Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3942

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
200.122.218/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoering en mentorschap.

De uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende bij de benoeming van de bewindvoerder / mentor wordt niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 oktober 2013

Zaaknummer: 200.122.218/01

Zaaknummers eerste aanleg: 1378813 EB VERZ 12-10660, 1378815 EB VERZ 12-10661, 1389666 EB VERZ 12-12193 en 1389672 EB VERZ 12-12195

in de zaak in hoger beroep van:

1 […],

wonende te […],

2. […],

zonder bekende woon- of verblijfplaats, maar bereikbaar via een postadres in Amsterdam,

appellanten,

advocaat: mr. M.P. Lettinga te Ouderkerk aan de Amstel,

tegen

1 […],

wonende te […],

2. […],

wonende te […],

geïntimeerden,

advocaat: mr. L. Scheffer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk [a], [b], (hierna tezamen: [appellanten],) [c] en [d] (hierna tezamen: [geïntimeerden]) genoemd.

1.2.

[appellanten] zijn op 20 februari 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 november 2012 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 1378813 EB VERZ 12-10660, 1378815 EB VERZ 12-10661, 1389666 EB VERZ 12-12193 en 1389672 EB VERZ 12-12195.

1.3.

De heer […], bewindvoerder en mentor van [a], (hierna: [x]) heeft op 22 maart 2013 een verweerschrift met bijlagen ingediend.

1.4.

[geïntimeerden] hebben op 8 april 2013 een verweerschrift met bijlagen ingediend.

1.5.

[appellanten] hebben op 16 mei 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

[geïntimeerden] hebben op 24 mei 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 27 mei 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [a] en [b], bijgestaan door hun advocaat;

- [c] en [d], bijgestaan door hun advocaat;

- [x].

2 Het geschil in hoger beroep

2.1.

Bij de bestreden beschikking zijn op de onderscheiden verzoeken van [appellanten] en van [geïntimeerden] de goederen die (zullen) toebehoren aan [a] onder bewind gesteld en is een mentorschap ingesteld ten behoeve van [a]. Daarbij is overeenkomstig verzoek van [geïntimeerden] [x] tot bewindvoerder en mentor benoemd. Het verzoek van [appellanten] om [b] tot bewindvoerder en mentor te benoemen, is afgewezen.

2.2.

[appellanten] verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, naar het hof begrijpt, het inleidende verzoek af te wijzen, dan wel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover [x] daarbij tot bewindvoerder en mentor is benoemd, en opnieuw rechtdoende [b] tot bewindvoerder en mentor te benoemen, dan wel tot co-bewindvoerder dan wel co-mentor, met veroordeling van [geïntimeerden] en/of [x] in de kosten.

2.3.

[geïntimeerden] verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

3 Beoordeling van het hoger beroep

3.1.

[a] stelt dat tijdens de procedure in eerste aanleg het recht op hoor en wederhoor is geschonden, aangezien haar niet de mogelijkheid is geboden bij alle zittingen aanwezig te zijn en zij dus niet ter zitting heeft kunnen kennisnemen van de door [geïntimeerden] afgelegde verklaringen, en daarop evenmin onmiddellijk heeft kunnen reageren. Dit alles geldt evenzeer voor [b].

Het hof overweegt daarover dat voor zover al sprake zou zijn van omissies of fouten tijdens de procedure in eerste aanleg, het hoger beroep onder meer dient tot herstel van die omissies of fouten. [a] heeft in hoger beroep – schriftelijk en ter zitting - haar standpunt naar voren kunnen brengen en een reactie kunnen geven op de stellingen van de overige belanghebbenden. Hetgeen [a] op dit punt heeft aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3.2.

Ingevolge artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, te zijnen behoeve een mentorschap instellen.

Ter beoordeling van het hof ligt allereerst de vraag voor of ten aanzien van [a] de bovengenoemde gronden voor bewindvoering en mentorschap aanwezig waren ten tijde van het geven van de bestreden beschikking en of deze thans nog aanwezig zijn.

3.3.

