Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3988

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
200.123.502/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Gedane mededeling raakt onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan de onpartijdigheid van de raadsheren in de strafkamer ten aanzien van enig in de strafzaak tegen de verzoeker naar voren komend aspect. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000917-11

rekestnummer: 200.123.502/01

Beschikking van de wrakingskamer van 11 november 2013 op het op 8 maart 2013 ingekomen schriftelijke verzoek tot wraking in de strafzaak met parketnummer 23-000917-11 tegen:

[Verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

hierna te noemen: verzoeker.

Advocaat: mr. B.M. Beg.

1 Het geding

1.1.

Verzoeker is door de advocaat-generaal opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam op 8 maart 2013 te 14.00 uur, teneinde tegenwoordig te zijn bij de nadere behandeling van de tegen hem aanhangige strafzaak met voornoemd parketnummer. Bij brief van

30 januari 2013 is mr. B.M. Beg, die blijkens die brief in deze strafzaak als raadsman optreedt, door

de griffier in kennis gesteld van de zittingsdatum. Voorts is de getuige [betrokkene] gedagvaard op die terechtzitting te verschijnen. Aan [betrokkene] voornoemd is namens de advocaat-generaal eveneens een brief d.d. 17 december 2012 gestuurd, waarin [betrokkene] wordt geïnformeerd over het tijdstip van behandeling van de strafzaak en de gang van zaken rond een door hem mogelijk ingediend verzoek tot schadevergoeding. Uit de stukken van het dossier blijkt voorts dat de heer [betrokkene] zich als benadeelde partij in het strafproces tegen verzoeker heeft gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade.

1.2.

Op 8 maart 2013, voorafgaand aan de terechtzitting op die datum in de strafzaak, is ter strafgriffie een faxbericht van mr. Beg van 7 maart 2013 ingekomen, gericht aan onder anderen de voorzitter van de strafkamer. In die fax deelt mr. Beg gemotiveerd mede dat hij op de terechtzitting van 8 maart 2013 niet zal verschijnen.

1.3.

Voorts is op 8 maart 2013, eveneens voorafgaand aan voornoemde terechtzitting, een faxbericht van mr. Beg ingekomen van 8 maart 2013 ingekomen, inhoudende een verzoek tot wraking van het hof. De wrakingskamer vat dit verzoek aldus op, dat het zich richt op de leden van de strafkamer van het hof die voornoemde strafzaak op 8 maart 2013 zouden behandelen, onder wie de voorzitter van die strafkamer, mr. Gonggrijp-van Mourik. De terechtzitting in de strafzaak heeft na het inkomen van dit wrakingsverzoek geen doorgang gevonden.

1.4.

Mr. Gonggrijp-van Mourik heeft naar aanleiding van dit wrakingsverzoek een schriftelijke reactie gegeven, evenals een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, beide gedateerd op 11 maart 2013.

1.5.

Het verzoek is door de wrakingskamer in openbare raadkamer behandeld op 4 november 2013.
Het openbaar ministerie is in raadkamer vertegenwoordigd door mr. E.C.A.M. Langenhorst, advocaat-generaal. Verzoeker en de raadsman zijn niet in raadkamer verschenen. De raadsheren wier wraking is verzocht zijn evenmin verschenen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De wrakingskamer heeft, naast voornoemde schriftelijk stukken, kennis genomen van de faxberichten van mr. Beg van 23 april 2013 en 3 oktober 2013, de brief van mr. Gonggrijp-van Mourik van 10 oktober 2013, alsmede van het faxbericht van mr. Beg van 29 oktober 2013.

2 Inhoud van de stukken en van het verzoek

2.1.

