Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3877

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
200.133.132/01 en 200.133.132/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:10013, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1068, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg; instemmingsverklaring. Het bepaalde in artikel 29b lid 5 Wjz dient strikt te worden toegepast. Nu gebleken is dat de gedragswetenschapper de minderjarige niet heeft onderzocht voordat de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg op 23 augustus 2013 door de kinderrechter is verleend, is niet voldaan aan de vereisten die de wet aan toepassing van deze maatregel stelt. De omstandigheid dat het voor de gedragswetenschapper aanvankelijk feitelijk onmogelijk was de minderjarige te onderzoeken maakt dit niet anders. Uitsluitend in het geval van een voorlopige machtiging op grond van artikel 29c Wjz kan in dat geval toch een instemmingsverklaring worden afgegeven.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg 29b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 oktober 2013

Zaaknummers: 200.133.132/01 en 200.133.132/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/204781 / JU RK 13-709

in de zaak met zaaknummer 200.133.132/01 in hoger beroep van:

1 […],

verblijvende in het Transferium te Heerhugowaard,

2. […],

wonende te […],

appellanten,

advocaat: mr. B.W.M. Zegers te Volendam,

tegen

Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde.

en in de zaak met zaaknummer 200.133.132/02 van:

1 […],

verblijvende in het Transferium te Heerhugowaard,

2. […],

wonende te […],

verzoekers,

advocaat: mr. B.W.M. Zegers te Volendam,

tegen

Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

verweerder.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna worden hierna respectievelijk [de minderjarige], de vader en BJZNH genoemd.

1.2.

In de zaak met zaaknummer 200.133.132/01 zijn [de minderjarige] en de vader op 6 september 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 augustus 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kinderrechter), met kenmerk C/15/204781 / JU RK 13-709.

1.3.

In de zaak met zaaknummer 200.133.132/01 hebben [de minderjarige] en de vader op 6 september 2013 verzocht de schorsing te bevelen van de werking van de onder 1.2 genoemde beschikking.

1.4.

De zaken zijn op 7 oktober 2013 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer R. Koops, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem.

1.6.

[de minderjarige], BJZNH en een vertegenwoordiger van het Transferium zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

[de minderjarige] is [in] 1997 geboren uit de relatie van de vader en mevrouw [x] (hierna: de moeder). De vader is belast met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 29 augustus 2011 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 29 augustus 2014.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 november 2012 is machtiging verleend [de minderjarige] te doen opnemen en verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Deze machtiging is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 29 augustus 2013.

2.4.

[de minderjarige] verblijft sinds 14 november 2012 krachtens de onder 2.3 genoemde machtiging in het Transferium.

2.5.

Bij de stukken in het dossier bevinden zich onder meer:

- een indicatiebesluit met indicatiedatum 26 juni 2013, een verzilveringstermijn van een jaar en een geldigheidstermijn van negen maanden;

- een verklaring van instemming van een gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 29b lid 5 Wjz (hierna: de instemmingsverklaring) van 7 augustus 2013.

3 Het geschil in hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.133.132/01:

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van BJZNH, machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 29 augustus 2013 tot 29 mei 2014.

3.2.

[de minderjarige] en de vader verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van BJZNH alsnog af te wijzen, met een zodanige schadeloosstelling ex artikel 5 lid 5 EVRM als het hof naar redelijkheid en billijkheid zal bepalen, althans met zodanige verdere beslissingen als het hof juist acht.

in de zaak met zaaknummer 200.133.132/02:

3.3.

[de minderjarige] en de vader verzoeken schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

4 Beoordeling van het hoger beroep (in de zaak met zaaknummer 200.133.132/01)

4.1.

In geschil is de verleende machtiging tot verblijf van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg tot 29 mei 2013. [de minderjarige] en de vader hebben in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de kinderrechter in de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat is voldaan aan de vereisten van artikel 29b lid 5 Wjz, aangezien de machtiging is afgegeven zonder dat een gedragswetenschapper met [de minderjarige] had gesproken.

