Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3567

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
23-001166-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belediging door openbaarmaking van foto’s, door hiervan prints per post aan familieleden van aangevers te versturen en deze online te plaatsen op een website. Daarmee is sprake van aanranding van de waardigheid en aantasting van de eer en goede naam van de aangevers. Verwerping verweer met betrekking tot het ontbreken van een klacht en met betrekking tot het feit dat de aangevers deze foto’s eerder zelf op een (alleen na registratie toegankelijke en deels afgeschermde) website hadden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001166-12

datum uitspraak: 17 september 2013

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-430515-08 tegen

[verdachte]

[geboorteplaats'/-datum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 15 augustus 2007 tot en met 20 december 2007 te [woonplaats] in elk geval in Nederland opzettelijk beledigend jegens [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] heeft gehandeld, - door aan een of meer familielid/leden van voornoemde[slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] een of meer naakt- en/of pornografische foto('s) (van onder andere voornoemde[slachtoffer] en/of [slachtoffer 2]) aan te bieden en/of toe te zenden en/of - door in het openbaar op het internet op de site [internetsite]afbeeldingen van een of meer naakt- en/of pornografische foto's (van onder andere voornoemde [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2]) te plaatsen ( welke voornoemde handelingen in voornoemde periode ter kennis zijn gekomen van voornoemde [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2]).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.


Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een – op onderdelen - andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen gelegen in de periode van 15 augustus 2007 tot en met 20 december 2007 in Nederland opzettelijk beledigend jegens [slachtoffer] en [slachtoffer 2] heeft gehandeld door aan familieleden van voornoemde [slachtoffer] en [slachtoffer 2] naaktfoto's van voornoemde [slachtoffer] en [slachtoffer 2] aan te bieden en toe te zenden en door in het openbaar op het internet op de site [internetsite]afbeeldingen van naaktfoto's van voornoemde [slachtoffer] en [slachtoffer 2] te plaatsen welke voornoemde handelingen in voornoemde periode ter kennis zijn gekomen van voornoemde [slachtoffer] en [slachtoffer 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van verweren

Ten aanzien van het verweer strekkende tot partiële niet-ontvankelijkheid

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort en zakelijk weergegeven - gesteld dat niet is voldaan aan het klachtvereiste van slachtoffer [slachtoffer 2] en voert daartoe het volgende aan. [slachtoffer] heeft op 20 december 2007 een klacht ingediend. [slachtoffer 2] heeft op 29 januari 2008 aangifte gedaan en vervolgens heeft hij pas op 12 juni 2008 een klacht ingediend. Nu de klacht niet binnen 3 maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit is ingediend, is [slachtoffer 2] te laat met het indienen van zijn klacht. De raadsman heeft gesteld dat de klacht van [slachtoffer] niet tevens kan worden gezien als de klacht van [slachtoffer 2] en verwijst daartoe naar HR 26 april 2011, LJN BP1278. Dit moet partiële niet ontvankelijkheid tot gevolg hebben, voor zover de handelingen van verdachte waren gericht tegen [slachtoffer 2].

Het hof overweegt hiertoe als volgt. Op 20 december 2007 heeft [slachtoffer] ter zake van het ten laste gelegde een klacht ingediend en blijkens de inhoud daarvan tevens aangifte gedaan. Daaruit blijkt dat zij en [slachtoffer 2] beiden door het ten laste gelegde zijn benadeeld. [slachtoffer] heeft in haar klacht voor nadere informatie naar [slachtoffer 2] verwezen en zij heeft daartoe zijn telefoonnummer opgegeven. [slachtoffer 2] heeft vervolgens ook zelf aangifte gedaan en op 12 juni 2008 bevestigd dat hij, naar het hof begrijpt, ook beoogde een klacht in te dienen. Gehoord als getuige ter zitting in eerste aanleg op 28 januari 2010 heeft [slachtoffer 2], die steeds ter zitting in deze strafzaak is verschenen, bovendien verklaard dat hij en [slachtoffer] samen naar de politie zijn gegaan en dat hij klacht en aangifte heeft gedaan. Gelet hierop is het hof van oordeel dat voldoende duidelijk is geworden dat [slachtoffer 2] in elk geval ten tijde van zijn aangifte uitdrukkelijk de strafvervolging van de verdachte heeft gewenst. Dat de klacht pas later is geformaliseerd doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. Het feit dat de aangifte van [slachtoffer 2] zich niet bij de stukken bevindt brengt evenmin verandering in dat oordeel. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het verweer strekkende tot vrijspraak

Voorts heeft de raadsman gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde nu er geen sprake kan zijn van strafbare belediging aangezien de slachtoffers zelf een aantal van de bewuste foto’s op een publiek toegankelijk gedeelte van een website hebben geplaatst en daardoor het risico hebben aanvaard dat die foto’s zouden worden verspreid en geopenbaard zodat van strafbare belediging geen sprake meer kan zijn. Daaraan doet niet af dat het een website betreft die bedoeld is om gelijkgestemden te ontmoeten;. ook in 2007 waren de gevaren van het internet bekend. Dat betekent dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, aldus steeds de raadsman

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De verdachte heeft erkend dat zij het wachtwoord van de e-mailaccount van [slachtoffer 2] heeft geraden en vervolgens buiten zijn medeweten kennis heeft genomen van voor hem bestemde e-mails. Dusdoende heeft zij het wachtwoord en de gebruikersnaam van [slachtoffer 2] voor de website [internetsite]aangetroffen. Vervolgens heeft zij met gebruikmaking van de gebruikersnaam en het wachtwoord van [slachtoffer 2] zowel op het voor iedere geregistreerde gebruiker toegankelijke gedeelte van de site als op een gedeelte waartoe alleen daartoe uitgenodigde gebruikers toegang hadden, naaktfoto’s van [slachtoffer 2] en[slachtoffer] aangetroffen. Deze foto’s zijn door haar geprint en verzonden, alsmede op de site [internetsite] geplaatst.