[appellanten] betwisten dat er gronden voor bewindvoering en mentorschap bestonden of bestaan. Zij stellen dat [a] in juli 2012 ten onrechte is opgenomen in een psychiatrische kliniek. Door haar beperkte gezichtsvermogen heeft [a] weliswaar enige hulp nodig, maar zij kan daarvoor terecht bij [b], met wie zij gedurende ruim 10 jaar een relatie heeft. Die hulp moet worden gezien als ‘familiaire backup’ en rechtvaardigt niet de conclusie dat zij tot een behoorlijke waarneming van haar eigen (niet-)vermogensrechtelijke belangen niet in staat zou zijn. Van wanen, verwardheid en/of een psychotische toestand was geen sprake. De voormalige woning in [woonplaats 1] was meer dan gebruikelijk gevuld met in de loop der jaren door [a] en haar gezin verzamelde goederen, maar een onveilige of (brand)gevaarlijke situatie heeft zich niet voorgedaan.

[a] heeft zelf om onderbewindstelling en instelling van mentorschap verzocht, maar dat verzoek is gedaan voor de duur van haar klinische opname en omdat [a] juist door die opname in haar mogelijkheid tot het behoorlijk waarnemen van haar belangen werd beperkt. Zij meende formele steun nodig te hebben tegenover haar dochter [c], die zij verantwoordelijk acht voor haar verplichte opname, en tegenover de kliniek.

Voor zover destijds al gronden voor onderbewindstelling en instelling van mentorschap bestonden, zijn die thans niet meer aanwezig. [a] is in december 2012 uit de kliniek ontslagen en bewoont sindsdien een nieuwe woning in [woonplaats 2]. Het gaat thans goed met haar, aldus [appellanten].

3.4.

[geïntimeerden] en [x] hebben in hoger beroep verweer gevoerd. Op dat verweer zal worden ingegaan in de navolgende overwegingen van het hof.

3.5.

Het hof overweegt als volgt.

Bij beschikking van 19 juli 2012 van de rechtbank Amsterdam is een voorlopige machtiging verleend tot opname van [a], geboren [in] 1943, in een psychiatrisch ziekenhuis. Op basis van deze machtiging heeft [a] tot december 2012 verbleven in de Mentrum ouderenkliniek in het St. Jacob. In genoemde beschikking is onder meer overwogen – zakelijk weergegeven - dat [a] lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie van het paranoïde type, en dat van adequate ambulante behandeling geen sprake is omdat [a] het nut daarvan niet inziet. [a] was toen al anderhalf jaar in beeld bij Mentrum, gedurende welke periode sprake was van verslechtering van haar fysieke en psychische toestand. Tevens staat op grond van de overgelegde stukken, waaronder een last onder bestuursdwang van Stadsdeel Noord d.d. 19 juni 2012 voldoende vast dat in de zomer van 2012 ruiming van de woning dreigde vanwege ernstige vervuiling en een mogelijk (brand-)onveilige situatie.

Voorts staat vast dat [a] een ernstige visuele beperking heeft. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [a] in een periode van 2 jaar tijd 13 bankpasjes en 8 identiteitsbewijzen is kwijtgeraakt. Zij is op hulp aangewezen bij het voeren van haar administratie en dagelijkse activiteiten zoals het doen van boodschappen.

3.6.

Op grond van het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat [a] ten tijde van het geven van de bestreden beschikking als gevolg van haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat was ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen en evenmin in staat was of bemoeilijkt werd haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

3.7.

Het hof leidt uit de overgelegde stukken, waaronder een (concept)behandelingsplan van 22 september 2011 en de beschikking van 19 juli 2012 af dat sprake is van een chronisch psychiatrisch ziektebeeld. De beperkingen in het gezichtsvermogen hebben evenzeer een chronisch karakter. [a] was voorafgaand aan haar opname al sinds vele jaren aangewezen op de hulp en steun van [c], welke hulp en bijstand thans niet meer beschikbaar zijn als gevolg van een verstoorde verhouding. Naar het oordeel van het hof moet op grond hiervan en bezien tegen de achtergrond van de gebeurtenissen voorafgaand aan de opname van [a] worden geoordeeld dat de gronden voor beschermingsbewind en mentorschap ook thans nog bestaan.

Dat [a] wordt geholpen door [b] leidt niet tot een ander oordeel, nu die gestelde bijstand de toestand van maatschappelijke teloorgang waarin [a] in de periode voorafgaande aan haar verplichte opname in Mentrum verkeerde kennelijk niet heeft kunnen voorkomen.

