Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
13/00050
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3130
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit buiten toepassing niet strijdig met de verdragsrchtelijke discriminatieverboden van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. De in Artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit gestelde voorwaarden en beperkingen gaan de delegatiebevoegdheid van artikel 23a van de Wet niet te buiten gaan. Niet komen vast dat de inspecteur, door het verzoek om toepassing van het kwarttarief af te wijzen, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2014/1935 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00050

10 oktober 2013

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A] wonende te[B], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/2447 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Apeldoorn/Centrale Administratie, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, naar aanleiding van een telefonisch verzoek, gevolgd door overlegging van schriftelijke bescheiden op 15 augustus 2011, met dagtekening 5 september 2011 een beschikking toepassing van het bijzondere tarief motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) afgegeven, onder nummer [C].

1.2.

Belanghebbende heeft op 6 oktober 2011 een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking. Bij uitspraak van 17 april 2012 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak, gedagtekend 5 december 2012, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 15 januari 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitsprak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

Uit de kentekenregistratie blijkt dat eiser vanaf 6 november 2010 houder is van de personenauto van het merk Landrover, type Defender, kenteken [a] (hierna: het motorrijtuig).

Het motorrijtuig is geschikt gemaakt voor off road-expedities en kamperen. In dat kader is het motorrijtuig onder andere voorzien van een uitklapbaar dak. De binnenruimte van het motorrijtuig heeft af fabriek een hoogte van 118 cm, met uitzondering van een deel achter de voorstoelen; daar is de hoogte 131,5 cm over een lengte van ongeveer 30 cm.

Op 11 juli 2011 heeft eiser telefonisch verzocht om toepassing van het bijzondere tarief voor kampeerauto’s (hierna: het kwarttarief) voor het motorrijtuig. Bij beschikking van 5 september 2011 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

2.2.

Nu tegen deze feitenvaststelling geen bezwaren zijn ingebracht, zal ook het Hof van die feiten uitgaan. Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe.

2.3.

In de pleitnota van de inspecteur voor de zitting van het Hof is over het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder de meerderheidsregel het volgende vermeld:



Kentekens in (hoger) beroepschrift meerderheidsregel

1. [b], LandRover, 7.7.2005, reden niet meer te achterhalen

2. [c 2] LandRover, eerst afwijzing, daarna opgewekt vertrouwen, alleen deze houder

3. [d], Toyota Land Cruiser, verleend onder voorwaarden dat wordt voldaan

4. [e], Toyota Land Cruiser, terecht 23a-tarief, highroof uitvoering

5. [f] LandRover 110, op grond van overgangsregeling terecht 23a

6.[g], Toyota Land Cruiser, opgewekt vertrouwen, alleen deze houder!

7. [h], Toyota Land Cruiser, verleend onder voorwaarden dat wordt voldaan

8. [i], Toyota Land Cruiser, reden niet meer te achterhalen

9. [j], Toyota HZ]78, reden niet meer te achterhalen

10. [k], Toyota Land Cruiser, opgewekt vertrouwen, alleen deze houder!

11. [l] Toyota LandCruiser, o.g.v. overgangsregeling terecht 23a

12.[m], LandRover 110 SW, reden niet meer te achterhalen

13. [n], LandRover defender, ten onrechte goedgekeurd

14. [o], Rover LD, ten onrechte goedgekeurd

15. [p] LandRover 110 pick-up, verleend onder voorwaarden dat wordt voldaan

16. [q], LandRover LD, geen registratie kampeerauto bekend in ons bestand.



Conclusie van de 16 kentekens:

Bij slechts 6 kentekens (rood) ((Hof: de inspecteur doelt met rood op de kentekens onder nummer 1, 8, 9, 12, 13, en 14) is mijns inziens sprake van ten onrechte verleend 23a-tarief of is de

reden van het toekennen van het 23a-tarief niet (meer) te achterhalen.

Bij de overige 10 kentekens is sprake van:

- het toekennen vanwege opgewekt vertrouwen; 23a-tarief alleen bij de huidige houder (3)

- 23 a-tarief terecht verleend op grond van de overgangsregeling (2)

- verleend onder de voorwaarde (in de beschikking) dat wordt voldaan aan de voorwaarden (3)

- terecht verleend; auto voldoet aan de eisen (1)

- geen registratie kampeerautotarief bekend in ons bestand (1)

“Wel registratie kampeerauto in kentekenregister/Geen 23a-tarief

16 kentekens van Toyota Land Cruisers (10) en Land Rovers (6) die in het kentekenregister van de RDW staan ingeschreven als kampeerauto en waarvoor geen kampeerautotarief is verleend/het personenautotarief wordt betaald.

