Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3581

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
200.117.704-01 NOT en 200.118.062-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster verwijt de notaris dat hij (wederom) tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld bij de afhandeling van de nalatenschap van haar moeder (erflaatster). Op een eerder door klaagster tegen de notaris ingediende klacht die eveneens op de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster door de notaris betrekking heeft, is bij (onherroepelijke) beslissing van dit hof van 26 februari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:2569) beslist.

Ten aanzien van het onder 4.2. weergegeven klachtonderdeel acht het hof, anders dan de kamer, het onvoldoende aannemelijk geworden dat de notaris na 28 april 2011 de nalatenschap van erflaatster onvoldoende voortvarend heeft afgewikkeld en de gelden van de nalatenschap onnodig lang onder zich heeft gehouden. Het hof is voorts van oordeel dat dat het beter was geweest als de notaris zijn brief van 9 juni 2011 (met bijlagen) wel aan de advocaat van klaagster had gestuurd. Echter levert het feit dat de notaris dit heeft nagelaten, geen tuchtrechtelijk verwijt op. Dit ligt anders inzake het verwijt van klaagster dat de notaris geen actie heeft ondernomen toen enige reactie van haar kant op de brief van de notaris van 9 juni 2011 uitbleef. Zeker gezien de voorgeschiedenis in deze zaak, had de notaris er bovenop moeten zitten en binnen redelijke termijn actie moeten ondernemen toen klaagster in het geheel niet reageerde. De notaris had de zaak in ieder geval niet nog een paar maanden op zijn beloop mogen laten. Het hof passeert het verweer van de notaris dat hij in deze periode met vakantie was. Gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval had de notaris voor die situatie een voorziening kunnen en moeten treffen. Het hof zal legt de notaris de maatregel van berisping op.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummers : 200.117.704/01 NOT en 200.118.062/01 NOT

kenmerk eerste aanleg : KL 17-2011

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 29 oktober 2013

inzake de zaak met nummer 200.117.704/01 NOT

[notaris],

notaris te [plaatsnaam],

appellant,

tegen:

[klaagster],

wonend te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

en inzake de zaak met nummer 200.118.062/01 NOT

[klaagster],

wonend te [plaatsnaam],

appellante,

tegen:

[notaris],

notaris te [plaatsnaam],

geïntimeerde.

1. De gedingen in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.117.704/01 NOT

1.1. Van de zijde van [notaris], verder de notaris, is bij een op 3 december 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift, tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Zutphen, verder de kamer, van 8 november 2011, waarbij de kamer, naar het hof begrijpt, het verzet van geïntimeerde, verder klaagster, tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter gegrond heeft verklaard, en voorts de klacht van klaagster deels gegrond en overigens ongegrond heeft verklaard en de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van twee weken heeft opgelegd.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 8 januari 2013 een aanvullend beroepsschrift binnengekomen.

In de zaak met nummer 200.118.062/01 NOT

1.3. Van de zijde van klaagster is bij een op 7 december 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen voormelde beslissing van de kamer van 8 november 2011.

In beide zaken

1.4. De zaken zijn, met instemming van partijen, gevoegd behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 augustus 2013. De notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klaagster is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. De standpunten van partijen

4.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij (wederom) tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld bij de afhandeling van de nalatenschap van haar moeder, mevrouw [naam], hierna erflaatster. Op een eerder door klaagster tegen de notaris ingediende klacht die eveneens op de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster door de notaris betrekking heeft, is bij (onherroepelijke) beslissing van dit hof van 26 februari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:2569) beslist. Ter onderbouwing van haar nieuwe klacht heeft klaagster het volgende aangevoerd.

4.2. De notaris heeft (ook) na de mondelinge behandeling van de eerste klacht van klaagster bij de kamer op 28 april 2011, de nalatenschap van erflaatster onvoldoende voortvarend afgewikkeld en de gelden van de nalatenschap onnodig lang onder zich gehouden.

4.3. De brief van de notaris van 9 juni 2011 waarbij hij klaagster een ontwerp van de rekening en verantwoording/verdeling (met bijlagen) en een ontwerp van de verklaring akkoordbevinding heeft gezonden, is nooit door klaagster ontvangen. Omdat de notaris heeft nagelaten deze brief met bijlagen (ook) naar de gemachtigde van klaagster te sturen (dit terwijl de notaris ervan op de hoogte was dat klaagster een advocaat had ingeschakeld en zelf/rechtstreeks geen post meer van de notaris wenste te ontvangen) was ook haar advocaat niet op de hoogte van het bestaan van deze brief met bijlagen. Het had op de weg van de notaris gelegen om navraag te doen bij (de advocaat van) klaagster toen er van haar kant geen reactie kwam op zijn brief van 9 juni 2011, maar de notaris heeft zijn plichten ook hier verzaakt. Pas na diverse aanmaningen is de staat van uitgaven en ontvangsten door een medewerker van de notaris (dus niet door de notaris zelf) bij e-mailbericht van 2 september 2011 aan de advocaat van klaagster gestuurd.

4.4. Klaagster heeft op 7 november 2011 op het kantoor van de notaris schriftelijk haar akkoord gegeven op de door de notaris opgestelde definitieve rekening en verantwoording met daarbij de staat van uitgaven en ontvangsten in het kader van de definitieve afwikkeling en verdeling van de nalatenschap van erflaatster. De notaris heeft klaagster hierbij onder druk gezet om deze akkoordverklaring direct te ondertekenen, omdat hij anders de resterende gelden uit de nalatenschap van erflaatster niet zou uitkeren. Als klaagster zich niet zo onder druk gezet had gevoeld, had zij de akkoordverklaring helemaal niet getekend. Zij kon op dat moment niet eens de juistheid van de rekening en verantwoording controleren omdat de notaris geen specificaties en bankafschriften had toegezonden.

