd (Brug nabij: CPL01A 06427 en Dam nabij: CPL01A 06428) van ieder € 44,01.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 januari 2009 de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 7 september 2010 heeft de rechtbank te Rotterdam het door belanghebbende tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd en voorts beslist - naar het Hof begrijpt – dat de aanslagen worden vernietigd.

1.4.

Op het tegen de uitspraak van de rechtbank door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep is door het gerechtshof te ’s-Gravenhage onder kenmerk 0BK-10/00710 uitspraak gedaan op 30 december 2011, waarbij de uitspraak van de rechtbank is vernietigd en de uitspraken van de heffingsambtenaar zijn bevestigd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 4 januari 2013 onder nummer 12/00711 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Den Haag vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest.

1.6.

Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brief van 14 januari 2013 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van 19 februari 2013. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om van elkaars stukken kennis te kunnen nemen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

In de loop van de procedure ziet het Hof aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.2.

Belanghebbende is eigenaar van de percelen, kadastraal bekend gemeente [Z], sectie A, nummers 6427, 6428 en 6433.

2.2.1.

Belanghebbende heeft volgens een akte uit 1986 van de gemeente [Z] gekocht: “Het woonhuis met erf en water en de bijbehorende toegangsbrug staande en gelegen aan de[A-weg 1] 394 te [Z], kadastraal bekend gemeente [Z], sektie B nummer 4930, groot negenentwintig aren zestig centiaren …”. Het perceel B 4930 is thans kadastraal bekend gemeente [Z], sectie A, nummer 6427.

2.2.2.

Belanghebbende heeft volgens een akte uit 1986 van de gemeente [Z] gekocht: “Enige percelen grond en water, met bijbehorende toegangsbrug, bij het oostelijk gelegen perceel, gelegen aan weerszijden van het pand[A-weg 1] 394 te [Z], kadastraal bekend gemeente [Z], sektie B nummers 1929, 2582, 2583 en 2590, tezamen groot 65 aren 61 centiaren.”. Het perceel B 1928 is thans kadastraal bekend gemeente [Z], sectie A, nummer 6433 en het perceel B 2590 is thans kadastraal bekend gemeente [Z], sectie A, nummer 6428.

2.3.

Vanaf de openbare weg geven twee dammen toegang tot de percelen van belanghebbende.

De weerszijden van één van de dammen bestaat uit gemetselde bakstenen. Centraal op deze dam is een ijzeren hek geplaatst, dat is verbonden aan het metselwerk en toegang tot het perceel van de woning van belanghebbende biedt. Het metselwerk is geplaatst op een fundering die met heipalen is onderheid. Op de andere dam is een houten draaihek geplaatst.

In de dammen bevinden zich duikers, waar het water doorheen kan stromen.

2.4.

Belanghebbende is eigenaar van de dammen. Ter zake van deze dammen zijn aan belanghebbende de sub 1.1. vermelde aanslagen in de precariobelasting opgelegd.

2.5.

Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het Hoogheemraadschap) is eigenaar van een perceel kadastraal bekend gemeente [Z], sectie A, nummer 6957 dat grenst aan de percelen van belanghebbende en aan het perceel A 7023 van de gemeente [Z] ([A-weg 2]). Dit perceel is blijkens gegevens van het Kadaster ontstaan uit de percelen kadastraal bekend gemeente [Z], sectie A nummer 6889 en sectie A nummer 6429.

2.6.

Het Hoogheemraadschap heeft het in 2.5. bedoelde perceel in 2003 verkregen van de gemeente [Z] (hierna: de gemeente). In de koopakte is het omschreven als “watergang” en is als grootte van het perceel vermeld “vijf are en zestig centiare”. Voorts is in artikel 9 van de koopakte onder meer vermeld:’Tevens verklaren verkoper en koper dat in verband met de eigendomsoverdracht van het gekochte de eigendomssituatie van de diverse dammen en bruggen, in eigendom van zowel de gemeente als particulieren en gelegen boven het gekochte, geacht wordt niet te zijn gewijzigd.’

3 Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 januari 2013, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, onder meer het volgende overwogen:

3.3.1.

