Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4114

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
200.124.389-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot de vervaltermijn zoals bedoeld in artikel 99 lid 15 Wna moet onderscheid worden gemaakt tussen het aan klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Een redelijke uitleg van dit wetsartikel brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten eerst begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt.

Uit de stukken en hetgeen verder door partijen naar voren is gebracht, moet het hof afleiden dat de notaris klager (en zijn dochters) ten tijde van de verwerping niet voldoende uitdrukkelijk heeft gewezen op de gevolgen van verwerping van de nalatenschap. Eveneens is voldoende aannemelijk geworden dat de notaris klager ook daarna hierop niet heeft gewezen. Ook moet worden aangenomen dat de notaris klager niet specifiek op de risico’s die verbonden zijn aan het verwerpen heeft gewezen. Voorts is komen vast te staan dat de notaris geen maatregelen heeft geadviseerd of getroffen om klager te beschermen tegen de risico’s van het verwerpen. De weigering een kopie van zijn antwoordbrief aan klager te verstrekken is in strijd met de onpartijdige houding die een notaris dient aan te nemen. Gelet op de aard van de tuchtrechtelijk laakbare handelwijze van de notaris, wordt het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden geacht.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 1, p. 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

_______________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.124.389/01 NOT

zaaknummer eerste aanleg : K 30.12

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 12 november 2013

inzake:

[appellant],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

appellant,

gemachtigde: mr. J.G.J. Elslo, advocaat te Groenekan,

t e g e n

[notaris],

notaris te [plaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.C. de Die, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 22 maart 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Haarlem, verder de kamer, van 14 februari 2013, waarbij de kamer de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder de notaris, op de drie behandelde onderdelen (hierna weergegeven onder 4.1. sub i., ii. en iv.) ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Voorts is op 5 april 2013 ter griffie van het hof ontvangen van de kant van klager een kopie van de bestreden beslissing.

1.3.

Van de zijde van de notaris is op 3 mei 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 29 augustus 2013. Klager en zijn gemachtigde alsmede de notaris en zijn gemachtigde zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Door klager is aangevoerd dat de feiten op één punt onjuist - de brief van 25 juli 2000 van de fiscaal adviseur van klager is niet door klager aan de notaris ter hand gesteld, maar door de fiscaal adviseur aan de notaris verzonden - en op een ander punt onvolledig - de brief van 10 september 2002 van de notaris aan de fiscaal adviseur van klager met betrekking tot de aangifte successierechten is niet vermeld - zijn weergegeven. De notaris heeft alleen de door klager gestelde onjuistheid van de feiten betwist. Voor zover de standpunten van partijen op dit punt voor de beoordeling van belang zijn, zal het hof hiermee rekening houden. De hiervoor bedoelde brief van 10 september 2002 zal als onderdeel van de feiten worden beschouwd. Partijen hebben tegen de vaststelling van de overige feiten door de kamer overigens geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

In deze zaak gaat het - samengevat weergegeven - om het volgende:

In de uiterste wilsbeschikking van wijlen de echtgenote van klager, [X] (hierna te noemen “[X]”), verleden op 26 mei 1997, zijn klager alsmede hun twee dochters[Y] (hierna te noemen “[Y]”) en [Z] (hierna te noemen “[Z]”) tot enige erfgenamen benoemd. Voorts is daarin een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 BW (oud) opgenomen. Op grond hiervan was klager gerechtigd tot alle baten uit de nalatenschap en kregen [Y] en [Z] een niet opeisbare vordering in contanten op klager. Voor het geval klager de nalatenschap zou verwerpen voorzag het testament in een zogenoemd keuzelegaat. [X] is op 1 mei 2000 overleden. Tot die tijd dreven [X] en klager gezamenlijk een handelsonderneming in de vorm van een vennootschap onder firma. Hun financieel adviseur was mr. [naam] (hierna te noemen: [A]).

Klager heeft na advisering door de notaris de nalatenschap op 31 juli 2000 verworpen. Tot de nalatenschap behoorde de ouderlijke woning. De akte van verdeling en levering met betrekking tot die woning is op 31 januari 2003 door de notaris gepasseerd. Op 5 december 2011 heeft [Z] conservatoir beslag gelegd op het aandeel van klager in zijn huidige woning en op de door hem aangehouden bankrekeningen in verband met de gehoudenheid van klager tot nakoming van het keuzelegaat. Daarna heeft [Z] klager over deze kwestie in rechte betrokken.