4.5. De notaris heeft ten onrechte bij klaagster de kosten in rekening gebracht die hij heeft gemaakt in het kader van de eerste klachtprocedure. Ook had de notaris de kosten voor de werkzaamheden die hij heeft verricht nadat klaagster haar volmacht had ingetrokken (in 2008) helemaal niet meer bij klaagster in rekening mogen brengen. Los daarvan was de declaratie van de notaris, gelet op de voorgeschiedenis, sowieso te hoog.

4.6. De notaris heeft verweer gevoerd, waarop het hof in zijn beoordeling (voor zover van belang) nader zal ingaan.

5. De beoordeling

5.1. Met betrekking tot de hiervoor onder 4.2. tot en met 4.5. weergegeven klacht oordeelt het hof als volgt.

5.2. Ten aanzien van het onder 4.2. weergegeven klachtonderdeel acht het hof, anders dan de kamer, het onvoldoende aannemelijk geworden dat de notaris na 28 april 2011 de nalatenschap van erflaatster onvoldoende voortvarend heeft afgewikkeld en de gelden van de nalatenschap onnodig lang onder zich heeft gehouden. Hierbij neemt het hof in overweging dat als vaststaand, althans als onvoldoende door klaagster weersproken, dient te worden aangenomen dat:

- de advocaat van klaagster op 2 september 2011 heeft kennisgenomen van de op 9 juni 2011 gedateerde staat van uitgaven en ontvangsten/verdeling;

- de advocaat van klaagster bij brief van 10 oktober 2011 heeft gereageerd op deze staat van uitgaven en ontvangsten/verdeling;

- klaagster in eerste instantie heeft geweigerd de akkoordverklaring te ondertekenen en deze verklaring uiteindelijk op 7 november 2011 op het kantoor van de notaris heeft ondertekend;

- de notaris eind november 2011 de uitlevering van de effecten en de uiteindelijke opheffing van de effectenrekening in werking heeft gezet en de advocaat van klaagster hiervan op de hoogte heeft gehouden;

- de notaris, nadat hij op 6 januari 2012 de schriftelijke bevestiging van de bank had ontvangen dat het saldo van de effectenrekening op zijn derdengeldrekening was bijgeschreven, op 12 januari 2012 de eindversie van de staat van uitgaven en ontvangsten/verdeling naar de advocaat van klaagster heeft toegezonden;

- klaagster heeft erkend dat zij in verband met haar slechte gezondheidssituatie en het feit dat zij het niet eens was met de door de notaris opgestelde eindafrekening, niet heeft gereageerd op de definitieve staat van uitgaven en ontvangsten/verdeling.

In het licht van voormelde feiten en omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat de notaris van de duur van de (verdere) afwikkeling van de nalatenschap een (tuchtrechtelijk) verwijt valt te maken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.3. Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel, zoals weergegeven onder 4.3., heeft de notaris tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij zijn brief van 9 juni 2011 (met bijlagen) onaangetekend en alleen aan klaagster (en haar zuster) heeft gezonden. Het was de notaris bekend dat klaagster zich inmiddels liet bijstaan door een advocaat maar hij heeft inderdaad nagelaten deze brief (met bijlagen) ook aan klaagsters advocaat te sturen. Het hof stelt voorop dat het beter was geweest als de notaris zijn brief van 9 juni 2011 (met bijlagen) wel aan de advocaat van klaagster had gestuurd. Echter levert het feit dat de notaris dit heeft nagelaten, geen tuchtrechtelijk verwijt op. Dit ligt anders inzake het verwijt van klaagster dat de notaris geen actie heeft ondernomen toen enige reactie van haar kant op de brief van de notaris van 9 juni 2011 uitbleef. Zeker gezien de voorgeschiedenis in deze zaak, had de notaris er bovenop moeten zitten en binnen redelijke termijn actie moeten ondernemen toen klaagster in het geheel niet reageerde. De notaris had de zaak in ieder geval niet nog een paar maanden op zijn beloop mogen laten. Het hof passeert het verweer van de notaris dat hij in deze periode met vakantie was. Gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval had de notaris voor die situatie een voorziening kunnen en moeten treffen.

Dit klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

5.4. Het hof volgt de kamer in zijn oordeel dat het derde klachtonderdeel, zoals weergegeven onder 4.4., tevergeefs door klaagster is voorgesteld en neemt de overwegingen van de kamer in deze over. Uit hetgeen door klaagster is aangevoerd, is niet (althans onvoldoende) vast komen te staan dat de notaris klaagster onder druk heeft gezet om de akkoordverklaring te ondertekenen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.5. Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel zoals weergegeven onder 4.5. stelt het hof voorop dat een notaris de door hem in verband met een tegen hem aanhangig gemaakte klachtprocedure gemaakte kosten, niet bij de klager in rekening mag brengen. Met de kamer is het hof in het onderhavige geval echter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de notaris daadwerkelijk dergelijke kosten bij klaagster in rekening heeft willen brengen en/of heeft gebracht. Weliswaar heeft de notaris de uitdraai uit zijn tijdschrijfsysteem waar zijn declaratie op was gegrond zonder enige toelichting aan klaagster gepresenteerd, maar de notaris heeft aangevoerd dat de onderhavige bedragen niet zijn gedeclareerd en op grond van (enkel) deze uitdraai kan niet geconcludeerd worden dat klaagster gesommeerd werd alle daarop voorkomende kosten (inclusief de kosten voor de tijd die de notaris aan de klachtprocedure had besteed) te voldoen. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

5.6. Gelet op het feit dat de klacht van klaagster deels gegrond is bevonden, acht het hof het opleggen van een maatregel gepast en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de maatregel laat het hof de volgende feiten en omstandigheden meewegen:

- onderhavige klacht is de tweede klacht die klaagster tegen de notaris heeft ingediend waarbij de notaris wordt verweten tuchtrechtelijk laakbaar te hebben gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster;

- op de eerste klacht van klaagster is onherroepelijk beslist aldus dat verschillende klachtonderdelen daarbij gegrond zijn bevonden en de notaris daarvoor de maatregel van schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van 2 weken is opgelegd;

- er zijn in het verleden verschillende klachten tegen de notaris ingediend wegens het niet tijdig afwikkelen van een nalatenschap, waarop door de kamer onherroepelijk is beslist dat de notaris (ten dele) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld met oplegging van een passende maatregel;

- onderhavige (tweede) klacht van klaagster is op één onderdeel gegrond maar op de overige onderdelen ongegrond bevonden.