Wel registratie kampeerauto in kentekenregister/terecht 23a-tarief

2 kentekens

[r], Toyota Land Cruiser

[s], Landrover 110”

3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil het navolgende overwogen:

2. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte het kwarttarief heeft geweigerd. Eiser stelt dat artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit) voor zover betrekking op het zogenoemde binnenruimtecriterium onverbindend is. Volgens eiser is de regelgever namelijk met het invoeren van het binnenruimtecriterium buiten de aan hem via artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: MRB) gedelegeerde bevoegdheid getreden. Indien artikel 5aa van het Besluit niet onverbindend is, dan kan dat artikel volgens eiser nog niet worden toegepast omdat dit anders een op grond van verdragenrecht verboden ongelijke behandeling oplevert. Zo dit niet het geval is, dan stelt eiser zich op het standpunt dat het motorrijtuig aan het binnenruimtecriterium voldoet; de weigering van verweerder berust volgens eiser op een verkeerde lezing van de tekst. Tot slot stelt eiser dat het kwarttarief dient te worden toegepast omdat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Verweerder weerspreekt de stellingen van eiser en stelt dat hij het kwarttarief terecht heeft geweigerd.

3. Artikel 23a, eerste lid, van de Wet MRB luidt als volgt.

Voor de personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid en die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden en beperkingen met betrekking tot uiterlijk en inrichting, bedraagt de belasting in afwijking van artikel 23 en onder bij algemene maatregelen van bestuur te stellen voorwaarden, een kwart van de ingevolge dat artikel verschuldigde belasting.

4. Artikel 5aa, eerste lid, van het Besluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

Artikel 23a, eerste lid, van de wet vindt toepassing indien de personenauto een ruimte heeft, gesitueerd achter de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder, die een rechthoekig blok kan bevatten van ten minste 170 cm hoogte over een lengte van ten minste 200 cm en over een breedte van ten minste 90 cm en is voorzien van:

(…)

Artikel 23a, eerste lid, van de wet vindt mede toepassing, indien in afwijking van het hiervoor bepaalde de binnenruimte van de personenauto af fabriek geen hoogte van 170 cm maar wel van ten minste 130 cm heeft, en het dak is voorzien van een al dan niet uitklapbare, permanent aangebrachte gesloten dakconstructie waardoor de hoogte over een breedte van ten minste 90 cm en een lengte van 100 cm verhoogd kan worden tot ten minste 170 cm.

5. De rechtbank overweegt dat het kwarttarief een tegemoetkoming inhoudt voor de houder van een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid (hierna: de kampeerauto). Uit de tekst van artikel 23a van de Wet MRB volgt dat de wetgever de regelgever de bevoegdheid geeft om aan deze tegemoetkoming voorwaarden met betrekking tot inrichting en uiterlijk van de kampeerauto en overige voorwaarden te stellen. Deze voorwaarden zijn beschreven in artikel 5aa van het Besluit.

6. Niet in geschil is dat het motorrijtuig kan worden aangemerkt als een kampeerauto waarvan de ruimte achter de zitplaatsen voor de bestuurder en bijrijder geen rechthoekig blok

kan bevatten van ten minste 170 cm hoogte over een lengte van ten minste 200 cm en over een breedte van ten minste 90 cm en dat daarom niet aan de voorwaarde van artikel 5aa, eerste lid, eerste alinea, van het Besluit is voldaan.

7. Het kwarttarief is evenwel mede van toepassing indien, voor zover hier van belang, de binnenruimte van de personenauto af fabriek geen hoogte van 170 cm maar wel van ten minste 130 cm heeft. De rechtbank volgt eisers uitleg van artikel 5aa, eerste lid, van het Besluit niet. De tekst van dat artikel laat geen andere uitleg toe dan dat de eerder genoemde lengte van 200 cm van de binnenruimte onverkort geldt. Er wordt hier enkel afgeweken van de hoogte van de binnenruimte. De in dit geval geïntroduceerde minimale lengte van 100 cm ziet, kort gezegd, op de al dan niet uitklapbare, permanent aangebrachte gesloten dakconstructie en vervangt niet de eerder gestelde totale, minimale lengte van 200 cm van de binnenruimte. Nu vaststaat dat de binnenruimte van het motorrijtuig af fabriek geen hoogte van ten minste 130 cm over een lengte van 200 cm heeft, heeft verweerder (in beginsel) terecht het kwarttarief geweigerd.

