Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3993

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
12/00488
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1070
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er zijn terecht kosten in rekening gebracht voor de betekening van drie dwangbevelen met bevel tot betaling. Niet aannemelijk is geworden dat de ontvanger uitstel van betaling had verleend. Ten tijde van de betekening was belanghebbende derhalve in gebreke gebleven de verschuldigde belasting tijdig te betalen.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 10
Invorderingswet 1990 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2557
V-N 2014/5.2.4
FutD 2013-2797
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 12/00488

10 oktober 2013

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X BV], gevestigd te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/3084 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst Amsterdam, de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De belastingdeurwaarder heeft op 17 december 2010 aan belanghebbende bij drie afzonderlijke beschikkingen een bedrag van in totaal € 17.430 aan vervolgingskosten in rekening gebracht ter zake van de betekening van drie dwangbevelen met bevel tot betaling.

1.2.

Na tegen die beschikkingen ingesteld administratief beroep heeft de ontvanger bij in één geschrift vervatte uitspraken van 19 april 2011 de totale vervolgingskosten verminderd tot € 11.026.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 24 mei 2012 heeft de rechtbank als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 juli 2012, aangevuld bij brief van 20 juli 2012. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Op 30 november 2010 is door de belastingdeurwaarder ten laste van belanghebbende beslag gelegd op de roerende zaken, welke zich bevinden op [A-straat 1] te [Z]. Dit beslag is gelegd voor een openstaande schuld op de belastingaanslag vennootschapsbelasting met nummer [...] ten bedrage van € 88.900.

2.2.

De onderhavige op 17 december 2010 betekende drie dwangbevelen zijn op 9 december 2010 uitgevaardigd, omdat - aldus die dwangbevelen - de ontvanger op die datum heeft geconstateerd dat belanghebbende achter is met de betaling van de belastingaanslag vennootschapsbelasting 2006, gedagtekend 14 augustus 2010, nummer [...] (€ 220.635), de belastingaanslag vennootschapsbelasting 2008, gedagtekend 20 november 2010, nummer [...] (€ 94.639), en de belastingaanslag loonheffingen september 2010, dagtekening 23 november 2010, nummer [...] (€ 412).

2.3.

Op 17 december 2010 heeft de belastingdeurwaarder ten laste van belanghebbende (nogmaals) beslag gelegd op de roerende zaken, welke zich bevinden op [A-straat 1] te [Z]. Ditmaal is het beslag gelegd ter zake van de onder 2.2 gemelde - nog openstaande - belastingschulden (inclusief kosten).

Bij dezelfde gelegenheid zijn de litigieuze beschikkingen aan belanghebbende betekend.

2.4.

Tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen is belanghebbende niet in verzet gekomen.

2.5.

In december 2010 is er van de zijde van belanghebbende (in de persoon van [A]) een telefoongesprek gevoerd met de ontvanger (in de persoon van [B]).

2.6.

Tot de stukken behoort een brief d.d. 24 december 2010 van [A] aan [B] waarin namens belanghebbende wordt verzocht om een betalingsregeling voor de onder 2.1 en 2.2 gemelde belastingaanslagen vennootschapsbelasting en voorts voor een belastingaanslag met het nummer [...].

De inhoud van deze brief is als volgt:

“Hierbij verzoeken wij u namens belastingplichtige om een betalingsregeling

voor bovenvermelde aanslagen.( Totaal Euro 457.703 )

Gezien de totale omvang van het verschuldigde is het voor belastingplichtige

onmogelijk deze schuld ineens te voldoen.

In verband met een boekenonderzoek door de belastingdienst over de jaren

2004 tot en met 2006, welke in totaal 2 jaar in beslag heeft genomen en is

afgerond met het opleggen van een navorderingsaanslag VPB 2006 op

14 augustus 2010, zijn de jaarstukken over de jaren 2007/2008/2009 nog niet

afgerond, vooral omdat er onduidelijkheid bestond over de afloop van het onderzoek en

de fiscale gevolgen daarvan, welke ook verwerkt dienden te worden in de latere

boekjaren.