5.7. In het licht van het ene gegrond verklaarde klachtonderdeel in dit appel kan niet geoordeeld worden dat een zo zware maatregel als een schorsing gepast en geboden is voor het onderhavige de notaris te maken tuchtrechtelijk verwijt. Dit neemt echter niet weg dat het hof het de notaris zwaar aanrekent dat hij (ondanks de eerder gegrond bevonden klachten) zijn handelwijze kennelijk nog steeds niet, althans onvoldoende, heeft aangepast. In zoverre rechtvaardigt de ten dele gegrond bevonden (tweede) klacht van klaagster wel het opleggen van een verhoudingsgewijs zware maatregel. Nu de Wet op het notarisambt, zoals deze gold ten tijde van het begaan door de notaris van de feiten zoals omschreven in het gegrond verklaarde klachtonderdeel geen maatregel biedt gelegen tussen de maatregel van berisping en de maatregel van schorsing, leidt het vorenstaande ertoe dat het hof in het onderhavige geval zal volstaan met het opleggen van de maatregel van berisping.

5.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend verder onbesproken blijven.

5.9. Nu het hof deels tot een andere beslissing is gekomen dan de kamer zal het omwille van de duidelijkheid de bestreden beslissing geheel vernietigen en als volgt beslissen.

6. De beslissing

Het hof:

inzake de zaak met nummer 200.117.704/01 NOT en inzake de zaak met nummer: 200.118.062/01 NOT:

- vernietigt de bestreden beslissing;

- verklaart het klachtonderdeel zoals weergegeven hiervoor onder 4.3. gegrond;

- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;

- legt de notaris de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.H.N. Stollenwerck en
G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 oktober 2013 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN DE KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ZUTPHEN

Klachtnummer: 7/2010

Beslissing inzake de klacht van:

[klaagster] ,

wonende te [plaatsnaam],
klaagster,


tegen

[notaris],

notaris te [plaatsnaam].

Partijen worden in deze beslissing mede aangeduid als klaagster en de notaris.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de klacht van 4 mei 2010 met bijlagen;

- de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht aan klaagster van 3 juni 2010;

- de ongedateerde op 8 juni 2010 binnengekomen brief van klaagster;

- de aanvulling van de klacht bij ongedateerde brief van klaagster, binnengekomen op 18 juni 2010;

- de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht aan klaagster van 24 juni 2010;

- de aanvullende brief van klaagster met bijlagen van 18 juli 2010;

- de aanvullende brief van klaagster met bijlagen van 26 juli 2010;

- de reactie van de notaris met bijlagen van 24 september 2010;

- de repliek van klaagster van 13 november 2010 met bijlagen;

- de brief van klaagster van 7 januari 2011;

- de dupliek van de notaris met bijlagen van 19 januari 2011;

- de brief van klaagster van 3 februari 2011;

- de brief van klaagster van 15 februari 2011;

- het proces-verbaal van de openbare vergadering van de Kamer van 28 april 2011, waarbij klaagster zonder berichtgeving niet is verschenen;

- de brief van de notaris van 3 mei 2011, met als bijlagen de aan de Kamer tijdens de openbare vergadering toegezegde stukken: a) de akte van volmacht van 16 maart 1998 en b) het laatste testament van moeder. Ten overvloede heeft de notaris toen tevens kopieën van de volgende aan de erfgenamen verzonden stukken doen toekomen aan de Kamer: c) een op 3 mei 2011 gedateerde staat van uitgaven en ontvangsten en d) een tweetal rapportages van [bank], gedateerd 31 december 2010 en 31 maart 2011;

- de brief van de notaris van 9 juni 2011, waarin hij kopieën van de volgende aan de erfgenamen verzonden stukken aan de Kamer heeft doen toekomen: e) het ontwerp van de verantwoording/verdeling en f) het ontwerp van de verklaringen akkoordbevinding.

2 Vaststaande feiten

De navolgende feiten worden als vaststaand aangenomen:

2.1

Mevrouw [naam], moeder van klaagster (hierna ook te noemen: moeder), is in december 2006 met een rechterlijke machtiging opgenomen in een gesloten afdeling van een verpleegtehuis. Klaagster en mevrouw [naam] (hierna ook te noemen: de zuster) zijn de twee dochters van erflaatster en haar reeds in 2002 overleden echtgenoot. De rechterlijke machtiging is in het voorjaar van 2007 niet verlengd, waarna moeder is overgeplaatst naar een open afdeling van het verpleegtehuis.

2.2

In februari 2007 heeft klaagster een gesloten enveloppe in de woning van haar moeder gevonden, waarop stond dat deze voor [notaris] bestemd was en pas na overlijden van moeder geopend moest worden. Na overleg met haar moeder heeft klaagster de gesloten enveloppe aan de notaris gegeven.

2.3

Op 3 september 2007 is moeder overleden. Zij had laatstelijk beschikt over haar nalatenschap bij testament van 8 juli 1999, verleden voor de notaris. In dit testament is klaagster tot enige erfgenaam benoemd, zodat voor de zuster van klaagster slechts een beroep op de legitieme portie, als bedoeld in artikel 960 van het oud Burgerlijk Wetboek, resteerde. De nalatenschap bevatte onder meer een woning te [plaatsnaam], een perceel bosgrond te [plaatsnaam], een effectenportefeuille en banksaldi.

2.4

Half september 2007 heeft de notaris klaagster de inhoud van de in 2.2 vermelde enveloppe laten zien. Hierin bevond zich onder meer een handgeschreven briefje van moeder, gedateerd 18 november 2006, waarin stond dat zij haar testament in die zin wilde veranderen dat zij de zuster van klaagster wilde onterven.