8. Wat betreft eisers stelling dat artikel 5aa van het Besluit voor zover betrekking op het zogenoemde binnenruimtecriterium onverbindend is, overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat de regelgever via artikel 23a van de Wet MRB enkel bevoegd is voorwaarden en beperkingen te stellen met betrekking tot uiterlijk en inrichting van een kampeerauto. De in artikel 5aa van het Besluit vervatte eis dat de binnenruimte af fabriek ten minste 130 cm hoog is, kan volgens eiser niet gesteld worden omdat af fabriek niet op bestemming, uiterlijk en/of inrichting van de kampeerauto ziet; hoe het motorrijtuig uit de fabriek is gekomen, is niet meer relevant bij de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor het kwarttarief, aldus eiser. De rechtbank is van oordeel dat de af fabriek maten van de binnenruimte van een personenauto betrekking hebben op het uiterlijk van die personenauto. Dat die personenauto later is omgebouwd doet daar niet aan af.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de hoogte van 130 cm is ingevoerd vanuit de gedachte dat dan enkel grote bestelauto’s die tot kampeerauto zijn omgebouwd voor het kwarttarief in aanmerking zouden komen. De hoogte van af fabriek 130 cm is, zo begrijpt de rechtbank uit deze verklaring, bedoeld als een drempel; niet bij alle tot kampeerauto omgebouwde motorrijtuigen kan het kwarttarief worden toegepast. Deze eis verdraagt zich met doel en strekking van de regeling voor kampeerauto’s. Voor gebruik als kampeerauto is immers een binnenruimte van een bepaalde omvang noodzakelijk. De voorwaarden betreffende de af fabriek maten waarborgen een zekere kwaliteit en veiligheid van omgebouwde bestelauto’s. In dat licht bezien is het ook niet onredelijk aan te knopen bij de af fabriek maten. De rechtbank overweegt tot slot dat gelet op artikel 23a van de Wet MRB de regelgever ook andere voorwaarden mag stellen die geen betrekking hebben op uiterlijk en inrichting. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, gaan de in artikel 5aa van het Besluit MRB gestelde voorwaarden naar het oordeel van de rechtbank de delegatiebevoegdheid van artikel 23a van de Wet MRB niet te buiten. De in dit verband door eiser aangevoerde jurisprudentie doet aan dit oordeel niet af. Deze jurisprudentie is gewezen onder de voorloper van artikel 23a van de Wet MRB. Artikel 23a van de Wet MRB is sinds die jurisprudentie aangepast juist om de delegatiebevoegdheid uit te breiden. De stelling van eiser slaagt niet.

9. Teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van de door eiser gestelde verboden ongelijke behandeling, dient eerst onderzocht te worden of sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat eigenaren van Land Rover Defenders en die van Toyota Land Cruisers die tot kampeerauto’s zijn omgebouwd en waarvan de binnenruimte een hoogte van minder dan 130 cm af fabriek heeft, ongelijk worden behandeld. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat eiser doelt op een gespecialiseerde fabrikant van Toyota Land Cruisers die op bestelling een kampeerauto bouwt op basis van het standaardmodel van een Toyota Land Cruiser. Deze kampeerauto voldoet af fabriek (de desbetreffende fabrikant wordt als producent van de kampeerauto beschouwd) dus aan alle voorwaarden, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder in dezen. Indien een gespecialiseerde bouwer aan de hand van de voorwaarden in de wet- en regelgeving op bestelling een kampeerauto bouwt, kan niet worden gesproken van een aan dat van eiser gelijk geval. De rechtbank verwerpt het beroep van eiser.

10. Ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel (als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur) heeft eiser een overzicht van een lijst met 14 kentekens overgelegd. Volgens eiser was bij al die gevallen niet voldaan aan het binnenruimtecriterium en is desondanks het kwarttarief toegekend. Eiser beroept zich in dit kader op de zogeheten meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op de meerderheidsregel geldt bij een voldoeningsbelasting (zoals de MRB) het volgende. Vereist is dat, ondanks dat de persoon die zich op de meerderheidsregel beroept alle benodigde gegevens van rechtens en feitelijk gelijke gevallen aan de inspecteur heeft verstrekt, de inspecteur de juiste toepassing van de wet achterwege laat, terwijl hij met deze gegevens de wet in deze gelijke gevallen juist had kunnen toepassen (vergelijk Hoge Raad 13 juli 2012, LJN: BV0264). In dat kader is het enkele door eiser overgelegde overzicht, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook onvoldoende. Voorts heeft eiser, tegenover de betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van vergelijkbare gevallen; het overzicht vermeldt twee pick-ups, twee old-timers en een high-roof uitvoering van een Toyota Landcruiser. Bij twee kentekens staan geen opmerkingen, zodat niet duidelijk is onder welke omstandigheden het kwarttarief is toegekend. Voorts heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de heer Hoppenbrouwers, die in de lijst wordt genoemd, een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan en dat het beroep op drie gelijke gevallen dat deze belastingplichtige heeft gedaan, niet tot enig resultaat heeft geleid. De rechtbank verwerpt het beroep op de meerderheidsregel.