4 Het standpunt van klager

4.1.

De klacht van klager valt in de volgende onderdelen uiteen.

i. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld door klager niet (voldoende) te wijzen op de gevolgen die het verwerpen van de nalatenschap van [X] voor klager met zich bracht en heeft daarover onduidelijkheid laten bestaan.

ii. De notaris heeft klager onvoldoende gewezen op de risico’s die verbonden waren aan de verwerping.

iii. De notaris heeft ten onrechte geen maatregelen geadviseerd of getroffen om klager te beschermen tegen de risico’s van de verwerping.

iv. De notaris weigert relevante stukken uit het dossier aan klager te verstrekken.

4.2.1.

Klager heeft ter onderbouwing van zijn klachten het volgende aangevoerd. De notaris heeft ten tijde van de verwerping in juli 2000, bij gelegenheid van de overdracht van de ouderlijke woning op 31 januari 2003 en tijdens het gesprek naar aanleiding van het door de notaris opgestelde financiële overzicht op 4 mei 2006 geen aandacht besteed aan de gevolgen van de verwerping. In het bijzonder heeft de notaris er niet op geattendeerd dat verwerping ertoe zou leiden dat [Y] en [Z] een opeisbare vordering op klager zouden krijgen. Hierdoor is klager (en zijn ook zijn dochters) in de waan gelaten dat de ouderlijke boedelverdeling nog altijd in stand was. De notaris had in ieder geval aan de orde moeten stellen dat het mogelijk was om overeen te komen dat de vorderingen van [Y] en [Z] op klager pas bij zijn overlijden opeisbaar zouden worden. Voorts had de e-mail van 9 mei 2007 (productie 8 bij het verweerschrift in eerste aanleg) van [A] aan klager, aan [Z] en aan de notaris, waarin [A] - onder meer - schrijft dat [Z] en [Y] een niet-opeisbare vordering hebben op klager, voor de notaris aanleiding moeten zijn om klager hierover goed te informeren. Om verweer te kunnen voeren tegen de door [Z] ingestelde vorderingen heeft klager bij brieven van 5 januari 2012, 25 januari 2012 en 10 februari 2012 een kopie van het gehele dossier bij de notaris opgevraagd. De notaris heeft echter volstaan met toezending van een uiterst onvolledig en summier dossier.

Inzake het beroep van de notaris op het verstrijken van de klachttermijn bedoeld in artikel 99 lid 12 Wna heeft te gelden dat bij een nalaten door een notaris, de termijn van drie jaren pas na ontdekking van dit nalaten kan gaan lopen. Eerst op dat moment is een potentiële klager op de hoogte van het mogelijk klachtwaardig handelen, zoals bedoeld in genoemd wetsartikel. In dit geval was dat in december 2011, toen klager werd geconfronteerd met de vorderingen van [Z].

4.2.2.

In hoger beroep heeft klager nog het volgende aangevoerd. De klacht van klager bestaat uit vier onderdelen, maar de kamer heeft slechts drie van die onderdelen behandeld. Het is niet aan klager om aan te tonen dat de notaris hem ten tijde van de verwerping niet (voldoende) heeft voorgelicht over de gevolgen daarvan. Een sterke aanwijzing dat dit nooit is gebeurd, vormt het feit dat klager zich nooit op het keuzelegaat uit het testament heeft beroepen. In de loop der jaren zijn er, naast de levering van de ouderlijke woning in 2003 en de bespreking in 2006, vele gelegenheden geweest waarbij de notaris duidelijkheid over de gevolgen van de verwerping had kunnen scheppen. In 2003 is klager opnieuw gehuwd en heeft de notaris de huwelijkse voorwaarden voor klager en zijn huidige echtgenote opgesteld. Ook heeft de notaris in dat jaar de levering van een onroerende zaak en het opstellen van een hypotheekakte voor klager verzorgd. Daarnaast heeft de notaris in 2010 de (gewijzigde) testamenten van klager en zijn huidige echtgenote gepasseerd. Voorts had de notaris in 2000 of in het uiterste geval in 2003 de mogelijkheid tot het sluiten van een overeenkomst over een uitstel van de opeisbaarheid van de vorderingen onder de aandacht moeten brengen om de nadelige vermogensrechtelijke gevolgen van de verwerping voor klager te voorkomen. Hierbij dient te worden bedacht dat het verkrijgen van de ouderlijke woning vrij van overdrachtsbelasting door [Y] de enige reden was voor klager om de nalatenschap te verwerpen. Het is onjuist dat de notaris alle stukken uit het dossier aan klager zou hebben verstrekt. Zo beschikt klager niet over de inhoudelijke reactie van de notaris op de brief van 15 juli 2010 van de gemachtigde van [Z] aan de notaris.