Het derde middel keert zich tegen 's Hofs beslissing om geen acht te slaan op de op 11 november 2011 ter griffie per fax ingekomen brief met bijlagen van belanghebbende, in zoverre daarin een nieuwe stelling met feitelijke inhoud wordt ingenomen. Die stelling luidt dat het hoogheemraadschap ter hoogte van de dammen in 2005 geen water heeft gekocht, maar slechts stroken berm, en dat de dammen op een aan belanghebbende toebehorend waterperceel liggen, zodat voor het heffen van precariobelasting geen ruimte is. Het derde middel strekt kennelijk ertoe, evenals een onderdeel van het eerste middel, dat geen precariobelasting kan worden geheven omdat belanghebbende door koop eigenaar is geworden van de grond onder de dammen voorafgaand aan de onder 3.1.7 bedoelde transactie tussen de gemeente en het hoogheemraadschap.

3.3.2.

Het derde middel slaagt. Voor de Rechtbank had belanghebbende al onder verwijzing naar de koopakten aangevoerd dat hij de ondergrond van de dammen reeds in 1986 van de gemeente door koop had verworven. De Rechtbank is aan een beoordeling van deze stelling niet toegekomen. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft belanghebbende opgenomen dat hij ervan uitgaat dat zijn stellingnames in beroep, in hoger beroep opnieuw aan de orde zijn. Voorts is de grens tussen de percelen van belanghebbende en het hoogheemraadschap ter zitting van het Hof besproken en heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen duidelijkheid te verschaffen omtrent die grens.

3.3.3.

De hiervoor in 3.3.1 bedoelde door het Hof tardief verklaarde stelling van belanghebbende hangt zozeer samen met hetgeen hij voorafgaand aan zijn brief van 11 november 2011 had aangevoerd omtrent de eigendom van de ondergrond van de dammen, dat niet kan worden gezegd dat de heffingsambtenaar door die stellingname is benadeeld in zijn processuele positie.

3.3.4.

De heffingsambtenaar heeft zich verweerd met het betoog dat het redelijkerwijs niet mogelijk was voorafgaand aan de zitting de feiten die ten grondslag liggen aan de hiervoor bedoelde stellingname van belanghebbende te onderzoeken en een reactie daarop te formuleren. Bij de beoordeling van dit verweer is van belang dat belanghebbende zijn stellingname baseerde op een tekening bij de koopovereenkomst krachtens welke de hiervoor in 3.1.7 bedoelde verkrijging door het hoogheemraadschap heeft plaatsgevonden. Gelet op het verloop van het partijdebat omtrent de eigendom van de grond onder de dammen laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat die koopovereenkomst en de daarbij behorende tekeningen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben. In een geval als het onderhavige, waarin een bestuursorgaan beschikt over een stuk dat op de zaak betrekking heeft, en nalaat dit stuk zelf in het geding te brengen, kan het bestuursorgaan een verweer als hiervoor bedoeld niet met succes aanvoeren als de wederpartij dat stuk alsnog in het geding brengt.

3.3.5.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat verwijzing moet volgen voor nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende eigenaar is geworden van de grond onder de dammen voorafgaand aan de onder 3.1.7 bedoelde transactie tussen de gemeente en het hoogheemraadschap. Het eerste middel behoeft in zoverre geen behandeling. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag kan geen precariobelasting worden geheven.

3.4.

Voor zover het eerste middel betoogt dat belanghebbende de grond onder de dammen door verjaring heeft verkregen, faalt het. Niet is in geschil dat de dammen in het verleden zijn aangelegd met toestemming van de toenmalige eigenaar van de daaronder gelegen grond. De gedingstukken bevatten geen aanwijzing dat die toestemming gepaard is gegaan met bezitsverschaffing. Zij bevatten ook anderszins geen aanknopingspunt om te oordelen dat belanghebbende het bezit van de grond onder de dammen heeft verkregen. Verder blijkt uit de gedingstukken niet dat belanghebbende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit is af te leiden dat hij zich heeft gedragen als bezitter van de grond onder de dammen. De heffingsambtenaar heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat belanghebbende in het verleden geen onderhoud heeft gepleegd aan de duikers en de watergang waarin de dammen zijn gelegen. Dit heeft belanghebbende niet gemotiveerd weersproken. Aldus laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat geen grond bestaat voor het oordeel dat belanghebbende zich heeft gedragen als bezitter van de grond onder de dammen. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende de grond onder de dammen door verjaring heeft verkregen.

3.5.1.

Het tweede middel betoogt tevergeefs dat belanghebbende eigenaar van de grond onder de dammen is geworden door een opstalrecht op de dammen. Gelet op artikel 5:20 BW en artikel 5:101 BW kan een opstalrecht op de dammen de eigendom van de daaronder gelegen grond niet natrekken.

