Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3731

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
12/00666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwegheid kunststof behuizing en messing aansluitstrip beletten niet dat het product als een diode moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00666

17 oktober 2013

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst[A], de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/3773 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[B]., gevestigd te [C] (Tsjechische Republiek),

belanghebbende,

gemachtigde[D] te [E],

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 22 september 2010 aan belanghebbende vijf bindende tariefinlichtingen (hierna: BTI’s) afgegeven voor een zogenoemde ‘bypassdiode box’ waarbij deze zijn ingedeeld onder de post 8538 90 99 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN).

De BTI’s hebben de hiernavolgende nummers:

NL RTD-[1];

NL RTD-[2];

NL RTD-[3];

NL RTD-[4];

NL RTD-[5]

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 27 mei 2011, de BTI’s gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 22 augustus 2012 heeft de rechtbank het tegen de uitspraken op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de vijf BTI’s vernietigd en de inspecteur opgedragen nieuwe BTI’s af te geven met inachtneming van deze uitspraak, met nevenbeslissingen inzake proceskosten en griffierecht als in die uitspraak vermeld.

1.4.

Het door de inspecteur tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 september 2012, aangevuld bij brief van 26 oktober 2012. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende is op 23 september 2013 een nader stuk ontvangen, waarvan een afschrift naar de inspecteur is gestuurd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.5. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als “eiser”, de inspecteur als “verweerder” (evenals in de overige hierna te citeren onderdelen van de uitspraak van de rechtbank).

“2.1. Eiseres heeft vijf bti’s aangevraagd voor producten die in de aanvraag telkens zijn omschreven als ‘junctionbox’ of ‘bypass diode box’ voor zonnemodule. De aanvragen zien op producten met de productcodes [a t.m. e]. In de aanvragen is telkens verzocht het desbetreffende product in te delen onder Taric-code

8541 10 00 00.

2.2.

De producten worden verbonden met zonnepanelen en zorgen ervoor dat de opgewekte elektrische stroom niet door beschaduwde of niet werkende panelen wordt geleid, maar daarlangs wordt verlegd of omgeleid. De producten voorkomen hiermee dat energie verloren gaat aan of in de beschaduwde of niet werkende panelen. Ieder product is samengesteld uit drie diodes, een messingstrip en een kunststof behuizing. De aansluitpunten van de drie diodes zijn bevestigd op uitsteeksels aan de messingstrip. Twee uitsteeksels zijn voorzien van een gat en zijn bestemd om kabels te bevestigen. De messingstrip met daarop de diodes zijn gevat in een behuizing van kunststof. De producten zijn niet voorzien van de benodigde kabels.

2.3.

Verweerder heeft de volgende bti’s afgegeven:

[1 t.m. 5]

2.4.1.

Verweerder heeft in de bti met het referentienummer NL RTD-2010-002509 het desbetreffende product als volgt omschreven:

“7 Omschrijving van het goed

Een deel van een zogenoemde junction-box of bypass diode box met ondermeer de volgende kenmerken:

- niet voorzien van de benodigde kabels;

- dient (indien voorzien van de kabels) voor het aansluiten van zonnepanelen;

- een kunststof behuizing met afmetingen van ongeveer 12 cm. x 5,8 cm. (lxb);

- voorzien van een contactelement van messing;

- de behuizing bevat 3 dioden.”

2.4.2.

In de overige vier bti’s is dezelfde omschrijving van het desbetreffende product opgenomen, met dien verstande dat in de laatste regel telkens staat:

“- de behuizing bevat dioden.”

2.5.

In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de producten ingedeeld onder GN-code 8536 90 85.”

2.2.

Partijen hebben tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten geen bezwaren ingebracht, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

2.3.

Het Hof voegt hieraan nog de volgende feiten toe, welke het ontleent aan de overgelegde stukken en hetgeen in hoger beroep ter zitting is verhandeld.

2.3.1.

Met betrekking tot de artikelen is het volgende komen vast te staan.