2.5

In het voorjaar van 2008 heeft klaagster in haar ouderlijk huis een akte van volmacht gevonden, gedateerd 16 maart 1998 en verleden voor de notaris, waarin de ouders van klaagster een volmacht gaven aan [kandidaat-notaris], destijds verbonden aan het kantoor van [notaris] als kandidaat-notaris en thans als zelfstandig notaris, om hen in alle opzichten te vertegenwoordigen.

2.6

Op 29 februari 2008 heeft de notaris een verklaring van erfrecht afgegeven, waarin een beperkte volmacht tot beheer en vereffening was opgenomen.

2.7

In april 2008 heeft de notaris namens de erfgenamen aan de heer [naam] van [makelaar] te [plaatsnaam] opdracht gegeven om de woning van moeder te verkopen. Aangezien de eerder door de erfgenamen afgegeven volmachten onvoldoende waren om tot verkoop van de woning over te kunnen gaan, heeft de notaris nieuwe volmachten opgesteld en op 3 april 2008 aan de erfgenamen ter ondertekening toegezonden.
De zuster wilde echter pas de nieuwe volmacht ondertekenen als zij meer informatie had ontvangen over de (in)boedelbestanddelen. De notaris heeft haar bij e-mail van 17 april 2008 de informatie verstrekt, met de mededeling dat er inmiddels een aantrekkelijk bod op de woning was gedaan, waarop snel gereageerd moest worden. De zuster heeft in reactie hierop in haar brief van 20 april 2008 meegedeeld dat zij nog niet alle gevraagde informatie had ontvangen.
Bij brief van 21 april 2008 aan de zuster heeft mr. [naam], advocaat te [plaatsnaam], gedreigd namens klaagster een kort geding aan te spannen, indien de zuster niet binnen 24 uur haar medewerking zou verlenen aan de verkoop van de woning. De zuster van klaagster heeft op 22 april 2008 de volmacht ondertekend en op 24 april 2008 heeft de notaris een nieuwe verklaring van erfrecht gepasseerd.

2.8

In mei 2008 is de woning verkocht aan de heer [naam]. Vlak na ondertekening van de koopovereenkomst is de woning door [makelaar] in opdracht van de heer [naam] opnieuw te koop gezet voor een hogere vraagprijs.
Op 22 augustus 2008 is de woning bij volmacht door de erfgenamen geleverd aan de heer [naam].

2.9

Bij e-mailberichten van 30 september 2008 en 6 oktober 2008 heeft klaagster de notaris verzocht om de nalatenschap verder af te wikkelen, aangezien overeenstemming bestond tussen klaagster en haar zuster over de verdeling. Voorts heeft zij de notaris verzocht om de niet omstreden gelden naar haar over te maken. Zij heeft daarbij haar zorgen geuit over de op handen zijnde financieel-economische crisis en in verband daarmee aangedrongen op een spoedige afwikkeling.
In reactie hierop heeft de notaris in zijn e-mailbericht van 8 oktober 2008 aan klaagster toegezegd dat hij de volgende dag de bank zou verzoeken om haar deel van de effectenportefeuille naar haar over te maken.
Nadat klaagster had gemerkt dat de notaris geen contact had opgenomen met de bank, heeft zij haar verzoeken aan de notaris om de niet omstreden gelden over te maken en de aandelenportefeuille te verdelen diverse malen telefonisch, per e-mail en in een persoonlijk gesprek op 17 oktober 2008 herhaald. Uiteindelijk heeft de notaris een voorschot op de bankrekening van klaagster gestort. De aandelen zijn niet overgedragen.

2.10

In zijn brief van 25 maart 2010 aan de notaris heeft [partijnotaris], notaris te [plaatsnaam], zich gemeld als de partijnotaris van klaagster. Hij heeft de notaris verzocht om met hem in overleg te treden over hetgeen nog moest gebeuren om tot een finale afwikkeling van de nalatenschap te komen. Op 7 april 2010 heeft [partijnotaris] aan de notaris per e-mail en per fax een herinnering gezonden, omdat hij nog niets van de notaris had vernomen. Klaagster heeft in haar brief van 12 april 2010 aan de notaris verzocht om alsnog contact op te nemen met [partijnotaris]. Hieraan heeft zij toegevoegd dat zij anders een klacht tegen hem zou indienen bij de Kamer van Toezicht.
De notaris heeft gereageerd in zijn e-mail van 13 april 2010 aan [partijnotaris], waarin hij heeft toegezegd om uiterlijk op 15 mei 2010 een voorstel voor verdeling te zullen doen.
heeft in zijn e-mailbericht van 27 april 2010 aan de notaris verzocht om alle aan klaagster toekomende gelden aan haar uit te keren. De notaris heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

2.11

In juni 2010 heeft mr. M.E.F. Parramore, advocaat te Amsterdam, de zaak van [partijnotaris] overgenomen. In zijn brief van 4 juni 2010 heeft mr. Parramore de notaris verzocht om het in de e-mail van 13 april 2010 aan [partijnotaris] toegezegde voorstel voor de verdeling alsnog vóór 16 juni 2010 toe te zenden en vóór dezelfde datum een aanzienlijk voorschot naar klaagster over te maken. Bij brief van 17 juni 2010 heeft de notaris een concept van de staat van uitgaven en ontvangsten aan mr. Parramore gezonden. In zijn brief heeft hij verder meegedeeld dat hij niet zonder toestemming van de zuster tot uitkering van een voorschot aan klaagster kon overgaan, omdat het een onverdeelde boedel betrof. Hij heeft eraan toegevoegd dat de zuster inmiddels had ingestemd met uitkering van het voorschot aan beide erfgenamen.
Mr. Parramore heeft in zijn brief van 5 juli 2010 de notaris verzocht om over te gaan tot uitkering van het voorschot.
Nadat mr. Parramore in zijn e-mailbericht van 23 juli 2010 had gedreigd met het nemen van rechtsmaatregelen, heeft de notaris op dezelfde dag het beloofde voorschot alsnog aan klaagster uitbetaald.