3.5.2.

Het tweede middel faalt ook voor zover daarin wordt betoogd dat belanghebbende door verjaring een erfdienstbaarheid op de grond onder de dammen heeft verkregen. De gedingstukken bevatten geen aanwijzing dat aan belanghebbende het bezit daarvan is verschaft. Reeds daarom kan geen sprake zijn van verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid.

3.5.3.

Voor het geval moet worden aangenomen dat de grond onder de dammen geheel of ten dele eigendom is van het hoogheemraadschap, voert het tweede middel aan dat die dammen de enige uitwegen zijn uit de percelen van belanghebbende en het hebben van die dammen daarom niet mag worden verboden. In zoverre kan het tweede middel evenmin tot cassatie leiden. Ook indien die dammen de enige uitweg voor belanghebbende zijn, staat die enkele omstandigheid niet aan heffing van precariobelasting in de weg.

3.6.

Uit hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven en dat verwijzing moet volgen.

4 Het geschil na verwijzing door de Hoge Raad

Met inachtneming van rechtsoverweging 3.3.5 van het hiervoor bedoelde arrest van de HR is na verwijzing in geschil of belanghebbende eigenaar is geworden van de grond onder de dammen voorafgaand aan de onder 2.6 bedoelde transactie tussen de gemeente en het hoogheemraadschap.

5 Beoordeling van het geschil na verwijzing

Reikwijdte van de verwijzingsopdracht

5.1.

Belanghebbende stelt dat de in de verwijzingsopdracht geformuleerde vraag inhoudt dat als duidelijk wordt dat hij al in 1986 eigenaar is geworden van de dammen, buiten discussie staat dat deze aankoop zowel boven- als ondergrond omvat. De heffingsambtenaar is daarentegen van mening dat de dammen in verbinding staan met de ondergrond en voor een deel liggen op perceel A 6957 dat eigendom is van Hoogheemraadschap.

5.2.

Het Hof overweegt hierover als volgt. In het arrest van de Hoge Raad is in 3.1.5. als feit vermeld dat belanghebbende eigenaar is van de dammen. De Hoge Raad heeft hieraan niet de conclusie verbonden die belanghebbende voorstaat, namelijk dat reeds hierom belanghebbende ook eigenaar is geworden van de grond onder de dammen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof ’s-Gravenhage ten onrechte de stelling van belanghebbende die is aangevoerd in de brief van 11 november 2011, tardief heeft verklaard. Uit rechtsoverweging 3.3.5 in samenhang met 3.3.1. leidt het Hof af dat uitsluitend bespreking behoeft de in de brief van 11 november 2011 vervatte stelling, dat het hoogheemraadschap ter hoogte van de dammen in 2003 geen water heeft gekocht, maar slechts stroken berm en dat de dammen liggen op een aan belanghebbende toebehorend waterperceel. Een andere, ruimere uitleg, in die zin dat het Hof na verwijzing nog kan oordelen dat belanghebbende door de aankoop van de dammen eigenaar is geworden van de daaronder gelegen grond, verhoudt zich niet met de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad. Nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende eigenaar is geworden van de grond onder de dammen voorafgaand aan de transactie tussen de gemeente en het Hoogheemraadschap zou dan immers niet meer nodig zijn.

Oordeel naar aanleiding van de verwijzingsopdracht

5.3.

Uit de tot de gedingstukken behorende tekening, gevoegd bij de koopakte van 1986, blijkt dat de percelen van belanghebbende niet aan de[A-weg 1] grenzen. De ruimte op deze tekening tussen de percelen van belanghebbende en de[A-weg 1] wordt ingenomen door water en vanaf de grens van de percelen kan dit water worden overgestoken door gebruik te maken van de twee dammen. Het Hof leidt uit deze tekening af dat belanghebbende in 1986 wel een deel van de grond onder de dammen heeft verworven, zoals het gearceerde deel van de gekochte percelen laat zien, maar niet de volledige ondergrond.

5.4.