4.2.3.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft klager - voor zover van belang - aangevoerd dat de notaris, door onduidelijkheid te laten bestaan over hetgeen hij in zijn brief aan de gemachtigde van [Z] heeft geschreven over de opeisbaarheid van de vordering van [Z], niet de indruk heeft gewekt in deze onpartijdig en onafhankelijk te hebben gehandeld. Daarnaast betwist klager dat er andere fiscale motieven waren om de nalatenschap te verwerpen dan het vrij van overdrachtsbelasting overdragen van de ouderlijke woning.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft de stellingen van klager betwist en zich als volgt verweerd.

5.1.1. De notaris stelt voorop dat klager niet-ontvankelijk is met betrekking tot klachtonderdelen i., ii. en iii, aangezien de klachttermijn van drie jaar als bedoeld in artikel 99 lid 12 Wna is verstreken. Het advies van 25 juli 2000 van [A] over de fiscale voor- en nadelen van aanvaarding, dan wel verwerping van de nalatenschap is op de bespreking van 27 juli 2000 tussen de notaris en klager en zijn dochters aan de orde gekomen. Uit dat advies blijkt duidelijk dat, ingeval voor verwerping wordt gekozen, het voordeel van de ouderlijke boedelverdeling niet in stand blijft. In elk geval moet klager zich eind april 2006 bewust zijn geweest van de gevolgen van de verwerping. Op dat moment heeft de notaris aan de hand van door [Y] beschikbaar gestelde cijfers een financieel overzicht opgesteld, waaruit duidelijk bleek wie welk bedrag aan de ander(en) was verschuldigd. Dit financiële overzicht is tijdens de bespreking op 4 mei 2006 door de notaris met klager en zijn dochters doorgenomen. Van de besprekingen op 27 juli 2000 en 4 mei 2006 heeft de notaris geen aantekeningen gemaakt.

5.1.2. De notaris heeft de erfgenamen op 27 juli 2000 uitgenodigd voor een bespreking over de te maken keuze om de nalatenschap wel of niet te aanvaarden. De notaris kan zich niet anders voorstellen dan dat toen ook is gesproken over de consequenties van verwerping. De notaris is ervan overtuigd dat tijdens de bespreking op 4 mei 2006 - opnieuw - is gesproken over de onderlinge financiële verhoudingen en de opeisbaarheid van de vordering van [Z]. De notaris weet zich woordelijk te herinneren dat klager herhaaldelijk, als [Z] op afrekening van haar erfdeel aandrong, heeft gezegd dat zij al genoeg had gehad. De notaris acht het niet aannemelijk dat [Z] wel en klager niet op de hoogte was van de opeisbaarheid van de vorderingen, omdat telkens in familieverband over de nalatenschap contact is geweest. In 2006 waren de familieverhoudingen zodanig verslechterd dat het sluiten van een overeenkomst strekkende tot uitstel van de opeisbaarheid van de vorderingen van [Y] en [Z] onbespreekbaar was geworden. Voorts bestaat er geen rechtsregel die de notaris ertoe verplicht een kopie van het volledige dossier aan klager af te geven. Niettemin heeft de notaris aan de gemachtigde van klager afschriften van de voor het geschil tussen klager en [Z] van belang zijnde stukken uit het dossier doen toekomen. De notaris beschikte niet over andere adviezen inzake de nalatenschap van [X] dan de stukken die reeds aan klager zijn verstrekt. Overigens kan de notaris niet worden gedwongen informatie te verschaffen die vervolgens ook wordt gebruikt in procedures gericht tegen de notaris.