Op 8 maart 2013, voorafgaand aan de terechtzitting op die datum in de strafzaak, is ter strafgriffie van het hof een faxbericht van mr. Beg van 7 maart 2013 ingekomen, gericht aan onder anderen de voorzitter van de strafkamer. In die fax deelt mr. Beg mede dat hij op de terechtzitting van 8 maart 2013 niet zal verschijnen, waarvoor hij -samengevat- de volgende redenen aangeeft. Op de eerste plaats is hem geen omstandigheid bekend waaruit zou kunnen blijken dat verzoeker op de hoogte is van de zittingsdatum -de uitreikingsakte van de oproeping is ondanks schriftelijke verzoeken niet aan hem ter kennis gebracht- zodat hij prima facie van mening is dat niet is voldaan aan de voorschriften omtrent rechtsgeldige betekening, en de strafkamer de oproeping nietig kan verklaren. Op de tweede plaats is op de oproeping van verzoeker vermeld: “vanwege de advocaat-generaal zullen geen getuige(n) en deskundige(n) worden gedagvaard of opgeroepen”. Bij navraag bij het parket is mr. Beg gebleken dat de term ‘vanwege’ aldus moet worden uitgelegd dat door de advocaat-generaal geen getuigen zijn opgeroepen. Gelet op de ter terechtzitting van 20 augustus 2012 bevolen oproeping van de getuige [betrokkene], dient deze omstandigheid ertoe te leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wordt verklaard, aldus mr. Beg in zijn fax. De fax houdt voorts in dat, gezien deze feiten en omstandigheden, mr. Beg niet ter terechtzitting zal verschijnen, ervan uitgaande dat de strafkamer de, volgens mr. Beg, juiste beslissing zal nemen ten aanzien van de geldigheid van de oproeping, althans de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Onder deze omstandigheden kan in redelijkheid van een raadsman niet anders worden verwacht dan dat hij voorrang geeft aan het bijwonen van een gelijktijdig geplande zitting in Den Haag, zo schrijft mr. Beg in dit faxbericht.

2.2.

Voorts is op 8 maart 2013, eveneens voorafgaand aan de terechtzitting, een tweede faxbericht van mr. Beg ingekomen, gericht aan de onder anderen de voorzitter van de strafkamer, inhoudende het wrakingsverzoek. Deze fax houdt voor zover van belang in:

In vervolg op de fax welke ik heden van uw hof mocht ontvangen naar aanleiding van mijn brief d.d. 7 maart, alsmede telefonisch contact met de heer Blaak, bericht ik als volgt. De heer Blaak deelde mij mede dat ik, niettegenstaande de inhoud van mijn brief en niettegenstaande de omstandigheid dat ik geen wetenschap draag van eventuele bekendheid van cliënt met de zittingsdatum te 14.00 uur bij uw hof, wordt verwacht en dat indien ik niet zal verschijnen, het hof een klacht tegen mij zal indienen bij de Deken. Ik zal niet verschijnen en ik doe thans een verzoek tot wraking van het hof gelet op het geuite dreigement tegen mij persoonlijk.

2.3.

Het proces-verbaal van bevindingen van mr. Gonggrijp-van Mourik van 11 maart 2013 houdt in, voor zover van belang, dat mr. Gonggrijp-van Mourik de griffier heeft verzocht telefonisch contact op

te nemen met mr. Beg teneinde hem mede te delen dat het hof hem om 14.00 uur verwachtte bij de behandeling van de strafzaak nu op 7 november 2012 dag en tijdstip van de behandeling in overleg met mr. Beg waren bepaald, alsmede dat bij niet verschijnen van de raadsman een klacht bij de Deken zou worden overwogen. De schriftelijke reactie van mr. Gonggrijp-van Mourik van 11 maart 2013 houdt in, voor zover van belang, dat mr. Beg niet is bedreigd, maar dat hij is gewezen op de mogelijkheid van een klacht bij de Deken als gevolg van zijn handelen.

3. Beoordeling

3.1.

De wrakingskamer overweegt en beslist als volgt.

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter of het gerecht, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

3.2.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is van dit laatste geen sprake. Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat de griffier, namens de strafkamer, aan mr. Beg heeft medegedeeld dat een klacht bij de Deken zal worden ingediend als hij, mr. Beg, niet ter terechtzitting van 8 maart 2013 zal verschijnen, dan raakt deze mededeling onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de wrakingskamer nog niet aan de onpartijdigheid van de raadsheren in de strafkamer ten aanzien van enig in de strafzaak tegen de verzoeker naar voren komend aspect. Voor zover bij verzoeker de vrees voor vooringenomenheid van de strafkamer bestaat, is die vrees dan ook niet als objectief gerechtvaardigd aan te merken. Dit leidt ertoe dat het verzoek tot wraking wordt afgewezen.

4 BESLISSING

De wrakingskamer:

Wijst af het verzoek.

Deze beschikking is gewezen door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. M.P. van Achterberg en mr. J.A.M. de Wit, in tegenwoordigheid van
mr. M.E. Olthof, griffier, en is uitgesproken in openbare raadkamer van dit gerechtshof op
11 november 2013.