Belanghebbende stelt dat van oudsher de grond onder de dammen eigendom was van zijn familie. Bij de onteigening van percelen grond met dammen in 1969 en de daarop gevolgde aankoop door belanghebbende in 1986, is niet beoogd om hierin een wijziging aan te brengen. Het Hof is van oordeel dat deze stelling niet slaagt. Uit de tot de gedingstukken behorende tekening van het kadaster, no. 137, gemeten op 10 april 1919 is voor perceel H930, dat sterke gelijkenis vertoont met het huidige perceel 6427, eveneens te zien dat er ruimte is tussen de ‘s-Gravenweg en de grens van het perceel waarvan de familie van belanghebbende destijds eigenaar was. Ook hierin ziet het Hof geen aanwijzing om te oordelen dat de grond onder de dammen sinds 1986 geheel aan belanghebbende toebehoort.

5.5.

Belanghebbende stelt voorts dat, zo het Hoogheemraadschap de eigendom van het water langs de[A-weg 1] ‘midden-sloot’ heeft verkregen, rekening moet worden gehouden met de verbreding van de weg. Volgens belanghebbende zijn door deze verbreding de weg en de berm verder in het water komen te liggen. Belanghebbende onderbouwt deze stelling aan de hand van recente foto’s van de[A-weg 1] en historische foto’s waarop is te zien dat deze weg aan het begin van de vorige eeuw smaller was en de strook water naast de weg breder. In de brief van 11 november 2011 heeft belanghebbende gesteld dat de totale breedte van de weg inclusief de bermen aan weerszijden op schaal 4 millimeter is en dat dit in werkelijkheid correspondeert met 8 meter. Belanghebbende heeft zich hierbij gebaseerd op een tekening welke als bijlage bij de brief van 11 november 2001 is overgelegd. Belanghebbende heeft tevens voor zijn huis gemeten dat de breedte van de weg circa 5 meter is en de bermen aan weerszijden circa 3 meter, in totaal eveneens 8 meter. Belanghebbende verbindt aan zijn berekening de gevolgtrekking dat het Hoogheemraadschap ter hoogte van zijn percelen geen water maar stroken berm heeft gekocht.

5.6.

Het Hoogheemraadschap betwist dat zij in 2003 stroken berm heeft gekocht. Zij heeft hiervoor aangevoerd dat de meting van belanghebbende op onjuiste gegevens is gebaseerd omdat hiervoor een andere kaart is gebruikt dan die behoort bij de leveringsakte en deze kaart is verkleind waardoor de schaal niet meer juist is weergegeven.

5.7.

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat het Hoogheemraadschap in 2003 een perceel water heeft gekocht waarvan een deel grenst aan de percelen van belanghebbende. Het Hof leidt dit af uit het tot de gedingstukken behorende kadastraal bericht waarop bij de omschrijving van het perceel A 6957 onder meer is vermeld: ‘water’ en op het hierbij gevoegde ‘Uittreksel Kadastrale Kaart’, waarop duidelijk is te zien dat zich tussen de grens van de[A-weg 1] en de percelen van belanghebbende het perceel met nummer 6957 bevindt. De door belanghebbende gemaakte berekening acht het Hof onvoldoende om het tegendeel te bewijzen. De heffingsambtenaar heeft de berekening gemotiveerd betwist onder aanvoering dat deze niet nauwkeurig is en afwijkt van de werkelijkheid. Verder kan uit de door belanghebbende ingebrachte foto’s weliswaar worden afgeleid dat de ‘s-Gravenweg in de loop van de tijd is verbreed, maar het Hof oordeelt dat hieruit niet zonder meer volgt dat de gehele strook ‘midden-sloot’ tot de grens van de percelen van belanghebbende inmiddels is gedempt. Zo al een deel van het water zou zijn benut voor verbreding van de weg, kan hieraan niet de conclusie worden verbonden dat het Hoogheemraadschap geen eigenaar meer is van het in 2003 gekochte perceel water tussen de[A-weg 1] en de percelen van belanghebbende.

5.8.

Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat belanghebbende in 1986 eigenaar is geworden van de grond onder de dammen voor zover het gaat om het deel dat in 2003 eigendom is geworden van het Hoogheemraadschap (perceel A 6957). Dit brengt mee dat de aanslag precariobelasting terecht is opgelegd omdat de dammen van belanghebbende zich voor tenminste een deel bevinden op de grond van het Hoogheemraadschap.

Slotsom

5.9.

Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen en het beroep van belanghebbende, ingesteld bij de rechtbank, ongegrond verklaren. De aanslagen precariobelasting blijven in stand.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    bevestigt de uitspraak op bezwaar.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, J.P. Kruimel en P.B.M.J. van der Beek-Gillesen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van [de] griffier. De beslissing is op 31 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De voorzitter

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.