11. De overige door eiser aangevoerde omstandigheden doen aan het voorgaande niet af.

4 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is evenals bij de rechtbank in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het motorrijtuig aanspraak kan maken op toepassing van het bijzondere tarief van artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het kwarttarief, resp. de Wet), hetgeen belanghebbende verdedigt en de inspecteur bestrijdt.

5 Standpunten van partijen



Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij niet langer bestrijdt dat zijn motorrijtuig niet voldoet aan de in artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (tekst 2011, hierna: het Uitvoeringsbesluit) voorgeschreven afmetingen.

6.2.

Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit buiten toepassing moet blijven omdat het strijdig is met de verdragsrechtelijke discriminatieverboden van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Eigenaren van kampeerauto’s waarvan de binnenruimte “af fabriek” geen 130 centimeter is maar die wel aan alle andere vereisten voor kampeerauto’s voldoen worden volgens belanghebbende achtergesteld.

6.3.

Het Hof verwerpt dit standpunt van belanghebbende, reeds omdat het met de inspecteur van oordeel is dat de term “af fabriek” ook van toepassing is op een motorrijtuig dat na het verlaten van de fabriek door een ombouwer wordt aangepast aan het gewenste gebruik. De door belanghebbende genoemde Land Rovers en Toyota Land Cruisers kunnen daarom aan de voorwaarden in de tweede volzin van artikel 5aa, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit voldoen, mits deze aanvankelijk een hoogte hadden van ten minste 130 centimeter. Derhalve kan niet gezegd worden dat deze motorrijtuigen “fiscaal achtergesteld” worden. De aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van artikel 26 IVBPR of artikel 14 EVRM als gelijk moeten worden beschouwd, en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen brengt mee dat de wetgever bevoegd is eisen te stellen aan de minimale hoogte vóór aanpassing van de in het tweede lid van artikel 5aa Uitvoeringsbesluit bedoelde dakconstructie.

6.4.

Subsidiair verdedigt belanghebbende dat artikel 5aa Uitvoeringsbesluit onverbindend is voorzover daarin is bepaald dat kampeerauto’s waarop een dakconstructie is aangebracht af fabriek een binnenhoogte van tenminste 130 cm moeten hebben, omdat dit vereiste geen betrekking heeft op bestemming, uiterlijk en/of inrichting van een kampeerauto.

6.5.

Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. Het onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de in artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit gestelde voorwaarden en beperkingen de delegatiebevoegdheid van artikel 23a van de Wet niet te buiten gaan, en de gronden waarop dit oordeel rust.

6.6.

Meer subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur, door het verzoek om toepassing van het kwarttarief af te wijzen, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voorzover deze stelling gebaseerd is op de grond dat juiste wetstoepassing als gevolg van een niet-incidenteel gemaakte fout achterwege is gebleven in een meerderheid van met zijn geval vergelijkbare gevallen (“meerderheidsregel”), overweegt het Hof als volgt.

6.7.

Belanghebbende stelt dat hij 16 vergelijkbare gevallen heeft gevonden waarin het kwarttarief is toegekend aan eigenaren van voertuigen die niet voldoen aan het criterium ‘130 centimeter af fabriek”. Het gaat om 7 Landrovers, 7 Toyota Land Cruisers, 1 Rover en 1 Toyota HZJ78.

6.8.

Van de door belanghebbende genoemde 16 gevallen waarin toepassing van het kwarttarief is toegestaan met betrekking tot motorrijtuigen die niet aan de eisen van artikel 5aa, eerste lid, tweede volzin, van het Uitvoeringsbesluit voldoen, stelt de inspecteur dat ten aanzien van de voertuigen genoemd achter 3., 7., en 15. (“verleend onder voorwaarden dat wordt voldaan”) geen sprake is van een van de Wet afwijkende gedragslijn, waarop belanghebbende zich in het kader van de meerderheidsregel kan beroepen. Het Hof volgt hem in dit standpunt, nu in deze gevallen geen sprake is van een expliciete of impliciete standpuntbepaling van de inspecteur (vgl. HR 11 maart 1998, nr. 32 723, BNB 1998/266; HR 13 juli 2012, nr. 11/00162, V-N 2012/37.6).