5.2.1. In hoger beroep heeft de notaris nog het volgende aangevoerd. De wijze waarop klager zijn klacht in zijn beroepschrift heeft geherformuleerd, leidt tot een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht. Klager dient derhalve in klachtonderdeel ii. niet-ontvankelijk te worden verklaard. De toedeling van de ouderlijke woning aan [Y] vrij van overdrachtsbelasting was weliswaar de voornaamste drijfveer voor klager om de nalatenschap te verwerpen, maar dat neemt niet weg dat in verband met de handelsonderneming van de familie hierbij ook andere fiscale voordelen een rol speelden. Omdat ten tijde van de overdracht van de ouderlijke woning in 2003 nog geen inzicht bestond in de financiële situatie van de familie, heeft de notaris op dat moment geen concreet advies kunnen uitbrengen over eventueel te nemen maatregelen. Het is juist dat de notaris een reactie heeft geschreven aan de gemachtigde van [Z]. Een kopie van die brief bevond zich echter niet in het dossier en het bestaan van die brief was de notaris totaal ontschoten. Het verstrekken van een kopie van die brief zonder toestemming van [Z] staat de notaris evenwel niet vrij.

5.2.2. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft de notaris - voor zover van belang - het volgende aangevoerd. Voor de vraag naar de ontvankelijkheid is van belang of het ‘kennisnemen door klager’ betrekking heeft op de gevolgen van het handelen van de notaris of op het handelen van de notaris zelf. De notaris is van mening dat gezien de wettekst van artikel 99 lid 15 Wna het laatste het geval is. Gezien het tussen klager en [Z] gerezen geschil heeft de notaris zijn brief aan de gemachtigde van [Z] in verband met zijn onpartijdigheid niet overgelegd.

Op vragen van het hof heeft de notaris verklaard dat ten tijde van de verwerping de familieverhoudingen nog goed waren en derhalve geen reden bestond een regeling met betrekking tot de opeisbaarheid van de vorderingen aan de betrokkenen voor te stellen. De notaris heeft niet op de e-mail van 9 mei 2007 van [A] gereageerd, hetgeen hij wel had moeten doen. Wel heeft de notaris bij brief van 10 september 2002 aan [A] met betrekking tot de aangifte successierechten geschreven dat de aangifte uitgaat van het uitvoeren van de langstlevende gedachte uit het testament en dat daarmee aan het feit dat klager de nalatenschap heeft verworpen voorbij wordt gegaan. Hiermee heeft de notaris de onjuiste veronderstelling dat de ouderlijke boedelverdeling nog in stand was, gecorrigeerd. Een kopie van deze brief is niet aan klager en de dochters gestuurd.

6 De beoordeling

6.1.

Anders dan de notaris is het hof van oordeel dat al in het inleidend klaagschrift de hiervoor onder 4.1. sub i. tot en met iv. weergegeven klachtonderdelen met voldoende duidelijkheid zijn aangevoerd, zodat niet van een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht in hoger beroep kan worden gesproken. Dit betekent dat de klacht op die vier onderdelen zal worden beoordeeld.

6.2.

De notaris heeft aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk is in de klachtonderdeel i., ii. en iii. wegens overschrijding van de klachttermijn van drie jaren als bedoeld in artikel 99 lid 12 Wna (per 1 januari 2013 is dit artikellid vernummerd tot lid 15). Ingevolge het bepaalde in artikel 99 lid 15 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of een kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen. Onderscheid moet worden gemaakt tussen het aan klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Van een handelen van de notaris blijkt in het algemeen op enige wijze naar buiten zoals in de vorm van een gegeven advies of in de vorm van een akte. Ook van het nalaten van een notaris zal moeten blijken. Hiervan kan sprake zijn indien de gevolgen van dat nalaten zichtbaar worden of indien op enige andere wijze dat nalaten bekend wordt. Een redelijke uitleg van artikel 99 lid 15 Wna brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten eerst begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt. De klacht houdt in dat de notaris niet voldoende heeft voorgelicht over de gevolgen en de risico’s van de verwerping en ter zake geen maatregelen heeft voorgesteld. De vervaltermijn is gaan lopen op het moment dat van dit - gestelde - nalaten blijkt, in het bijzonder de opeisbaarheid van de vorderingen van [Y] en [Z] aan klager zijn gebleken. Klager heeft onweersproken gesteld dat hij in december 2011 werd geconfronteerd met de vordering van [Z], zodat ervan wordt uitgegaan dat klager op dat moment bekend is geworden met het verweten nalaten van de notaris, namelijk het niet (voldoende) wijzen op de gevolgen en de risico’s van de verwerping, het daarover onduidelijkheid laten bestaan en het niet nemen of voorstellen van maatregelen daartegen. Een eerder moment van bekendheid is het hof niet met voldoende zekerheid gebleken. In het bijzonder blijkt uit het feit dat een opstelling is besproken van de wederzijdse vorderingen niet dat toen ook duidelijk is geweest of die vorderingen wel of niet opeisbaar waren. De klacht van klager is op 30 juli 2012 bij de kamer ingekomen, zodat de kamer klager terecht ontvankelijk heeft verklaard in dit klachtonderdeel. Om vast te stellen of de notaris hierdoor wordt blootgesteld aan een onwenselijk lange - en door de wetgever niet beoogde - vervaltermijn, dient het hof, in navolging van zijn op 12 mei 2009 uitgesproken beslissing (ECLI:NL:GHAMS:2009. LJN BI4240), te onderzoeken of de notaris door het verloop van de tijd gelegen tussen het moment van het verweten handelen en nalaten tot het moment van indiening van de klachten onredelijk in (de mogelijkheden van) zijn verdediging is geschaad. Het hof is van oordeel dat zulks niet het geval is nu is gebleken dat de notaris zich aan de hand van het dossier tegen de klacht heeft kunnen verweren en hij in ieder geval tot omstreeks 9 mei 2007 (de e-mail van [A] onder meer aan de notaris over de verdeling van de nalatenschap en de onderlinge schulden en vorderingen; productie 8 bij het verweerschrift in eerste aanleg) inhoudelijk bij de kwestie betrokken is gebleven.