Een diode is een van halfgeleidermateriaal vervaardigde elektrotechnische component met twee aansluitingen die slechts in één richting elektrische stroom kan geleiden. In een zonnepaneelinstallatie kunnen dioden worden toegepast om te voorkomen dat slecht werkende of beschaduwde zonnecellen oververhit raken en overmatig slijten of beschadigen.

De oorzaak van het oververhitten van beschaduwde cellen laat zich als volgt begrijpen. Een beschaduwde cel genereert geen elektrische spanning. Doordat de cel in serie geschakeld is met een aantal andere cellen die nog wel spanning genereren loopt er, zonder bypassdiode, door de beschaduwde cel wel elektrische stroom. De cel functioneert nu echter als weerstand, waardoor een deel van de opgewekte elektrische energie in de cel in warmte wordt omgezet en er een zogenoemde hotspot ontstaat. Dit veroorzaakt slijtage en mogelijk beschadiging van de beschaduwde cel. Bovendien gaat het verhitten ten koste van de opbrengst van de wel goed functionerende cellen. Een bypassdiode, die parallel aan een serie zonnecellen wordt aangesloten, voorkomt dit door deze serieschakeling van beschaduwde cellen te overbruggen. Bij een normaal functionerende serie zonnecellen doet de parallel geschakelde diode niets omdat de cellen een spanning genereren tegen de doorlaatrichting van de diode. Bij een defect in de serieschakeling draait de polariteit om en zal de diode wel stroom doorlaten. De stroom loopt dan door de diode in plaats van door de serie zonnecellen. 

Het onderhavige product bestaat uit drie dioden, gemonteerd op een messingplaat. Het geheel is voorzien van een behuizing om beschadiging van buitenaf te voorkomen, bijvoorbeeld door weersinvloeden.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de producten moeten worden ingedeeld onder tariefpost 8541 10 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN), hetgeen belanghebbende verdedigt, dan wel onder tariefpost 8536 90 85, hetgeen de inspecteur voorstaat.

4 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg en hoger beroep.

5 Relevante wetsbepalingen

5.1.

De posten 8536 en 8541 luiden, voor zover hier van belang:

Post 8536:

8536 Toestellen voor het inschakelen, uitschakelen, omschakelen, aansluiten of verdelen

van of voor het beveiligen tegen elektrische stroom (bijvoorbeeld schakelaars, relais,

zekeringen, golfafvlakkers, contactdozen en contactstoppen (stekkers), lamp- en

buishouders en andere verbindingsstukken, aansluitdozen en -kasten), voor een

spanning van niet meer dan 1 000 V; verbindingsstukken voor optische vezels,

optischevezelbundels of optischevezelkabels:

(...)

8536 90 – andere toestellen:

(...)

8536 90 85 – – andere

Post 8541:

8541 Dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen; lichtgevoelige

halfgeleiderelementen (daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien

samengevoegd tot modules of tot panelen); luminescentiedioden; gemonteerde

piëzo-elektrische kristallen:

8541 10 00 – dioden, andere dan fotodioden en luminescentiedioden

5.2.

Het Hof heeft tevens de volgende aantekening en toelichtingen in de beschouwing betrokken:

Aantekening 2 op afdeling XVI:

2. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 op deze afdeling en in de aantekeningen 1 op de hoofdstukken 84 en 85, worden delen van machines (andere dan delen van artikelen bedoeld bij post 8484, 8544, 8545, 8546 of 8547) ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:

a. a) delen die als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of 85 (andere dan de posten 8409, 8431, 8448, 8466, 8473, 8487, 8503, 8522, 8529, 8538 en 8548) kunnen worden ingedeeld, blijven onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij bestemd zijn;

b) delen, andere dan die bedoeld onder a) hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine of voor verschillende onder eenzelfde post vallende machines (met inbegrip van die bedoeld bij post 8479 of 8543), worden ingedeeld onder de post waaronder die machine valt of die machines vallen of onder een der posten 8409, 8431, 8448, 8466, 8473, 8503, 8522, 8529 of 8538, naar gelang van het geval; delen die hoofdzakelijk worden gebruikt zowel voor de goederen bedoeld bij post 8517 als voor die bedoeld bij de posten 8525 tot en met 8528, worden echter ingedeeld onder post 8517;

GS-toelichting op post 8536:

Tot post 85.36 behoren onder meer:

1. Toestellen voor het in-, uit- of omschakelen van elektrische stroom

Deze toestellen bestaan hoofdzakelijk uit een inrichting bestemd om de stroomkring waarin ze zijn opgenomen te verbreken of te sluiten of voor het omschakelen van de ene stroomkring op een andere. (...)

