Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3940

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
200.111.749/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Marokkaanse rechter heeft tussen partijen, onder toepassing van Marokkaans recht, de echtscheiding uitgesproken en heeft daarbij diverse onderhoudsbijdragen aan de man opgelegd. In geschil is of de man belang heeft bij zijn gewijzigde verzoek voor recht te verklaren dat het hem in Nederland aan de benodigde draagkracht ontbreekt om onderhoudsbijdragen te voldoen. Het hof acht in hetgeen door de man is aangevoerd een toereikend belang aanwezig voor het beoordelen van de door hem verzochte verklaring voor recht. Het hof verklaart voor recht dat thans het de man naar Nederlands recht aan vereiste draagkracht ontbreekt om in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de kosten van levensonderhoud en studie van hun dochter bij te dragen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 303 en 324
Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, 's-Gravenhage, 23-11-2007 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 1 oktober 2013

Zaaknummer: 200.111.749/01

Zaaknummer eerste aanleg: 426799 / FA RK 09-3337 (HHA/FW)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.T. Panholzer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 16 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 mei 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 426799 / FA RK 09-3337 (HHA/FW).

1.3.

De vrouw heeft op 16 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 23 november 2012 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 5 december 2012 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de jongmeerderjarige […] (hierna: [kind c]), die door het hof ambtshalve als belanghebbende is aangemerkt.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn [in] 1976 gehuwd in El-Jebha, Marokko. Hun huwelijk is op 1 september 2004 in Nederland ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 maart 2004 van de rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1989, […] (hierna: [kind b]) [in] 1991 en [kind c] [in] 1993 (hierna gezamenlijk ook: de kinderen). [kind c] verblijft bij de vrouw.

Partijen zijn [in] 2005 in Amsterdam opnieuw gehuwd. Dit huwelijk is op 30 januari 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 oktober 2006 van de rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij uitspraak van de rechtbank te Tétouan, Marokko, van 11 november 2005 is aan de man de verplichting opgelegd te voorzien in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van 25 dirham per dag en te voorzien in het levensonderhoud van de drie kinderen met een bedrag van 18 dirham per dag voor ieder van hen, en dit alles met ingang van 1 maart 2004 tot de verplichting rechtens voor hem komt te vervallen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het levensonderhoud van de kinderen betaald dient te worden totdat zij de meerderjarige leeftijd hebben bereikt, behalve voor de meisjes, die daarop recht hebben tot zij eigen inkomsten hebben, of dat betaald dient te worden van het geld van hun echtgenoten. De rechtbank heeft daarbij Marokkaans recht toegepast.

2.3.

De rechtbank te Tétouan heeft op 27 maart 2006 tussen partijen, onder toepassing van Marokkaans recht, de echtscheiding uitgesproken wegens duurzame ontwrichting. De echtscheiding is uitgesproken met betrekking tot het op 30 september 1976 tussen partijen gesloten huwelijk. Tevens is de man daarbij veroordeeld tot betaling van diverse bedragen aan de vrouw: 10.000 dirham als genotvergoeding, 4.500 dirham als woonvergoeding, 350 dirham als verplichte bruidsschat, 15 dirham per kind per dag als kinderbijdrage, 600 dirham als woonvergoeding voor de kinderen en 100 dirham per kind als voogdijvergoeding.

2.4.

Het gerechtshof te Tétouan heeft op 18 september 2007 uitspraak gedaan op het hoger beroep dat door de vrouw was ingesteld tegen laatstgenoemde uitspraak. Het gerechtshof heeft deze uitspraak bekrachtigd en gewijzigd; de kinderbijdrage is verhoogd tot 20 dirham per dag per kind en de verplichte vergoeding voor bewoning van de kinderen is verhoogd tot 1.000 dirham per maand. De man is in deze procedure niet verschenen.

2.5.

Bij uitspraak van het gerechtshof te Tétouan van 5 februari 2008 is voornoemde uitspraak van 18 september 2007, waartegen door de man verzet was ingesteld, bekrachtigd.

2.6.

Bij in de onderhavige zaak gegeven beschikking van 1 september 2010 heeft de rechtbank, met dienovereenkomstige wijziging van de uitspraak van het gerechtshof te Tétouan van 18 september 2007, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] en [kind b] met ingang van 1 mei 2009 op nihil gesteld. Tevens zijn bij deze beschikking, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, partijen in de gelegenheid gesteld opgave te doen van aan het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage (hierna: IJI) te stellen vragen met betrekking tot de door het gerechtshof te Tétouan naar Marokkaans recht vastgestelde onderhoudsverplichtingen van de man jegens de vrouw.

2.7.