2.12

Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht door de Kamer tijdens de openbare vergadering van 28 april 2011 bleek dat - afgezien van uitkering van een aantal voorschotten - de nalatenschap nog steeds onverdeeld was gebleven.

3 De klacht, de gronden waarop deze berust en het verweer

3.1

De klacht van klaagster valt uiteen in negen onderdelen.

Klachtonderdeel 1: geen gehoor geven aan verzoek van moeder om contact op te nemen.

In de periode van december 2006 tot het overlijden van moeder op 3 september 2007 heeft de notaris nooit gereageerd op de verscheidene verzoeken van klaagster namens haar moeder om contact met haar op te nemen. Ook toen klaagster eind juli 2007 de notaris op de hoogte stelde van het feit dat moeder niet lang meer te leven had en zij opnieuw naar hem had gevraagd, heeft de notaris geen enkele actie ondernomen.

Klachtonderdeel 2: ten onrechte enveloppe van moeder niet direct geopend.

Klaagster heeft begin 2007 een gesloten, aan de notaris gerichte enveloppe op verzoek van haar moeder naar de notaris gebracht. De notaris heeft ten onrechte de enveloppe toen niet geopend, maar pas na overlijden van moeder. Om die reden, en omdat hij geen contact met moeder heeft opgenomen - zoals verwoord in klachtonderdeel 1 - is pas na overlijden van moeder aan de notaris bekend geworden, dat moeder de zuster van klaagster volgens het nieuwe, in 2003 in werking getreden erfrecht had willen onterven.

Klachtonderdeel 3: ongebruikt laten van volmacht van moeder aan notariskantoor.

Klaagster heeft na overlijden van moeder bij het opruimen van de ouderlijke woning toevallig een door de notaris gepasseerde volmacht gevonden, waarin kantoorgenoot [kandidaat-notaris] was gemachtigd om de belangen van moeder te behartigen indien zij daar zelf niet meer toe in staat zou zijn.
De notaris heeft klaagster nooit op de hoogte gesteld van het bestaan van deze volmacht. Als hij dit wel had gedaan, had hij haar veel werk uit handen kunnen nemen in de voor haar zware periode voorafgaand aan het overlijden van moeder. Klaagster heeft de notaris voortdurend op de hoogte gehouden van de situatie van moeder en ook van het feit dat het haar veel energie en moeite kostte om de belangen van haar moeder te behartigen.

Klachtonderdeel 4: volmacht onvoldoende voor verkoop van ouderlijke woning.
De zuster van klaagster had al mondeling toestemming verleend voor de verkoop van de ouderlijke woning, maar de notaris heeft dit ten onrechte niet schriftelijk vastgelegd. De door hem opgestelde beperkte volmacht had geen betrekking op de verkoop. Er zijn nieuwe volmachten opgesteld, maar op het moment dat een bod op de woning werd gedaan, wilde de zuster deze niet tekenen. Hierdoor zag klaagster zich genoodzaakt om te dreigen met een kort geding, waarna de zuster alsnog de notaris de vereiste volmacht heeft gegeven. Als de notaris direct de juiste volmacht had opgesteld, was het inschakelen van een advocaat niet nodig geweest.



Klachtonderdeel 5: een makelaar de opdracht voor de verkoop van de woning gegeven, terwijl hij wist dat klaagster deze makelaar niet wilde.
De notaris heeft aan een makelaar de opdracht gegeven om de woning te taxeren en te verkopen, terwijl hij ervan op de hoogte was dat klaagster het niet met zijn keuze van de makelaar eens was.

Klachtonderdeel 6: de notaris heeft de makelaar niet tot de orde geroepen inzake de doorverkoop van de woning en de wijze waarop dit is gebeurd

Als opdrachtgever voor de verkoop van de ouderlijke woning, had de notaris de makelaar tot de orde moeten roepen inzake het direct weer te koop zetten voor een hogere vraagprijs, de intimidaties van de makelaar toen klaagster niet wilde meewerken aan de doorverkoop en de dreiging met beslaglegging indien klaagster de courtage niet zou betalen. De notaris was van deze misdragingen van de makelaar volledig op de hoogte en heeft dit desondanks allemaal laten gebeuren.

Klachtonderdeel 7: de notaris dwong klaagster om de akte van levering bij volmacht te laten tekenen.
Nadat koper de ouderlijke woning direct weer in de verkoop had gedaan voor een hogere vraagprijs, wilde klaagster zelf de akte van levering komen ondertekenen. Zij wilde de koper zelf in de ogen kunnen kijken. De notaris heeft haar echter door intimidatie gedwongen om de akte bij volmacht te laten passeren.

Klachtonderdeel 8: de notaris reageert niet op pogingen van de door klaagster ingeschakelde partijnotaris en advocaat om contact met hem te krijgen.
Klaagster heeft in maart 2010 partijnotaris [partijnotaris] ingeschakeld omdat de nalatenschap nog steeds niet was afgewikkeld. Op de diverse verzoeken van [partijnotaris] om met hem contact op te nemen over het afhandelen van de nalatenschap heeft de notaris niet gereageerd. Pas nadat klaagster had gedreigd om een klacht bij de Kamer van Toezicht in te dienen, heeft hij een reactie naar [partijnotaris] gestuurd. Advocaat mr. Parramore heeft de zaak van [partijnotaris] overgenomen. Nadat was afgesproken dat door de notaris een voorschot zou worden uitbetaald, heeft mr. Parramore moeten dreigen met het nemen van rechtsmaatregelen voordat daadwerkelijk door de notaris het voorschot werd uitbetaald.