(…)
III. Artikelen voor het aansluiten of verdelen van elektrische stroom.
Deze apparatuur dient voor de onderlinge verbinding van de verschillende gedeelten van een stroomketen. Hiervan kunnenworden genoemd:
A. contactdozen (stopcontacten) en contactstoppen (stekkers). (…)

B. andere contactverbindingen. (…)

C. aansluitdozen en aansluitkasten, las- of klemmendozen, aftakdozen en aftakkasten, eindsluitingen, enz. Dit zijn dozen, enz., die aan de binnenzijde voorzien zijn van aansluitklemmen of van andere contactbevestigingen voor de aansluiting van elektrische draden.

Dozen, enz., die niet voorzien zijn van of uitgerust met voorzieningen voor het bevestigen van aansluitklemmen en dergelijke contacten, zijn uitgezonderd en worden ingedeeld naar het materiaal waaruit ze zijn vervaardigd.

GS-toelichting op post 8541:

A. Dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen

(...)

Van deze groep kunnen worden genoemd:

1. dioden. Dit zijn elementen met twee aansluitingen en één PN-overgang, die de elektrische stroom slechts in één richting doorlaten (doorlaatrichting) en een zeer grote weerstand bieden in de andere richting (sperrichting). Zij worden gebruikt voor detectie, gelijkrichten, schakelen, enz.

De voornaamste typen dioden zijn: signaaldioden, vermogensgelijkrichterdioden, dioden voor het regelen van elektrische spanningen, spanningsreferentiedioden;

(...)

De hiervoor omschreven elementen blijven onder deze post ingedeeld, ongeacht of zij gemonteerd zijn (voorzien van aansluitingen of geborgen in omhulling) of niet gemonteerd

zijn (elementen) (...).

Aantekening 8 IDR op hoofdstuk 85:

8. Voor de toepassing van de posten 8541 en 8542 wordt verstaan onder.

a. a) ‘dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen’, elementen waarvan de werking afhankelijk is van variaties in de soortelijke weerstand onder invloed van een elektrisch veld;

(...).

Voor de indeling van de in deze aantekening omschreven goederen hebben de posten 8541 en 8542 voorrang boven alle andere posten van de nomenclatuur (...), waaronder die goederen, bijvoorbeeld in verband met hun functie, eventueel zouden kunnen worden ingedeeld.

6 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

“5.3. De rechtbank zal allereerst beoordelen of de producten kunnen worden ingedeeld in GN post 8541. Nu een diode, gelijk verweerder ter zitting heeft verklaard, van een aansluiting is voorzien omdat deze anders niet bruikbaar is, kan de passage “voorzien van aansluitingen” in de GS-toelichting op post 8541 niet zien op de aansluiting waarvan de diode zelf is voorzien. Gelet op de hiervoor onder 2.2 weergegeven omschrijving van de producten zijn de in het geding zijnde dioden bevestigd op de contactvoorzieningen van de messingstrip waarvan er twee van aansluitingen voor kabels zijn voorzien. Dit alles is gevat in een kunststof behuizing. De dioden zijn dus verbonden met de messingstrip en geborgen in een omhulling. Aldus is sprake van gemonteerde dioden die op grond van de GS-toelichting op post 8541 onder die post ingedeeld blijven. Anders dan verweerder stelt, kan uit het enkele feit dat in de bewoordingen van post 8541 staat dat fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen, onder post 8541 vallen, niet volgen dat dioden die tot modules of tot

panelen zijn samengevoegd niet voor indeling onder die post in aanmerking komen. De bewoordingen van post 8541, noch de bewoordingen van de aantekeningen op hoofdstuk 85 en op post 8541 geven steun aan die - à contrario - uitleg. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ.