Het IJI heeft op 6 juli 2011 een rapport uitgebracht.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.8.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij heeft twee kinderen uit een later huwelijk. Hij is thans alleenstaand.

Zijn financiën worden beheerd door de Dienst Werk en Inkomen van de Gemeente Amsterdam.

In 2005 ontving de man een uitkering van het UWV welke blijkens de jaaropgave bruto € 15.812,- bedroeg.

Hij ontvangt een WAO/WIA-uitkering, die in maart 2012 netto € 1.186,- per maand bedroeg.

De Informatie Beheer Groep (hierna: IBG) heeft de man bij brief van 23 februari 2008 bericht dat hij over 2007 niet kon bijdragen aan de studies van [kind a] en [x], op basis van zijn belastbaar loon in 2005 van € 17.810,-. De Dienst Uitvoering Onderwijs, rechtsopvolger van IBG, heeft hem bij brief van 3 november 2012 bericht dat hij, op basis van zijn verzamelinkomen in 2011 van € 15.307,-, niet kan bijdragen aan de studies van [x] en [kind c].

Aan huur betaalt hij (in 2012) € 634,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij (in 2012) € 156,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot nihilstelling van de onderhouds- en kinderbijdragen afgewezen.

3.2.

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt, voor recht te verklaren dat het hem naar Nederlands recht aan vereiste draagkracht ontbreekt om in alle redelijkheid in de kosten van levensonderhoud van de vrouw c.q. kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen bij te dragen, althans (een) zodanige voorziening(en) te treffen als het hof juist zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het hof overweegt ambtshalve als volgt. Het verzoek van de man in hoger beroep heeft betrekking op de bijdragen in het levensonderhoud van zowel de vrouw als de drie kinderen. [kind a] en [kind b] zijn in eerste aanleg niet verschenen. Ten aanzien van hen heeft de rechtbank in deze zaak op 1 september 2010 een eindbeschikking gegeven, inhoudende een toewijzing van het inleidende verzoek van de man, waardoor op dat moment ten aanzien van hen een einde aan de zaak kwam. Die beschikking is onherroepelijk geworden. Daarmee is niet te verenigen dat bij de bestreden beschikking ten aanzien van alle drie de kinderen het inleidende verzoek van de man is afgewezen. Voor zover de bestreden beschikking betrekking heeft op [kind a] en [kind b] kan deze dan ook niet in stand blijven.

Uit het bovenstaande vloeit voorts voort dat de man thans in hoger beroep [kind a] en [kind b] niet meer in rechte kan betrekken. Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op hen, zal het hof de man daarin niet-ontvankelijk verklaren.

4.2.

De man heeft in hoger beroep zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij niet langer verzoekt om nihilstelling van de door de rechter in Marokko opgelegde onderhoudsbijdragen. Thans verzoekt hij het hof slechts voor recht te verklaren dat het hem in Nederland aan de benodigde draagkracht ontbreekt om onderhoudsbijdragen te voldoen.

Hieruit volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, nu deze is gewezen op de grondslag van een in zoverre ingetrokken verzoek.

4.3.

Het hof stelt ambtshalve vast dat ten aanzien van het verzoek van de man in hoger beroep de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 3, aanhef en onder b., van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008 (hierna: Alimentatieverordening), nu de vrouw en de kinderen hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland.

4.4.

Ingevolge artikel 15 van de Alimentatieverordening in verbinding met artikel 3 van het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is op het verzoek Nederlands recht van toepassing.

4.5.

Tussen partijen is in geschil of de man belang heeft bij zijn gewijzigde verzoek.

De man stelt dat dit belang aanwezig is, omdat de rechter in Marokko geen genoegen neemt met Nederlandse stukken waaruit blijkt dat hij geen draagkracht heeft, zodat hij een uitspraak van een bevoegde Nederlandse instantie – in casu het hof – nodig heeft waaruit zijn gebrek aan draagkracht blijkt. Volgens de man is een dergelijke uitspraak voor hem noodzakelijk om de bij uitspraak van de rechter in Marokko opgelegde onderhoudsbijdragen en de executie daarvan in Marokko met succes te kunnen aanvechten. Zijn belang wordt onderstreept door de omstandigheid dat hij afgelopen zomer tijdens een bezoek aan Marokko in de gevangenis is beland als gevolg van althans in rechtstreeks verband met de door de rechter in Marokko opgelegde onderhoudsbijdragen, aldus de man.