4.2.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. BJZNH heeft op 2 juli 2013 het inleidende verzoekschrift ingediend en verklaard dat [de minderjarige] ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zij zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken (artikel 29b lid 3 Wjz). Ingevolge artikel 29b lid 5 Wjz behoeft deze verklaring de instemming van een bij de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg aangewezen gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Daartoe heeft BJZNH een verklaring overgelegd van F. Dronker, gedragswetenschapper als bedoeld in categorie a en c van vorenbedoelde regeling, van 7 augustus 2013. Uit de verklaring blijkt dat de gedragswetenschapper [de minderjarige] niet in persoon heeft onderzocht, omdat onderzoek feitelijk onmogelijk was doordat [de minderjarige] tijdens een begeleide activiteit buiten de muren van het Transferium is weggelopen en sinds dat moment onbekend was waar zij zich bevond. De kinderrechter heeft de machtiging verleend op basis van deze instemmingsverklaring.

4.3.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d. van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen, behalve (onder meer) in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding. Blijkens de wetsgeschiedenis (Eerste Kamer 2007-2008, 30644, Memorie van Antwoord, d.d. 13 november 2007) waarborgt de instemming van een gedragswetenschapper dat wordt vastgesteld dat de beperking van de vrijheid van de jeugdige nodig is in verband met de opvoeding. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vereiste instemming van een gedragswetenschapper is te rekenen tot de waarborgen waarmee rechtmatige vrijheidsontneming in de vorm van opneming in gesloten jeugdzorg behoort te zijn omgeven. Het bepaalde in artikel 29b lid 5 Wjz dient dan ook strikt te worden toegepast. Nu gebleken is dat de gedragswetenschapper [de minderjarige] niet heeft onderzocht voordat de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg op 23 augustus 2013 door de kinderrechter is verleend, is niet voldaan aan de vereisten die de wet aan toepassing van deze maatregel stelt. De omstandigheid dat het voor de gedragswetenschapper aanvankelijk feitelijk onmogelijk was [de minderjarige] te onderzoeken maakt dit niet anders. Uitsluitend in het geval van een voorlopige machtiging op grond van artikel 29c Wjz kan in dat geval toch een instemmingverklaring worden afgegeven. In de onderhavige zaak betekent dit dat de gedragswetenschapper [de minderjarige] alsnog in persoon had kunnen onderzoeken, omdat volgens de vader vrij snel bekend was waar zij zich bevond, maar wat daarvan zij, in ieder geval op of kort na 23 augustus 2013, aangezien vanaf dat moment in ieder geval bekend was waar [de minderjarige] zich bevond. [de minderjarige] was immers aanwezig tijdens de zitting in eerste aanleg. De kinderrechter had de behandeling van de zaak in afwachting van dat onderzoek dienen aan te houden. Deze mogelijkheid bestond aangezien de machtiging waarvan verlenging werd verzocht geldig was tot 29 augustus 2013, zodat het onderzoek in persoon nog tijdig had kunnen plaatsvinden.

4.4.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot gesloten plaatsing heeft verleend, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek alsnog moet worden afgewezen.

4.5.

[de minderjarige] en de vader hebben verzocht om een schadeloosstelling ex artikel 5 lid 5 EVRM. Zij hebben echter nagelaten de aard en de omvang van de schade waarop de schadeloosstelling dient te zien, te onderbouwen. Reeds om die reden zal dit verzoek worden afgewezen.

5 Beoordeling van het verzoek (in de zaak met zaaknummer 200.133.132/02)

5.1.

Gelet op de beslissing in de hoofdzaak, hebben [de minderjarige] en de vader geen belang meer bij dit verzoek. Het hof zal het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking afwijzen.

5.2.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.133.132/01:

vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidende verzoek van BJZNH af;

wijst af het in hoger beroep meer en/of anders verzochte.

in de zaak met zaaknummer 200.133.132/02:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. M. Wigleven en mr. J.G. Gräler in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2013 en ondertekend door de oudste raadsheer.