Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
200.131.291-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur woonruimte / 6:265 BW / Geen betalingsonmacht maar bewuste non-betaling om vermeende tegenvordering te verrekenen met huurpenningen is geen geringe wanprestatie; ontbinding en ontruiming gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.131.291/01

zaak-/rolnummer rechtbank : 1360196 CV 12-20072

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 oktober 2013

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

APPELLANT in de hoofdzaak,

EISER in het incident,

advocaat: mr. H.J. de Kloe te Montfoort,

tegen :

de stichting WOONSTICHTING ROCHDALE,

gevestigd te Amsterdam,

GEȈNTIMEERDE in de hoofdzaak,

VERWEERSTER in het incident,

advocaat: mr. J. Groenewoud te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] respectievelijk Rochdale genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 6 juni 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht team kanton (hierna: de kantonrechter) van 23 mei 2013, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen Rochdale als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Bij memorie van grieven, genomen ter rolle van 6 augustus 2013, heeft [appellant] tevens een incidentele vordering op de voet van artikel 351 Rv ingesteld, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep, en producties ingediend.

Rochdale heeft bij memorie van antwoord in het incident verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof [appellant] in zijn incidentele vordering niet-ontvankelijk zal verklaren althans de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van het incident.

Ten slotte is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling

in het incident

2.1

Het gaat hier, samengevat en voor zover voor dit incident van belang, om het volgende. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter in conventie verklaard dat de huurovereenkomst tussen [appellant] en Rochdale is ontbonden en [appellant] veroordeeld het gehuurde te ontruimen en ter beschikking van Rochdale te stellen, met machtiging van Rochdale de ontruiming zelf te bewerkstelligen met de hulp van de sterke arm. Verder is [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast heeft de kantonrechter in reconventie [appellant] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard en de kosten van het geding gecompenseerd.

2.2

Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft [appellant] – samengevat – aangevoerd dat het vonnis van 23 mei 2013 berust op feitelijke/juridische misslagen.

Dit betreft volgens [appellant] al hetgeen de kantonrechter heeft beslist alsmede de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hij verwijst hierbij onder meer naar het in het kader van zijn grieven in de hoofdzaak gestelde en de daarop gegeven toelichting. Voorts heeft [appellant] gesteld dat er sprake is van een noodtoestand nu in augustus 2013 het kind van [appellant] en zijn echtgenote, A. Jacobsen, wordt geboren.

2.3

Rochdale heeft verweer gevoerd en heeft er daarbij op gewezen dat op 11 juni 2013 door de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam een vonnis in kort geding is gewezen in een door [appellant] naar aanleiding van het vonnis van 23 mei 2013 gestart executiegeschil. Bij dat vonnis heeft de voorzieningenrechter in verband met de aanstaande geboorte van het kind van [appellant] en zijn echtgenote, Rochdale verboden het vonnis voor 1 november 2013 ten uitvoer te leggen.

Tegen dit, door [appellant] als productie overgelegd, vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.4

Het hof stelt voorop dat een veroordeelde in beginsel naast het recht in kort geding een vordering tot schorsing of staking van de executie in te stellen krachtens artikel 438 lid 2 Rv, tevens het recht heeft om op grond van artikel 351 Rv een soortgelijke vordering bij wege van incident in te stellen in de hoofdzaak in hoger beroep. Is echter, voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing of staking krachtens artikel 438 lid 2 Rv afgewezen en zijn door de veroordeelde geen feiten of omstandigheden gesteld die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering krachtens artikel 351 Rv niet toekomen omdat deze in dat geval als in strijd met de goede procesorde moet worden afgewezen. In dat geval zou immers dezelfde vordering wederom aan de rechter worden voorgelegd zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat. Een en ander geldt naar het oordeel van het hof ook indien de vordering tot schorsing of staking krachtens artikel 438 lid 2 Rv is toegewezen voor bepaalde duur en de gegeven termijn is verlopen, zoals in het onderhavige geval, en door de veroordeelde geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen.

2.5

Door [appellant] zijn, naar oordeel van het hof, geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die een hernieuwde beoordeling van de vordering tot schorsing of staking van de executie rechtvaardigen. Het hof kan aan de hand van de stukken in het dossier niet anders concluderen dan dat in wezen de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd op grond van dezelfde stellingen die ook reeds aan de voorzieningenrechter werden voorgelegd. Aangezien de voorzieningenrechter in de aanstaande geboorte van het kind van [appellant] en zijn echtgenote aanleiding heeft gezien de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op te schorten tot 1 november 2013 om hen in de gelegenheid te stellen zich op de ontruiming voor te bereiden is ook in dat opzicht geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

2.6

Nu evenmin is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden als hiervoor omschreven zal [appellant] dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn incidentele vordering. [appellant] dient de kosten van het incident te dragen. Uitspraak daarvan wordt aangehouden totdat ook in de hoofdzaak eindarrest wordt gewezen.

2.7

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door Rochdale.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 10 december 2013 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Huijzer, A.M.A. Verscheure en W.H.F.M. Cortenraad en op 29 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.