De vrouw stelt dat het belang van de man bij de verzochte verklaring voor recht ontbreekt. Voor het aanvechten van de door de rechter in Marokko opgelegde onderhoudsbijdragen is het naar verwachting niet zinvol die verklaring af te geven, nu de beschikking van het hof niet in Marokko zal kunnen worden erkend. Daar komt bij dat de rechter in Marokko zich waarschijnlijk niets zal aantrekken van door de Nederlandse rechter vastgesteld ontbreken van draagkracht, althans is door de man onvoldoende onderbouwd dat de Marokkaanse rechter daartoe geneigd is. De uitspraken die in Marokko over de onderhoudsbijdragen zijn gedaan, kennen immers geen evenknie in het Nederlandse recht. Daarnaast zal de rechter in Marokko de vraag of de man in staat is een onderhoudsbijdrage te voldoen, beoordelen aan de hand van andere normen dan de Nederlandse rechter, zodat hij naar Marokkaanse maatstaven nog steeds voldoende draagkracht heeft, aldus de vrouw.

4.6.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Ingevolge artikel 3:324 BW is die bepaling ook van toepassing buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter echter terughoudend te zijn bij het aannemen van onvoldoende belang bij een rechtsvordering. Hieruit volgt dat degene die dat belang betwist die betwisting zal moeten onderbouwen met feiten en omstandigheden die de afwezigheid van dat belang, tegenover de stellingen van de eiser of verzoeker, aannemelijk maken.

Het hof acht in hetgeen door de man is aangevoerd een toereikend belang aanwezig voor het beoordelen van de door hem verzochte verklaring voor recht. Dat het afgeven van een dergelijke verklaring volgens de vrouw naar verwachting zinloos zal zijn voor het doel dat de man daarmee tracht te bewerkstelligen, maakt niet dat het belang van de man daarbij onvoldoende is. Op voorhand valt immers niet uit te sluiten dat de Marokkaanse rechter aan de verzochte verklaring voor recht in meer of mindere mate betekenis zal hechten. Aan de vrouw kan worden toegegeven, gelet op de inhoud van het rapport van het IJI, dat de kans groot is dat de verzochte verklaring voor recht, afgegeven door de Nederlandse rechter onder toepassing van Nederlands recht, naar Marokkaans internationaal privaatrecht niet voor erkenning in Marokko in aanmerking komt. Uit te sluiten valt dit evenwel niet en evenmin dat de rechter in Marokko aan de onderhavige beslissing enig belang zal toekennen, zodat moet worden geoordeeld dat de man bij zijn verzoek een rechtens te respecteren belang heeft.

In dit licht bezien is irrelevant dat noch de vrouw noch [kind c] in Nederland heeft verzocht om een onderhoudsbijdrage van de man of dat in Nederland geen alimentatieverplichting aan de man is opgelegd. De vrouw heeft nog gesteld dat haar belang bij afwijzing van het verzoek van de man erin schuilt dat na de vele procedures die tussen hen hebben plaatsgevonden – en die haar veel geld hebben gekost – aan deze kwestie een einde moet worden gemaakt. De vrouw miskent evenwel dat bij het beoordelen van de vraag of de man voldoende belang heeft bij zijn verzoek, behoudens in het geval van misbruik van procesrecht, dat zich hier niet voordoet, geen plaats is voor een afweging van zijn belang bij zijn verzoek tegen haar belang bij afwijzing daarvan.

De conclusie is dat de man voldoende belang heeft bij zijn verzoek in hoger beroep, zodat het hof dat verzoek zal beoordelen.

4.7.

Het hof dient de vraag beantwoorden of de man naar Nederlandse maatstaven, gelet op de overgelegde financiële bescheiden, over draagkracht beschikt om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw en in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind c]. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord op grond van de hierboven onder 2.8 vermelde feiten en omstandigheden. Daar komt bij dat de vrouw en [kind c] niet hebben bestreden dat de man volgens de Nederlandse wettelijke normen geen draagkracht heeft. Het hof zal derhalve de verzochte verklaring voor recht afgeven, in voege als na te melden.

4.8.

Daarbij overweegt het hof ten overvloede, dat deze verklaring voor recht, gezien de aard van het onderhavige geschil slechts een beperkte strekking heeft in die zin, dat daaraan betekenis ontvalt zodra zich aan de zijde van de man een wijziging van omstandigheden voordoet als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW die zou meebrengen dat aan zijn kant alsnog draagkracht ontstaat, dan wel indien later blijkt dat deze verklaring voor recht is afgegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens in de zin van artikel 1:401 lid 4 BW.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover zijn verzoek betrekking heeft op [kind a] en [kind b];

verklaart voor recht dat thans het de man naar Nederlands recht aan vereiste draagkracht ontbreekt om in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de kosten van levensonderhoud en studie van [kind c] bij te dragen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.V.T. de Bie en mr. E.A. Maan in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013.