6.3.

Met betrekking tot de hiervoor onder 4.1. weergegeven klachtonderdelen wordt per klachtonderdeel het volgende overwogen.

i. Gevolgen verwerping

Klager heeft uitdrukkelijk gesteld dat de notaris hem niet (voldoende) heeft gewezen op de gevolgen die het verwerpen van de nalatenschap voor hem met zich bracht. De notaris heeft verklaard geen aantekeningen van de bespreking van 27 juli 2000 te hebben gemaakt. Uit de stukken en hetgeen verder door partijen naar voren is gebracht, moet het hof afleiden dat de notaris klager (en zijn dochters) ten tijde van de verwerping niet voldoende uitdrukkelijk heeft gewezen op de gevolgen van verwerping van de nalatenschap. Hiervoor is redengevend dat klager nooit gebruik heeft gemaakt van het keuzelegaat, dat dochter [Z] ondanks haar ontevredenheid jarenlang haar aanspraken niet heeft verzilverd en dat pas heeft gedaan nadat haar advocaat in 2010 bij de notaris om opheldering had gevraagd, en dat [A] er, kennelijk op basis van informatie van klager en zijn dochters, van uitging dat de vorderingen van de dochters niet opeisbaar waren. Hiertegenover is de enkele mededeling van de notaris dat hij zich niet anders kan voorstellen dan dat tijdens de hiervoor bedoelde bespreking ook is gesproken over de consequenties van een verwerping, onvoldoende om aan te nemen dat de notaris klager hierover zorgvuldig heeft voorgelicht. Het hof is van oordeel dat de notaris klager voor en/of tijdens die bespreking uitgebreid had moeten voorlichten over de gevolgen van de verwerping, zeker gezien het feit dat de keuze voor aanvaarding dan wel verwerping op zeer korte termijn - binnen een paar dagen - diende te worden gemaakt. Verwerping van de nalatenschap zou immers leiden tot het opeisbaar worden van de erfdelen van [Y] en [Z]. In dit verband is ook van belang dat niet is gebleken dat er een andere reden voor klager was om te verwerpen dan de enkele wenst de ouderlijke woning vrij van overdrachtsbelasting over te dragen aan [Y].

