Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3939

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
200.127.067/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:2594, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve wordt onderzocht of het kind als minderjarige kan worden ontvangen in het hoger beroep. Vraag of de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van het kind en die voor verlenging van de machtiging tot haar uithuisplaatsing aanwezig zijn. Subsidiaire verzoek van de moeder om ingeval de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft, een andere gezinsvoogdijinstelling aan te wijzen. Voor het geval de machtiging tot uithuisplaatsing wordt gehandhaafd, verzoekt de moeder het kind te plaatsen in een residentiële jeugdzorginstelling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Burgerlijk Wetboek Boek 1 256
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Burgerlijk Wetboek Boek 1 262
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 september 2013

Zaaknummer: 200.127.067/01

Zaaknummer eerste aanleg: 199537/JU RK 13-78

in de zaak in hoger beroep van:

1 […],

verblijvende te Didam, gemeente Montferland,

2. […],

wonende te […],

appellanten,

advocaat: mr. B. Mor-Yazir te Utrecht,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

namens

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland,

gevestigd te Diemen,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten sub 1 en 2 worden hierna respectievelijk [de minderjarige] en de moeder genoemd. Geïntimeerde wordt hierna WSJ genoemd.

1.2.

Appellanten zijn op 8 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 8 februari 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk 199537/JU RK 13-78.

1.3.

WSJ heeft op 13 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Appellanten hebben op 21 juni 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

WSJ heeft op 2 juli 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 10 juli 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw D. Bijwaard, mevrouw C. Frij en mevrouw M. de Vos namens WSJ;

  • -

    mevrouw W.E.A. Ruder namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

Namens Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland is, hoewel behoorlijke oproeping door het hof, niemand verschenen. [de minderjarige] is niet verschenen met kennisgeving van afwezigheid.

1.7.

[de minderjarige] is op 31 juli 2013, in aanwezigheid van de Raad, door de voorzitter en de oudste raadsheer gehoord. Het hof heeft van hetgeen [de minderjarige] heeft verklaard een zakelijk verslag opgesteld.

2 De feiten

2.1.

[de minderjarige] is de [in] 1999 geboren dochter van de moeder. De moeder heeft het ouderlijk gezag over [de minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 20 februari 2009 van de kinderrechter in de rechtbank Haarlem (hierna: de kinderrechter) is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Haar ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 19 februari 2013.

2.3.

Bij beschikking van 20 februari 2009 van de kinderrechter is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. De machtiging is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 19 februari 2013.

2.4.

[de minderjarige] is op 19 februari 2009 geplaatst in een crisispleeggezin. Zij is daarna geplaatst in een observatiegroep en vervolgens in een behandelgroep van het Orthopedagogisch Centrum Trompendaal (hierna: OCT). Vanaf 23 december 2011 verblijft [de minderjarige] in het gezinshuis van Driestroom in Didam.

[de minderjarige] is sinds zij uit huis is geplaatst tot ongeveer begin 2013 naar logeerouders [x] in [a] gegaan.

2.5.

WSJ heeft op 17 januari 2013 een Evaluatie OTS Verlenging en een Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling over [de minderjarige] uitgebracht.

Milja Nuis, GZ-psycholoog en behandelcoördinator bij Driestroom, heeft op 29 maart 2013 een Beeldvormend verslag over [de minderjarige] vastgesteld.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking zijn – voor zover thans van belang – op het daartoe strekkende verzoek van WSJ de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot haar uithuisplaatsing voor verblijf in een AWBZ-instelling verlengd met ingang van 19 februari 2013 tot 19 februari 2014.

3.2.

Appellanten verzoeken – na hun verzoek ter zitting in hoger beroep te hebben aangepast –, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair het inleidend verzoek van WSJ tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] alsnog af te wijzen, subsidiair in het geval de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft, een andere gezinsvoogdijinstelling aan te wijzen, en in het geval de uithuisplaatsing gehandhaafd blijft, een machtiging daartoe af te geven voor verblijf in een residentiële jeugdzorginstelling.

3.3.

WSJ verzoekt – naar het hof begrijpt – appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in hoger beroep, dan wel hun verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof dient ambtshalve te onderzoeken of [de minderjarige] als minderjarige kan worden ontvangen in het hoger beroep. Als uitgangspunt heeft te gelden dat minderjarigen niet procesbekwaam zijn, tenzij wettelijk anders is bepaald. Het hof constateert dat een dergelijke wettelijke uitzondering zich in het onderhavige geval niet voordoet. Wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is in aanmerking genomen dat het hier gaat om een machtiging in de zin van artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en niet om een machtiging als bedoeld in hoofdstuk IVA § 1 van de Wet op de jeugdzorg. De conclusie moet daarom zijn dat [de minderjarige], hoezeer ook belanghebbende in de onderhavige procedure, als appellante niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

5 Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Aan de orde is de vraag of ten tijde van het geven van de bestreden beschikking de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en die voor verlenging van haar uithuisplaatsing aanwezig waren en of deze gronden ook thans nog aanwezig zijn.