Tevens heeft ons kantoor ultimo september 2010 alle werkzaamheden op fiscaal en

administratief gebied overgenomen van de voormalig adviseur, die per direct

al haar activiteiten heeft gestaakt op 16 september 2010.

Wij zijn thans bezig met de afronding van de jaarstukken over de afgelopen jaren,

waarbij gezien de voorlopige cijfers duidelijk is dat het jaar 2009 tot een fiscaal verlies

zal leiden, waardoor de VPB-aanslag over 2008 door de verliesverrekening tot nihil

zal worden gereduceerd.

In dat geval zal de totale belastingschuld uitkomen op Euro 363.064

Na een moeizaam begin van het exploitatiejaar 2010 heeft zich vanaf dit najaar een

herstel in de omzetten afgetekend, waardoor wij menen dat bovenvermelde schuld

middels maandelijkse termijnbetalingen geheel voldaan zou kunnen worden.

Wij stellen derhalve hierbij namens belastingplichtige voor om op

15 januari 2011 een betaling te verrichten van Euro 35.000

en vervolgens iedere maand op de 15e een betaling van Euro 30.000

In dat geval zal op 15 december 2011 na betaling van de laatste termijn

de gehele schuld zijn voldaan.

In afwachting van uw berichten, verblijven wij,”

De ontvanger stelt deze brief niet per post te hebben ontvangen doch pas als bijlage bij een

e-mail van 4 januari 2011.

2.7.

Bij het onderzoek ter zitting van de rechtbank waren [A] en [B] beiden aanwezig. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank is daar door hen onder meer het volgende verklaard:

“[A]:

Ik heb het in mijn e-mail van 4 januari 2011 over een mogelijke betalingsregeling. Het ging

om de hoogte van het bedrag en wat in dat opzicht de mogelijkheden waren. [...]

[B] heeft gezegd, doe maar een voorstel. Zet het maar op papier.

[B]:

Ik heb gezegd, doe maar een concreet voorstel. Er was nog geen bedrag genoemd. Wat mij

betreft was het puur een informeel contact over de mogelijkheden die er waren om een executoriale verkoop te voorkomen.

Er is gezegd dat eiseres een schriftelijk voorstel moest doen. Er is geen termijn gesteld voor

het doen van dat schriftelijke voorstel. Ik heb wel gezegd dat het moet gaan om een concreet

voorstel.

[A]:

Daar ben ik het niet mee eens. [B] heeft gezegd, dat hij een concreet voorstel

wilde voor 1 januari 2011.

[B]:

Dat zegt mij niets. Er was beslag gelegd, en er was een verkoopdatum vastgesteld. Het kan

ook zo zijn dat [A] gezegd heeft dat het voor 1 januari 2011 binnen zou zijn. Het

lijkt mij niet dat ik dat gezegd heb.”,

en:

“[B]:

Het telefoongesprek was geen reden om met invorderingsmaatregelen te wachten. Ik wilde

voor alle aanslagen beslag leggen. Anders verviel het eerste beslag binnen enkele maanden.

Dit was onze vorm van zekerheid.

Er stond ruim € 400.000 open en het eerste beslag bedroeg € 88.000. Gezien de geschiedenis

was een voortvarende uitvoering gewenst.

[A]:

Ik heb niet gevraagd of ik tot 1 januari 2011 de tijd kreeg. Het telefoontje was bedoeld om te

kijken of [B] open stond voor een betalingsregeling. In mijn ogen reageerde hij

positief. Toen heb ik het op papier gezet, na overleg met mijn cliënt. Ik denk dat [...]

[B] de datum van 1 januari 2011 heeft genoemd. Ik heb vaker contact met de ontvanger.