Klachtonderdeel 9: de notaris heeft een deel van de nalatenschap onder zich gehouden en de nalatenschap niet afgewikkeld
Nadat in augustus 2008 de ouderlijke woning was verkocht, had de notaris de nalatenschap kunnen verdelen. Klaagster en haar zuster waren het eens over de wijze waarop de nalatenschap verdeeld zou worden. Alleen het perceel bosgrond zou voorlopig onverdeeld blijven. Ondanks een toezegging van de notaris bij brief van 8 oktober 2008 dat hij de aandelen zou verdelen, heeft hij deze nog steeds in beheer.
De notaris heeft alleen na lang aandringen tweemaal een voorschot uitgekeerd. Hij heeft echter nog steeds gelden en aandelen onder zich, zonder dat daarvoor een geldige reden is. Dit betekent voor klaagster dat zij haar effecten al die tijd niet naar eigen goeddunken heeft kunnen beheren. Evenmin heeft zij overzichten ontvangen waarin is vermeld op welke wijze de onder de notaris berustende gelden en effecten zijn beheerd.

3.2

De verweren van de notaris komen in het navolgende, voor zover nodig, aan de orde.

4 De beoordeling van de klacht

Klachtonderdeel 1: geen contact opgenomen met moeder

4.1

Klaagster klaagt erover dat zij vanaf december 2006 tot het overlijden van moeder begin september 2007 diverse malen namens haar moeder tevergeefs aan de notaris heeft verzocht om contact met moeder op te nemen.
In artikel 99, lid 12 van de Wet op het notarisambt (Wna) is bepaald dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop klager kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van de notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Dit betekent dat voor zover de verzoeken zijn gedaan vóór 7 mei 2007 – zijnde drie jaren vóór de datum waarop de klacht is ingediend - klaagster niet kan worden ontvangen in haar klacht, omdat zij langer dan drie jaar hiervan op de hoogte is.
Uit de klacht blijkt dat in ieder geval eind juli 2007, toen bekend was dat moeder binnenkort zou overlijden, klaagster namens moeder telefonisch aan de notaris heeft doorgegeven dat moeder hem wilde spreken. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is wel tijdig ingediend.
Klaagster kan tevens als belanghebbende worden aangemerkt. Uit de aantekeningen van moeder in de na haar overlijden geopende enveloppe is gebleken dat moeder de zuster van klaagster wilde onterven volgens het nieuwe erfrecht 2003. Het is zeer waarschijnlijk dat moeder hierover de notaris had willen spreken. Indien een gewijzigd testament tot stand was gekomen naar aanleiding van een bezoek van de notaris aan moeder, zou klaagster enig erfgenaam zijn geweest en zou haar zuster alleen een vordering op de nalatenschap hebben gehad. Dit zou de juridische positie van klaagster hebben versterkt en de afwikkeling van de nalatenschap hebben vereenvoudigd.
Gelet ook op de rol van klaagster als belangenbehartiger van moeder in de laatste fase van haar leven en gezien het feit dat moeder zelf geen klacht meer kan indienen, dient klaagster als belanghebbende te worden beschouwd.

4.2

De notaris heeft ten verwere aangevoerd dat een bezoek aan moeder toch geen zin zou hebben gehad, omdat hem uit berichtgeving van klaagster en de maatschappelijk werkster van moeder voldoende was gebleken dat moeder niet meer wilsbekwaam was.
De Kamer is echter van oordeel dat het tot de verantwoordelijkheid van de notaris behoort dat hij zich er zelf van vergewist of degene die contact met hem zoekt zijn wil voldoende kan bepalen. Hij had moeder derhalve moeten bezoeken om zelf een mening te vormen over haar geestelijke gesteldheid en niet mogen afgaan op de berichten van anderen. De Kamer tilt zwaar aan wat welhaast neerkomt op een dienstweigering.
Dit klachtonderdeel is gegrond, voor zover het betrekking heeft op het verzoek om contact op te nemen met moeder vlak voor haar overlijden in de zomer van 2007. Voor zover het klachtonderdeel betrekking heeft op de periode daarvoor, kan klaagster niet worden ontvangen in dit klachtonderdeel.


Klachtonderdeel 2: enveloppe van moeder ongeopend gelaten tot haar overlijden

4.3

Het klachtonderdeel dat de notaris ten onrechte een gesloten enveloppe van moeder niet heeft geopend tot na het overlijden van moeder is tijdig ingediend. Klaagster heeft in februari 2007 de enveloppe bij de notaris afgeleverd, maar zij is pas in september 2007 bekend geworden met het feit dat de notaris pas na moeders overlijden de enveloppe had geopend. Zij heeft de klacht binnen drie jaar na dat moment ingediend.
Klaagster kan tevens als belanghebbende bij de klacht worden beschouwd om de redenen verwoord in overweging 4.1.

4.4

Uit het verweer van de notaris blijkt dat hij vlak na overlijden van moeder, maar vóór het bezoek van klaagster aan de notaris half september 2007 de enveloppe heeft geopend. De notaris heeft als reden voor het gesloten laten van de enveloppe van moeder tot haar overlijden opgegeven dat dit overeenkomstig de op de enveloppe geschreven instructie van moeder was.
Hij heeft hiermee echter naar het oordeel van de Kamer in strijd met artikel 48 van de Wna gehandeld. Hij had geen stukken onder zich mogen houden waarvan hij de inhoud niet kende. Hij had de enveloppe direct moeten openen dan wel terug moeten sturen dan wel in overleg erover moeten treden. In ieder geval had hij er geen onduidelijkheid over mogen laten bestaan.
Dit klachtonderdeel treft dan ook doel.


Klachtonderdeel 3: volmacht van moeder ongebruikt gelaten.

4.5

Dit klachtonderdeel is eveneens tijdig ingediend. Klaagster heeft de volmacht van moeder aan kantoorgenoot [kandidaat-notaris] ontdekt in het voorjaar van 2008 bij het ontruimen van haar ouderlijke woning. Vanaf dat moment wist zij dat [kandidaat-notaris] bij volmacht had kunnen handelen in de laatste levensfase van haar moeder en is de termijn van drie jaar aangevangen.
Ook is zij als belanghebbende bij dit klachtonderdeel aan te merken. Indien de notaris op de bestaande volmacht had gewezen, had [kandidaat-notaris] klaagster veel praktische zaken uit handen kunnen nemen, waardoor de periode voorafgaand aan het overlijden van moeder voor klaagster minder belastend was geweest.