3.8.

Vervolgens is aan de orde de vraag wie tot bewindvoerder/mentor dient te worden benoemd.

Op grond van artikel 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Op grond van artikel 1:452 BW geldt ditzelfde voor de benoeming van de mentor.

3.9.

[appellanten] stellen dat indien een bewindvoerder/mentor wordt benoemd, de voorkeur van [a] uitgaat naar [b], aangezien [a] langer dan 10 jaar een relatie met hem heeft. Volgens hen komt [x] zijn afspraken niet na, communiceert [x] nauwelijks en verstrekt hij hen geen informatie of inzicht in de inkomsten en uitgaven.

3.10.

[geïntimeerden] stellen dat gegronde redenen zich verzetten tegen [b] als bewindvoerder/mentor. Gezien haar psychische gesteldheid is [a] niet goed in staat te beoordelen wie voor de taak van bewindvoerder/mentor geschikt is. Er zijn momenten geweest waarop zij heeft laten weten [b] niet te vertrouwen. Daarbij komt dat een zodanig conflict is ontstaan tussen [geïntimeerden] en [b] dat [geïntimeerden] geen contact meer hebben met [a]. Bovendien heeft [b] aan [a] in het verleden niet de benodigde zorg verleend. Zo heeft hij [a] onder meer zonder sleutels voor een dichte deur achtergelaten en hij heeft geen eten voor haar gehaald toen dat nodig was, aldus [geïntimeerden]

3.11.

[x] heeft ter zitting in hoger beroep laten weten dat hij slechts aan [a] informatie wil verstrekken. Volgens hem belemmert [b] het contact met [a].

3.12.

Naar het oordeel van het hof verzetten gegronde redenen zich tegen de benoeming van [b] tot bewindvoerder en mentor.

Zowel uit de door [geïntimeerden] als de door [x] verstrekte informatie is gebleken dat [b] dwingend is in de wijze waarop hij communiceert in aangelegenheden die [a] aangaan, daarbij vooral zijn eigen mening geeft en gesprekspartners niet tot nauwelijks de gelegenheid krijgen met [a] zelf het gesprek aan te gaan. Aannemelijk is dat de interventies van [b] minstgenomen een rol hebben gespeeld in de verwijdering tussen [a] en haar kinderen.

Daarbij komt dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de woon- of verblijfplaats van [b]. Hij stelt niet bij [a] te wonen, en volstaat met het opgeven van een postadres en het adres van een jachthaven, waar een bootje ligt waarop hij wel eens verblijft.

Voor een adequate uitvoering van het bewind en mentorschap mag aan een bewindvoerder en mentor onder meer de eis worden gesteld dat geen onduidelijkheid of schimmigheid bestaat over zijn woon-of verblijfplaats.

Onder die omstandigheden, en in aanmerking genomen dat [b], zoals hiervoor reeds overwogen, de toestand van maatschappelijke teloorgang waarin [a] in de periode voorafgaande aan haar verplichte opname in Mentrum verkeerde kennelijk niet heeft kunnen voorkomen, ziet het hof voldoende aanleiding voorbij te gaan aan de uitdrukkelijke voorkeur van [a] om [b] te benoemen tot (co)bewindvoerder/mentor.

Niet gebleken is dat een wettelijk preferente bewindvoerder/mentor beschikbaar is.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de belangen van [a] het meest zijn gediend met benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder/mentor.

3.13.

[appellanten] hebben nog aangevoerd dat [x] zijn taken van bewindvoerder/mentor niet behoorlijk uitvoert, maar daarvan is, mede gelet op de door [geïntimeerden] en [x] gegeven toelichtingen op een aantal door [appellanten] aangehaalde punten, niet gebleken. Het hof zal dan ook de benoeming van [x], een professioneel bewindvoerder, tot bewindvoerder en mentor in stand laten.

3.14.

Voor een proceskostenveroordeling als door [appellanten] verzocht, bestaat geen grond. De proceskosten zullen tussen partijen, worden gecompenseerd als na te melden.

3.15.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de kosten aldus, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.N. van de Beek en mr. B.F.P. Lhoëst in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013.