5.4.

Nu aantekening 8 IDR op hoofdstuk 85 inhoudt dat voor de indeling de posten 8541 en 8542 voorrang hebben boven alle andere posten van de nomenclatuur, behoeft de vraag of de producten ook in GN-post 8536 kunnen worden ingedeeld geen beantwoording. (…)”

7 Beoordeling van het geschil

7.1.

Ingevolge algemene regel 1, opgenomen in de inleidende bepalingen op de GN, vervat in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87, zijn voor de indeling wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken.

7.2.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de artikelen, door de aanwezigheid van een kunststof behuizing en een messing plaat, geen dioden zijn en in zoverre dus niet vallen onder de omschrijving van tariefpost 8541. De inspecteur haalt ter ondersteuning van zijn standpunt de letterlijke bewoordingen van tariefpost 8541 aan, te weten “Dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen;”. Gelet op deze bewoordingen mogen de diodes niet zijn samengevoegd tot modules, aldus de inspecteur.

7.3.

Bypassdioden kunnen op grond van de bewoordingen van post 8541 onder deze post worden ingedeeld. De enkele omstandigheid dat de dioden in het onderwerpelijke geval op een messing aansluitstrip zijn gemonteerd en in een kunststof behuizing zijn gevat ten einde de dioden tegen weersinvloeden te beschermen, brengt naar ’s Hofs oordeel niet mee dat geen sprake meer is van dioden als bedoeld in deze post. Steun voor dit oordeel vindt het Hof in de GS toelichting.

7.4.

De in hoger beroep door de inspecteur wederom aangevoerde stelling dat de omstandigheid dat in de bewoordingen van de post de onderdelen “dioden, transistors en dergelijke halfgeleiderelementen” door een puntkomma zijn gescheiden van “lichtgevoelige halfgeleiderelementen” maakt dit niet anders nu een dergelijke interpunctie slechts een onderscheid betreft in categorieën. In dit verband sluit het Hof aan bij de overwegingen van de rechtbank opgenomen onder 5.3. van haar uitspraak.

7.5.

Uit aantekening 8 IDR op hoofdstuk 85 blijkt dat de posten 8541 en 8542 voorrang hebben boven alle andere posten waaronder de goederen eventueel zouden kunnen worden ingedeeld. Reeds om die reden faalt de stelling van de inspecteur dat de goederen dienen te worden ingedeeld onder post 8536, wat er verder ook zij van de stelling dat de goederen functioneren als een schakelaar dan wel stroomverdeler.

7.6.

Hetgeen de inspecteur overigens nog heeft aangevoerd, met betrekking tot het standpunt van de WDO omtrent de indeling van zogeheten LED’s en dat van de Amerikaanse autoriteiten omtrent de indeling van een junction box, leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband overweegt het Hof dat ter zitting is komen vast te staan dat het geschil bypassdioden betreft en geen junction boxes.

Slotsom

7.7.

Gelet op al het vorenoverwogene dient de indeling van de onderhavige producten te geschieden met toepassing van indelingsregels 1 en 6. Als gevolg hiervan dienen de producten onder post 8541 10 00 van het GDT te worden gerangschikt.

Uit al het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is.

8 Proceskosten en griffierecht

8.1.

Indien en voor zover belanghebbende heeft bedoeld te verzoeken de inspecteur te veroordelen in de werkelijke proceskosten, ziet het Hof daartoe geen aanleiding. Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief voor het hoger beroep op € 1.416 (1 punt voor het verweerschrift in hoger beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 472 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.416).

8.2.

Van de inspecteur zal op de voet van artikel 271, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een griffierecht van € 466 worden geheven voor het instellen van hoger beroep.



9. Beslissing

Het Hof

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1.416;

  • -

    bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 466.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, B.A. van Brummelen en P.J.J. Vonk, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van [de] griffier. De beslissing is op 17 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.