Vaak wordt dan een termijn van 8 of 14 dagen gegeven. Het gesprek is de eerste week van

december 2010 geweest. Ik wilde er voor mijn cliënt een betalingsregeling uitslepen. Dan

kijk je of er een mogelijkheid is. Als er dan gezegd wordt ‘zet maar op papier’ dan ga je er

vanuit dat de wederpartij er positief tegenover staat.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of terecht kosten in rekening zijn gebracht voor de betekening op 17 december 2010 van drie dwangbevelen met bevel tot betaling.

Dat de belastingrechter niet bevoegd is te oordelen over de gerechtelijke tenuitvoerlegging van het dwangbevel is niet meer in geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De drie onder 2.2 gemelde - niet betaalde - belastingaanslagen waren nadat de ontvanger het onder 2.1 gemelde beslag had gelegd ingevolge het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Invorderingswet 1990 (hierna: Iw) terstond en tot het volle bedrag invorderbaar.

4.2.

Niet in geschil is dat belanghebbende ten aanzien van de drie belastingaanslagen ten aanzien waarvan de drie dwangbevelen zijn uitgevaardigd kennis heeft kunnen nemen van het feit dat zij moest betalen en in de gelegenheid is geweest om te betalen.

4.3.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, tweede volzin, Iw vangt dwanginvordering niet aan, dan wel wordt deze geschorst, gedurende de tijd dat de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend.

4.4.

Nu de ontvanger dit betwist is het in redelijkheid aan belanghebbende aannemelijk te maken dat de dwangbevelen niet hadden mogen worden uitgevaardigd en/of betekend omdat uitstel van betaling was verleend. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en overgelegd is zij niet in dat bewijs geslaagd. Uit hetgeen door [A] ter zitting van de rechtbank is verklaard volgt niet dat het telefoongesprek met [B] meer dan informatief was en er een betalingsregeling is afgesproken, noch dat belanghebbende mocht menen dat een betalingsregeling was afgesproken of dat zij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat een betalingsregeling tot stand zou komen. Het Hof wijst er in dit verband op dat in de onder 2.6 geciteerde brief van [A] niet gerefereerd wordt aan het eerdere telefoongesprek hetgeen voor de hand had gelegen indien belanghebbende meende dat daar al afspraken inzake een betalingsregeling waren gemaakt.

4.5.

Voor dit geding dient er derhalve van worden uitgegaan dat belanghebbende ten tijde van de betekening op 17 december 2010 van de drie dwangbevelen in gebreke was gebleven het verschuldigde tijdig te betalen.

4.6.

Ook indien een belastingschuldige in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen kunnen bijzondere omstandigheden de ontvanger ertoe nopen in redelijkheid niet tot (verdere) dwanginvordering over te gaan. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in dezen niet aannemelijk geworden. Met de ontvanger is het Hof van oordeel dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in haar op 24 december 2010 gedagtekende brief - wat daarvan ook moge wezen - niet als dergelijke bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Ook overigens zijn dergelijke omstandigheden niet aannemelijk geworden. Niet valt in te zien waarom het gegeven dat reeds eerder voor een openstaande schuld betreffende een andere belastingaanslag beslag was gelegd de ontvanger ervan zou moeten weerhouden tot dwanginvordering over te gaan voor drie andere belastingaanslagen ter zake waarvan belanghebbende in gebreke was te betalen, en het hem niet vrij zou staan de omstreden dwangbevelen uit te vaardigen en te laten betekenen. Feiten en omstandigheden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat de ontvanger in dezen heeft gehandeld met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, zijn niet aannemelijk geworden.

4.7.

Het bedrag van de in rekening gebrachte kosten is in de uitspraak op administratief beroep teruggebracht tot het maximum dat ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen op 17 december 2010 in rekening mocht worden gebracht voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling. Het rechtstreeks uit voormelde wet voortvloeiende in rekening gebrachte bedrag staat verder niet ter beoordeling van de rechter.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

5 Kosten

Voor een kostenveroordeling acht het Hof geen termen aanwezig.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, P.F. Goes en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 10 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.