Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
200.129.698/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing bewind; bewindvoerder niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 449
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 5 november 2013

Zaaknummer: 200.129.698/01

Zaaknummer eerste aanleg: 433147 BM VERZ 13-550rdb

in de zaak in hoger beroep van:

[x],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. F. Riezebos te Heerhugowaard.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante wordt hierna [rechthebbende] genoemd.

1.2.

[rechthebbende] is op 5 juli 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 mei 2013 van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Alkmaar, met kenmerk 433147 BM VERZ 13-550 rdb.

1.3.

P.J.M. Effting, handelend onder de naam De Bewindvoerder Alkmaar e.o. (hierna te noemen: de bewindvoerder), heeft bij brief van 11 juli 2013 laten weten geen verweerschrift te zullen indienen.

1.4.

De zaak is op 26 september 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting is [rechthebbende], bijgestaan door haar advocaat, verschenen.

1.6.

De bewindvoerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 1 februari 2006 van de kantonrechter in de rechtbank te Alkmaar is een bewind ingesteld over de goederen, die [rechthebbende] toebehoren of zullen toebehoren.

2.2.

In 2010 is een regeling getroffen (minnelijk traject) via de Kredietbank in verband met schulden van [rechthebbende]. Deze schuldregeling is per 1 januari 2013 geëindigd.

2.3.

Bij eerdere beschikkingen van 29 maart 2011 en 31 juli 2012 zijn de verzoeken van [rechthebbende], het bewind op te heffen, afgewezen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van [rechthebbende], het bewind op te heffen, afgewezen.

3.2.

[rechthebbende] verzoekt in hoger beroep haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:449 lid 2 BW kan de rechter op verzoek van de rechthebbende het bewind opheffen, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan.

4.2.

Het hof stelt vast dat de bewindvoerder geen verweerschrift of andere stukken heeft ingediend noch in persoon ter zitting is verschenen, zodat van hem geen -recente- informatie is verkregen omtrent de bewindvoering van [rechthebbende]. Voorts is vast komen te staan dat de schuldenregeling, die in 2010 via de Kredietbank tot stand is gekomen, per 1 januari 2013 met goed gevolg is beëindigd. Uit de verklaringen van [rechthebbende] volgt dat het grootste deel van haar schuld zag op een terugvordering van haar uitkering in verband met ontvangen kinderalimentatie. Desgevraagd heeft [rechthebbende] ter zitting in hoger beroep verklaard dat sinds de beëindiging van de schuldenregeling geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Wel is eerst onlangs bekend is geworden dat nog een oude schuld uit 2004 van oorspronkelijk € 440,- aan het NTI openstaat, aldus [rechthebbende]. Deze schuld dateert van vòòr het instellen van het bewind (in 2006) over de goederen van [rechthebbende] maar wordt thans volgens haar verklaring afgelost, zodat nu nog een schuld resteert van ongeveer € 330,-.

Het dossier bevat naar het oordeel van het hof onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat hetgeen [rechthebbende] heeft verklaard, onjuist zou zijn. Hetgeen de bewindvoerder in eerste aanleg heeft verklaard – blijkens het ter zake opgemaakte proces-verbaal – vormt op zichzelf geen weerspreking van de betreffende verklaring. Nu de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep niet is verschenen en hij hetgeen [rechthebbende] heeft verklaard ook anderszins in hoger beroep niet heeft weersproken, gaat het hof ervan uit dat alle schulden -buiten de hiervoor genoemde schuld aan NTI- van [rechthebbende] zijn afgelost en dat in ieder geval sinds het beëindigen van de schuldenregeling geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de oorzaken, die – naar het hof op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting begrijpt - tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven thans niet meer bestaan. Ook overigens is het hof niet gebleken dat [rechthebbende] als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand haar vermogensrechtelijke belangen op dit moment niet zelf behoorlijk kan waarnemen. Hetgeen de bewindvoerder in eerste aanleg heeft verklaard maakt dat niet anders, nu hij zijn bevindingen blijkens het ter zake opgemaakte proces-verbaal niet (voldoende) heeft geconcretiseerd. Het hof acht bij dit alles tevens van belang dat [rechthebbende] heeft verklaard dat zij al meerdere financiële zaken thans zelf regelt en dat zij daarbij, indien noodzakelijk, hulp van haar twee meerderjarige dochters kan inschakelen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het inleidend verzoek van [rechthebbende], de onderbewindstelling op te heffen, alsnog zal toewijzen.

4.3.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende:

heft het bewind dat is ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [x] op;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. A. van Haeringen en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.