4.6

De notaris heeft erkend dat hij er niet aan heeft gedacht dat in 1998 door moeder een algehele volmacht was gegeven aan [kandidaat-notaris].
Naar het oordeel van de Kamer had de notaris dit wel moeten weten. Hij was ervan op de hoogte dat klaagster veel zaken voor haar moeder moest regelen en dat dit belastend voor haar was. Het behoort tot de zorgplicht van een notaris dat hij onder die omstandigheden in ieder geval nagaat of een dergelijke volmacht door moeder is afgegeven.
Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld.


Klachtonderdeel 4: volmacht onvoldoende voor verkoop van woning

4.7

Zoals de notaris ook heeft erkend, heeft hij in eerste instantie te beperkte volmachten opgesteld om tot verkoop van de ouderlijke woning te kunnen overgaan. Hij heeft dit pas ontdekt toen de woning al in de verkoop stond, waardoor de zuster van klaagster haar medewerking aan de daadwerkelijke verkoop van de woning kon opschorten. Door eerder te zorgen voor toereikende volmachten hadden de gerezen complicaties ten aanzien van de medewerking van de zuster voorkomen kunnen worden.
Dit klachtonderdeel is gegrond.


Klachtonderdeel 5: verkoopopdracht aan een makelaar gegeven, waarvan hij wist dat klaagster daar bezwaren tegen had.

4.8

De notaris heeft ten verwere aangevoerd dat hij klaagster niet heeft gedwongen om de betreffende makelaar de verkoopopdracht te geven. Indien zij haar bezwaren tegen deze makelaar vooraf aan de notaris kenbaar had gemaakt, had hij een andere makelaar de verkoopopdracht gegeven.
De Kamer is van oordeel dat de notaris het verwijt in dit klachtonderdeel voldoende heeft weerlegd. Zoals ook uit de stukken blijkt, is klaagster akkoord gegaan met de keuze van de makelaar. Het lijkt erop dat de weerzin van klaagster met name in een later stadium is ontstaan. Dit is een omstandigheid die de notaris niet kan worden tegengeworpen.
Dit klachtonderdeel dient ongegrond te worden verklaard.


Klachtonderdeel 6: de makelaar niet tot de orde geroepen inzake de doorverkoop van de woning

4.9

De Kamer meent dat het klachtonderdeel over de doorverkoop en de wijze waarop dit is gebeurd, zich inhoudelijk richt tegen de koper, de heer [naam], en tegen de makelaar [makelaar] die deze doorverkoop heeft begeleid. De heer [naam] was vrij om te besluiten de woning direct weer door te verkopen. Hierin hoefde de notaris zich niet te mengen. Het feit dat hij de opdracht voor de verkoop namens de erfgenamen heeft ondertekend, zoals door klaagster is benadrukt, doet hier niet aan af. Voor zover de verwijten zich in feite richten tegen de gedragingen van de makelaar, kan klaagster wellicht bij diens branche-organisatie een klacht tegen de makelaar indienen.
Overigens acht de Kamer het niet onjuist dat een notaris aan partijen doorgeeft dat de makelaar beslaglegging overweegt als zij de courtage niet betalen. Deze mededeling kan dan ook niet als een dreigement worden opgevat.
Dit klachtonderdeel treft geen doel.


Klachtonderdeel 7: klaagster gedwongen om de akte van levering bij volmacht te laten tekenen

4.10

Klaagster wilde vlak voor de overdracht, ondanks het bestaan van een volmacht, de leveringsakte zelf ondertekenen om de koper en de makelaar in de ogen te kunnen kijken.
Gelet op de ontstane situatie, waarbij de spanningen hoog waren opgelopen, acht de Kamer het begrijpelijk dat de notaris heeft geprobeerd om klaagster buiten het kantoor te houden en gebruik te maken van de aan hem verleende volmacht. Van een bedreiging van klaagster door de notaris is dan ook geen sprake.
Dit klachtonderdeel dient ongegrond te worden verklaard.


Klachtonderdeel 8: niet reageren op brieven en e-mailberichten van partijnotaris en advocaat van klaagster

4.11

De notaris heeft dit klachtonderdeel niet weersproken.
Uit de stukken blijkt dat de notaris op verzoeken van partijnotaris [partijnotaris] en advocaat mr. Parramore te laat heeft gereageerd en bovendien vaak pas na dreiging met indienen van een klacht dan wel het nemen van rechtsmaatregelen. Het betaamt een notaris niet om stelselmatig niet dan wel te laat reageren op brieven en e-mailberichten.
Het klachtonderdeel dient dan ook gegrond te worden verklaard.


Klachtonderdeel 9: onder zich houden van een deel van de nalatenschap in plaats van de nalatenschap af te wikkelen

4.12

Moeder is op 3 september 2007 overleden. Haar woning is op 22 augustus 2008 verkocht. De nalatenschap kon daarna worden afgewikkeld, aangezien klaagster en haar zuster overeenstemming hadden over de verdeling en de nalatenschap. Klaagster heeft hier in het najaar van 2008 ook bij de notaris diverse malen op aangedrongen, mede vanwege de op dat moment dreigende financieel-economische crisis.
De notaris heeft in reactie daarop in zijn brief van 8 oktober 2008 toegezegd dat hij de volgende dag de bank de opdracht zou geven om haar deel van de effectenportefeuille aan haar over te maken. Uit de stukken blijkt echter dat hij dit niet heeft gedaan. Hij heeft enkel een voorschot aan klaagster uitgekeerd.
Klaagster heeft in het jaar 2010 partijnotaris [partijnotaris] ingeschakeld omdat de nalatenschap nog steeds niet was afgewikkeld. [partijnotaris] heeft getracht om met de notaris in overleg te treden om tot een definitieve afwikkeling te komen. Uiteindelijk heeft de notaris in zijn e-mailbericht van 13 april 2010 toegezegd dat hij op 15 mei 2010 een voorstel voor de verdeling zou doen, maar aan deze toezegging heeft hij zich evenmin gehouden. Pas nadat advocaat mr. Parramore door klaagster was ingeschakeld, heeft hij een concept van de staat van uitgaven en ontvangsten opgesteld. Voor uitbetaling van een tweede voorschot was dreiging met het nemen van rechtsmaatregelen door mr. Parramore nodig.