5.2.

Volgens de moeder dient deze vraag negatief te worden beantwoord. Het hof volgt de moeder hierin echter niet. Voor ondertoezichtstelling van een minderjarige is ingevolge het bepaalde in artikel 1:254 lid 1 BW vereist dat hij zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. Een dergelijke bedreiging acht het hof gezien de stukken ten aanzien van [de minderjarige] aanwezig. Uit de stukken die het hof heeft ontvangen zoals hierboven omschreven, komt naar voren dat [de minderjarige's] sociaal-emotionele ontwikkeling een achterstand vertoont evenals haar morele ontwikkeling, haar impulscontrole en haar relatie tot autoriteit; zij is vooral op zichzelf gericht en interesseert zich minder voor anderen, waarmee contacten inwisselbaar zijn. Veelal probeert zij in haar gedrag de situatie in haar voordeel te laten verlopen. [de minderjarige] vertoont sociaal wenselijk en manipulerend gedrag, zoals liegen en dingen vergeten, en zij laat richting haar opvoeders uitdagend en negatief gedrag zien. Zij zet zich af tegen haar gezinshuisouders en is op zoek naar de grenzen in het zelf kunnen bepalen van dingen, maar tegelijkertijd is zichtbaar dat zij de vrijheden die ze zou willen bereiken niet aankan. Zij heeft weinig inzicht in haar handelen en zij heeft zich op dit vlak in geringe mate leerbaar getoond. Sociale vaardigheden weet [de minderjarige] niet adequaat in te zetten, aldus de stukken in het dossier.

5.3.

Dat deze bedreiging ten aanzien van [de minderjarige's] ontwikkeling aanwezig is, is door de moeder niet weersproken. Daarnaast heeft zij te kennen gegeven te beseffen dat hiervoor hulp nodig is. Wel meent zij dat deze hulp in vrijwillig kader kan worden geboden.

5.4.

Het hof acht de moeder gelet op hetgeen uit de stukken is gebleken in de eerste plaats niet in staat, ook niet als daarbij hulp en ondersteuning wordt ingezet, [de minderjarige] thuis de verzorging en opvoeding te bieden die [de minderjarige] nodig heeft. Volgens het hierboven onder 2.6 genoemde verslag van Driestroom heeft [de minderjarige], gelet op de zorgen die over haar bestaan, een woonsituatie nodig waarin een vaste herkenbare structuur en voorspelbaarheid in het gedrag van haar opvoeders aanwezig zijn. Zij moet er een affectieve band kunnen hebben met haar opvoeders, die emotioneel beschikbaar voor haar zijn en haar op dat vlak een stabiele basis bieden, en ook behandeling krijgen voor haar problematiek, aldus Driestroom.

Uit de stukken is gebleken dat de moeder er in het verleden vanwege haar psychiatrische- en verslavingsproblematiek niet in is geslaagd de zorg voor [de minderjarige] in toereikende mate op zich te nemen. De moeder heeft haar kinderen destijds aan hun lot overgelaten in een zeer vervuild huis; zij zorgde onvoldoende voor zichzelf, zocht geen hulp voor zichzelf en heeft teveel taken aan [de minderjarige] overgelaten. Hoewel de moeder zichzelf en de kinderen in een gevaarlijke en verwaarlozende situatie heeft gebracht, bagatelliseerde zij haar persoonlijke problemen. Hulpverlening in een vrijwillig kader was toen niet toereikend, gezien de weerstand van de moeder daartegen. Zij heeft in het verleden veel contact gehad met de GGZ, maar heeft de gezinsvoogd hierover niet willen informeren en heeft hem geen toestemming willen geven hierover met de GGZ contact te hebben. Volgens de moeder heeft zij ten aanzien van haar verslaving progressie geboekt, maar zij heeft het hof hierover niets laten zien. Zij heeft te kennen gegeven dat zij gebruik maakt van diverse vormen van hulpverlening, zonder duidelijk te maken in hoeverre haar eigen problematiek daarmee is verholpen. Blijkens het hierboven onder 2.5 vermelde plan van aanpak doet de moeder volgens het gezinshuis tijdens bezoeken en in telefoongesprekken geregeld een appel op [de minderjarige]; het komt het gezinshuis voor dat de moeder-kindrol is omgedraaid. Verder is hieruit gebleken dat de moeder in het afgelopen jaar meer dan de helft van haar bezoeken aan [de minderjarige] op het laatste moment heeft afgezegd met doorzichtige excuses, hetgeen [de minderjarige] verdrietig maakt.

Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat ter zitting in hoger beroep namens de moeder is verklaard dat zij beseft dat [de minderjarige] niet thuis kan komen wonen, dat haar opvoedingsvaardigheden onvoldoende zijn en dat zij niet goed genoeg voor [de minderjarige] zal kunnen zorgen. De moeder zelf heeft naar voren gebracht, dat zij thans niet in staat is de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen, omdat eerst haar huis in gereedheid dient te worden gebracht, zij nog sterker wenst te worden en omdat zij haar verslaving nog niet geheel onder controle heeft. Eerst over een aantal maanden zal ze wel in staat zijn om zelf voor [de minderjarige] te zorgen, aldus de moeder ter zitting in hoger beroep.

5.5.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] dient te worden verlengd.

5.6.

Op grond van al het bovenstaande en gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, acht het hof de gronden voor de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking en ook thans nog aanwezig. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook op dit punt bekrachtigen.

5.7.

Het hof behandelt thans het subsidiaire verzoek van de moeder om ingeval de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft, een andere gezinsvoogdijinstelling aan te wijzen.

Het hof acht dit verzoek evenwel niet toewijsbaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:254 lid 5 BW kan de rechter de stichting die het toezicht heeft, vervangen door een zodanige stichting in een andere provincie. Een dergelijk verzoek dient te worden gedaan aan de rechtbank en om die reden zal het hof de moeder in haar subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof overweegt ten overvloede, dat de rechter slechts in uitzonderlijke gevallen beslist tot een dergelijke vervanging en dat het in beginsel aan de gezinsvoogdijinstelling is om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de uitvoering van het toezicht. Het hof wijst in dit verband nog op het bepaalde in artikel 44 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Hierin is bepaald dat stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt, op verzoek van de minderjarige of de met het gezag belaste ouder, een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker kan aanwijzen. Gesteld noch gebleken is dat door [de minderjarige] dan wel de moeder een verzoek daartoe is ingediend.

5.8.

Gelet op hetgeen hierboven onder 5.2 en 5.4 is overwogen, oordeelt het hof dat eveneens de in artikel 1:261 lid 1 BW omschreven gronden voor uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn. De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat gelet op hetgeen met betrekking tot de ondertoezichtstelling is aangevoerd, thuisplaatsing van [de minderjarige] niet aan de orde kan zijn. Het hof overweegt dat nu hiermee de noodzaak tot het voortduren van [de minderjarige's] uithuisplaatsing is gegeven, de machtiging daartoe dient te worden verlengd. De omstandigheid dat namens de moeder een melding is gedaan bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg over de wijze waarop [de minderjarige] in het gezinshuis is bejegend, wat volgens de advocaat van de moeder zal uitmonden in een onderzoek daarnaar, maakt dat niet anders.

5.9.

Voor het geval de machtiging tot uithuisplaatsing wordt gehandhaafd, verzoekt de moeder [de minderjarige] te plaatsen in een residentiële jeugdzorginstelling. Zij denkt hierbij aan een klein gezinshuis, liefst dichter bij haar thuis, zodat zij [de minderjarige] iets makkelijker zal kunnen bezoeken. [de minderjarige] zit niet op haar plaats in het gezinshuis van Driestroom, zowel wat betreft haar intelligentie als haar cognitieve mogelijkheden, en zij heeft uiteenlopende signalen gegeven dat zij er geestelijk wordt mishandeld, aldus de moeder.

5.10.

Uitgangspunt bij het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing is dat de rechter is gebonden aan het ingediende verzoek; de machtiging mag niet worden verstrekt tot plaatsing in een voorziening waar niet om is verzocht. WSJ heeft verzocht een machtiging te verlenen [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een AWBZ-voorziening, namelijk het gezinshuis van Driestroom. Het is derhalve niet aan het hof te bepalen dat de machtiging zal worden verleend voor plaatsing van [de minderjarige] in een residentiële jeugdzorginstelling of elders. Het verzoek van de moeder dient derhalve te worden afgewezen. Van andere omstandigheden die maken dat het thans in het belang van [de minderjarige] is af te wijken van voornoemd uitgangspunt, is evenmin gebleken. Wel heeft de Raad ter zitting aan WSJ meegegeven dat voor de toekomst goed moet worden bezien of het gezinshuis van Driestroom nog wel de juiste plek is voor [de minderjarige]. Het hof hecht waarde aan dit advies, zodat in het belang van [de minderjarige] moet worden nagegaan of zij verblijft in een setting waarin het beste tegemoet wordt gekomen aan haar behoeften.

Gelet op het vorenstaande moet het verzoek van de moeder ter zitting in hoger beroep gedaan om [de minderjarige], als zij niet bij haar thuis kan wonen, te laten verblijven in het gezin van de familie [x], haar logeerouders, worden afgewezen.

5.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart [de minderjarige] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst, mr. M. Wigleven en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2013.