Voorts verwijt klager de notaris dat hij ook na de verwerping onduidelijkheid heeft laten bestaan over de gevolgen daarvan. In 2003 is de ouderlijke woning aan [Y] overgedragen. Klager heeft onweersproken aangevoerd dat de notaris in datzelfde jaar de levering van de nieuwe woning van klager heeft verzorgd, de huwelijkse voorwaarden voor klager en zijn huidige echtgenote heeft opgemaakt en in 2010 de (gewijzigde) testamenten van klager en zijn huidige echtgenote heeft opgesteld en gepasseerd. Op 4 mei 2006 heeft de bespreking tussen de notaris en klager en zijn dochters plaatsgevonden, waarbij het door de notaris opgestelde financiële overzicht aan de orde is gekomen. Naar het oordeel van het hof is eveneens voldoende aannemelijk geworden dat de notaris klager ook bij deze gelegenheden niet op de gevolgen van de verwerping door klager van de nalatenschap heeft gewezen. Ook van de bespreking op 4 mei 2006 heeft de notaris geen aantekeningen gemaakt en uit het door de notaris voor die gelegenheid opgestelde financiële overzicht met de onderlinge schuldposities kan niet worden afgeleid of de vorderingen van [Y] en [Z] op klager wel of niet opeisbaar zijn. Hierbij merkt het hof op dat in het bijzonder ook de al eerder genoemde e-mail van 9 mei 2007 van [A], waarin [A] klager, [Z] en de notaris in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van [X] uitgebreid informeert over de afwikkeling van de nalatenschap en met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap - kort gezegd - schrijft dat het hele vermogen naar klager is gegaan en [Z] en [Y] een niet-opeisbare vordering op klager hebben, voor de notaris aanleiding had moeten zijn om deze onjuiste weergave van de situatie door [A] naar alle betrokkenen toe recht te zetten. De notaris heeft ter zitting ook erkend dat hij op die e-mail had moeten reageren. Door dit niet te doen heeft de notaris ook toen onduidelijkheid laten bestaan over de juiste stand van zaken in deze. Dat de notaris bij brief van 10 september 2002 aan [A] met betrekking tot de aangifte successierechten de onjuiste veronderstelling dat de ouderlijke boedelverdeling nog in stand was heeft gecorrigeerd, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, maakt dit niet anders omdat een kopie van deze brief niet aan klager is gestuurd.

Van het feit dat de notaris klager ten tijde van de verwerping of op enig moment daarna niet uitdrukkelijk (genoeg) op de - vergaande - gevolgen van de verwerping van de nalatenschap heeft gewezen, kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit betekent dat dit klachtonderdeel gegrond zal worden verklaard.

ii. Risico’s verwerping

In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen, moet eveneens worden aangenomen dat de notaris klager niet specifiek op de risico’s die verbonden zijn aan het verwerpen heeft gewezen. Dit klachtonderdeel zal derhalve eveneens gegrond worden verklaard.

iii. Maatregelen tegen risico’s bij verwerping

De notaris heeft aangevoerd dat er ten tijde van de verwerping er geen aanleiding bestond om een regeling voor te stellen met betrekking tot de opeisbaarheid van de vorderingen, dat daarvoor in 2003 onvoldoende financiële duidelijkheid bestond en dat dat in 2006 geen zin meer had vanwege de inmiddels verslechterde familieverhoudingen. Hiermee is komen vast te staan dat de notaris geen maatregelen heeft geadviseerd of getroffen om klager te beschermen tegen de risico’s van het verwerpen, zodat ook dit klachtonderdeel gegrond zal worden verklaard. Het hof merkt in dit verband op dat een regeling omtrent de opeisbaarheid van de vorderingen van de dochters juist zou hebben moeten dienen als vangnet voor veranderende omstandigheden en dat voor het sluiten van een daartoe strekkende overeenkomst een exacte kennis van de onderlinge schuldenpositie niet was vereist.

iv. Verstrekken volledige dossier

In hoger beroep is naar voren gekomen dat het de notaris was ontschoten dat hij in september 2010 op de brief van 15 juli 2010 van de gemachtigde van [Z] heeft gereageerd. De notaris stelt zich evenwel op het standpunt dat het verstrekken van een kopie van die brief aan klager zonder toestemming van [Z] hem gezien het tussen klager en [Z] gerezen geschil vanwege zijn onpartijdigheid niet vrij staat. In zijn brief van 15 juli 2010 heeft de gemachtigde van [Z] aan de notaris gevraagd om duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de vraag of de vordering van [Z] wel of niet opeisbaar was. Het hof is van oordeel dat het de notaris niet vrij stond, zoals hij kennelijk heeft gedaan, die vraag buiten klager om te beantwoorden. Daarop ziet de klacht echter niet. Uit het voorgaande vloeit echter ook voort dat de weigering een kopie van zijn antwoordbrief aan klager te verstrekken in strijd is met de onpartijdige houding die een notaris dient aan te nemen. Dit leidt tot de slotsom dat in zoverre ook dit klachtonderdeel gegrond is.

6.4.

Het hof acht, gelet op de aard van de tuchtrechtelijk laakbare handelwijze van de notaris, het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6.5.

Nu het hof tot een andere beslissing is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven en zal deze worden vernietigd.

6.6.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.7.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht op alle onderdelen gegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 november 2013 door de rolraadsheer.