Ten aanzien van de motorrijtuigen genoemd achter 5. en 11. heeft de inspecteur niet, althans onvoldoende, weersproken gesteld dat deze op grond van de in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 april 2002, CPP2002/1312, V-N 2002/24.20 neergelegde overgangsregeling aan de wettelijke voorwaarden voldoen, zodat geen sprake is van onjuiste wetstoepassing.

Ten aanzien van het motorrijtuig achter 4. heeft de inspecteur niet, althans onvoldoende, weersproken gesteld dat het aan de wettelijke eisen voldoet. Ook in dit geval is derhalve geen sprake van onjuiste wetstoepassing.

Ten aanzien van het motorrijtuig genoemd achter 16. heeft de inspecteur niet, althans onvoldoende, weersproken gesteld dat geen registratie als kampeerauto bekend is. Ook op dit geval kan belanghebbende zich derhalve niet met vrucht beroepen.

6.9.

De inspecteur erkent dat voor de motorrijtuigen genoemd achter 1., 8., 9. en 12 (“reden niet meer te achterhalen”) en 13 en 14 (“ten onrechte goedgekeurd”) sprake is van een voor de toepassing van de meerderheidsregel relevante onjuiste wetstoepassing. Het Hof deelt dit standpunt.

Ten aanzien van de motorrijtuigen 2, 6 en 10 (“opgewekt vertrouwen, alleen deze houder”)

stelt de inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van in aanmerking te nemen vergelijkbare gevallen van onjuiste wetstoepassing.

Het Hof volgt de inspecteur hierin niet.

Immers, ook in deze gevallen gaat het om motorrijtuigen die naar belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld en de inspecteur niet, althans onvoldoende, heeft weersproken, niet geheel voldoen aan de voorwaarden van meergenoemd artikel 5aa, eerste lid, tweede volzin, van het Uitvoeringsbesluit omdat de binnenruimte van deze voertuigen geen hoogte van ten minste 130 cm over een lengte van 200 cm heeft, maar waarvoor toch toepassing van het kwarttarief is toegestaan. De toevoeging “opgewekt vertrouwen” duidt erop dat de behandelend ambtenaar een standpunt contra legem heeft ingenomen, dat de inspecteur gemeend heeft te moeten honoreren. Het Hof ziet geen aanleiding deze gevallen niet in aanmerking te nemen als vergelijkbare gevallen van onjuiste wetstoepassing, nu gesteld noch gebleken is dat in deze gevallen sprake is van tik- of schrijffouten of daarmee gelijk te stellen vergissingen (vgl. HR 17 juni 1992, nr. 27 048, BNB 1992/295), of gering financieel belang (HR 13 juli 2012, nr. 11/00162, V-N2012/37.6).

6.10.

Ter zitting heeft de inspecteur nog gesteld dat in tienduizenden met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast. Belanghebbende heeft zulks bestreden en gewag gemaakt van in totaal ca. 30 motorrijtuigen, met inbegrip van de 16 door hem aangedragen motorrijtuigen, waarin van onjuiste wetstoepassing sprake zou kunnen zijn. Het Hof is van oordeel, dat het bij het door de inspecteur gestelde aantal van tienduizenden motorrijtuigen zeker ook om andere motorrijtuigen zal gaan dan de door belanghebbende genoemde merken en types. Nu de inspecteur verder geen gegevens over deze motorrijtuigen heeft bijgebracht kan niet worden geoordeeld dat sprake is van met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen.

6.11.

De inspecteur heeft evenwel in zijn pleitnota ook nog melding gemaakt van een zestiental motorrijtuigen, te weten 10 Toyota Land Cruisers en 6 Land Rovers. Motorrijtuigen van deze types zijn zowel in de opstelling van belanghebbende als in die van de inspecteur opgenomen. Het betreft motorrijtuigen, gelijk de inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht, die in het kentekenregister van de RDW als kampeerauto staan ingeschreven en waarvoor, anders dan voor de door belanghebbende aangedragen gevallen, geen kampeerautotarief is verleend. De inspecteur stelt dat het gaat om met het motorrijtuig van belanghebbende vergelijkbare motorrijtuigen.

Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat deze 16 motorrijtuigen niet vergelijkbaar zijn met zijn motorrijtuig. Belanghebbende heeft zulks echter niet aannemelijk gemaakt, zodat deze motorrijtuigen, waarvoor het personenautotarief is betaald, moeten worden gerekend tot de gevallen waarin de wet juist is toegepast.

Alsdan is geen sprake meer van een meerderheid van gevallen waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.

Slotsom

6.12.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7 Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, A.P.M. van Rijn en G.D. van Norden, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van[de] griffier. De beslissing is op 10 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.