4.13

Tot op de dag van de mondelinge behandeling van de klacht berusten de aandelen en een gedeelte van het geld nog steeds bij de notaris en is de nalatenschap nog niet afgewikkeld. De notaris heeft de Kamer tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet duidelijk kunnen maken waarom de nalatenschap nog steeds niet was afgewikkeld. Hij heeft alleen aangevoerd dat het in die periode zeer druk op het kantoor was vanwege de financieel-economische crisis. Hij heeft daar echter terecht aan toegevoegd dat dit geen geldige reden kan zijn voor een dergelijke vertraging.
Pas na de mondelinge behandeling is hij daadwerkelijk begonnen de nalatenschap definitief af te handelen.
De Kamer acht het onbegrijpelijk dat de notaris de nalatenschap, ondanks vele verzoeken van klaagster, [partijnotaris] en mr. Parramore, zo lang onverdeeld heeft gelaten. Hij heeft gedurende die lange tijd ook onvoldoende inzicht gegeven in de omvang en het beheer van de boedel. Hij is hiermee ernstig tekort geschoten in zijn zorgplicht als notaris.
Dit klachtonderdeel is dan ook terecht voorgesteld.


Conclusie

4.14

Conclusie dient derhalve te zijn dat klachtonderdeel 1 gegrond is voor zover het betrekking heeft op het verzoek aan de notaris in juli 2007 om contact op te nemen met moeder en voor het overige niet-ontvankelijk, klachtonderdelen 2, 3, 4, 8 en 9 gegrond zijn en de overige klachtonderdelen ongegrond.
De Kamer is van oordeel dat de geconstateerde onzorgvuldigheden dusdanig ernstig zijn dat ter zake daarvan een maatregel dient te worden opgelegd. De klachtonderdelen 8 en 9 rekent zij de notaris zwaar aan, omdat hij hier niet voor het eerst in gebreke is.
Jarenlang is de boedel zonder een aanwijsbare reden onverdeeld gebleven en is onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop de onder hem berustende gelden en aandelen zijn beheerd. De communicatie verliep gebrekkig en toezeggingen werden gedaan die niet dan wel pas na lang aandringen werden nagekomen. Klaagster heeft een partijnotaris en vervolgens een advocaat moeten inschakelen om de notaris tot enige actie te bewegen en uiteindelijk was er een mondelinge behandeling van de door klaagster tegen hem ingediende klacht door de Kamer voor nodig om over te gaan tot de definitieve afhandeling van de nalatenschap, zoals die blijkt uit de hierboven onder het verloop van de procedure vermelde stukken c tot en met f. De Kamer acht dit dusdanig laakbaar dat zij in haar oordeel niet heeft meegewogen dat de notaris na de mondelinge behandeling van de klacht de zaak alsnog lijkt te zijn gaan afwikkelen.
De Kamer heeft in 2000 aan de notaris een berisping in de zin van de Wet op het notarisambt 1842 (hetgeen overeenkomt met de maatregel van waarschuwing volgens de huidige Wna) opgelegd omdat hij brieven van klager niet dan wel veel te laat had beantwoord. In 2001 heeft de Kamer de notaris een berisping opgelegd vanwege het feit dat hij gedurende een aantal jaren geen actie had ondernomen tot afwikkeling van een nalatenschap en diverse toezeggingen had gedaan zonder die na te komen. De Kamer heeft in 2005 geconstateerd dat de notaris stelselmatig niet had gereageerd op diverse brieven en telefonische verzoeken om terug te bellen en zijn belofte om binnen een bepaalde termijn alsnog te reageren niet was nagekomen.
Ondanks deze eerdere opgelegde maatregelen lijkt de notaris niet van de ernst van zijn nalaten in de onderhavige zaak doordrongen te zijn.
In dit geval komt daar nog eens bij de weigering van dienstverlening aan een bejaarde dame, wier testament hij eerder verleden had en niet lang meer te leven had. Het is onbegrijpelijk dat een notaris een enveloppe niet opent en van een bezoek afziet op grond van mededelingen van derden (mogelijk zelfs belanghebbenden).
De Kamer acht het optreden van de notaris dermate strijdig met de zorgplicht die hij jegens zijn cliënten dient te betrachten, dat zij de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee maanden aangewezen acht.

4.15

Nadat de beslissing onherroepelijk is geworden, zal de Kamer aan de notaris bij aangetekende brief de datum meedelen waarop de maatregel van kracht wordt.

4.16

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing worden gelaten.

4.17

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

5 De beslissing

De Kamer:

verklaart klachtonderdeel 1 gegrond voor zover dit betrekking heeft op het daarin als onjuist aangeduide handelen en verklaart klaagster voor het overige niet-ontvankelijk;

verklaart klachtonderdelen 2, 3, 4, 8 en 9 gegrond;

verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

legt aan de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van twee maanden op.

Aldus gegeven door mr. G. Vrieze, plaatsvervangend voorzitter, mr. V. Oostra, mr. W.M. Eijkelestam, mr. E.J. Oostrik en mr. A.S. Hansma, leden, zulks in tegenwoordigheid van mr. W.E. Markus-Burger als secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2011.

secretaris voorzitter

Binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief, waarbij deze beslissing wordt toegezonden, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen de termijn van 30 dagen door het Gerechtshof te zijn ontvangen. Het adres van het Gerechtshof luidt: Gerechtshof te Amsterdam t.a.v. kamer 17A, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.