Nog daargelaten of het plaatsen van foto’s door de slachtoffers op een website waarvoor registratie is vereist als het openbaar maken van de bewuste foto’s moet worden beschouwd, geldt dat zeker voor de drie foto’s die in de afgeschermde map privéfoto’s waren geplaatst op die website. De verdachte heeft deze foto’s wel degelijk openbaar gemaakt door hiervan prints per post te versturen en deze online te plaatsen op de website [internetsite], een [internetsite] aan te maken op naam van [slachtoffer] en familie en vrienden uit te nodigen om deze foto’s op die website te bekijken. Door deze foto’s aldus openbaar te maken is tevens, anders dan de raadsman heeft bepleit, sprake van aanranding van de waardigheid en aantasting van de eer en goede naam van de aangevers. Er is sprake van belediging nu het opzet van de verdachte, gelet op deze gedragingen, was gericht op aantasting van eer en goede naam van zowel [slachtoffer] als [slachtoffer 2]. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van de maatregel van artikel 36 Wetboek van strafvordering.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als opgelegd door de politierechter.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft de aangevers beledigd door seksueel gekleurde foto’s van [slachtoffer] en haar partner [slachtoffer 2] te versturen naar familie van aangeefster[slachtoffer] en door het plaatsen van deze foto’s op de website [internetsite]en via een link vrienden en familie van aangevers uit te nodigen deze foto’s te bekijken. Hierdoor is de eer en goede naam van de slachtoffers aangetast en hebben zij daarvan in de omgang met familie hinder en schaamte ondervonden zoals zij ook in hun schriftelijke toelichting als slachtoffer/benadeelde partij hebben uiteengezet. .

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 augustus 2013 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld, hetgeen in haar voordeel weegt.

Gelet op het tijdsverloop sinds het ten laste gelegde handelen en het feit dat niet is gebleken dat zich sindsdien vergelijkbare incidenten hebben voorgedaan, acht het hof in beginsel de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste straf passend en geboden. Nu de redelijke termijn voor afdoening van strafzaken is overschreden zal het hof echter afzien van het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel en de straf matigen tot het eerder onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de taakstraf. Het hof is van oordeel dat daarmee de overschrijding van de redelijke termijn in voldoende mate is gecompenseerd.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.636,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman primair gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat de vordering zich beter leent om aan de civiele rechter te worden voorgelegd. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat [slachtoffer] zelf risicovol heeft gehandeld door de foto’s op een website te plaatsen en dat het om openbaarmaking binnen een zeer beperkte kring gaat, hetgeen gevolgen heeft voor de hoogte van de schadevergoeding.

Het hof overweegt hiertoe als volgt. Ook al is er sprake van enige mate van risicovol handelen zijdens de benadeelde, dat neemt niet weg dat de benadeelde gedurende een lange periode gevoelens van ongemak en onrust heeft ervaren en nog altijd bevreesd is voor verdere aantasting van haar eer en goede naam door verdere verspreiding op internet van de foto’s. Het hof acht de gestelde psychische schade voor het hierna te melden gedeelte voldoende onderbouwd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.636,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman primair gesteld dat de vordering niet toewijsbaar is omdat [slachtoffer 2] te laat is geweest met het indienen van zijn klacht, en partiële nietigheid dient te volgen voor zover de handelingen van verdachte tegen [slachtoffer 2] waren gericht. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat de vordering zich beter leent om aan de civiele rechter te worden voorgelegd. Meer subsidiair heeft de raadsman gesteld dat [slachtoffer 2] zelf risicovol heeft gehandeld door de foto’s op een website te plaatsen en dat het om openbaarmaking binnen een zeer beperkte kring gaat, hetgeen gevolgen heeft voor de hoogte van de schadevergoeding.

Het primaire verweer behoeft geen verdere bespreking nu het hof het hieraan ten grondslag liggende verweer reeds heeft verworpen. Ten aanzien van hetgeen de raadsman subsidiair en meer subsidiair heeft gesteld overweegt het hof als volgt. Ook al is er sprake van enige mate van risicovol handelen zijdens de benadeelde, dat neemt niet weg dat de benadeelde gedurende een lange periode gevoelens van ongemak en onrust heeft ervaren en nog altijd bevreesd is voor verdere aantasting van zijn eer en goede naam door verdere verspreiding op internet van de foto’s. Het hof acht de gestelde psychische schade daarmee voor het hierna te melden gedeelte voldoende onderbouwd.


Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57 en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. J.G. Bulsing, in tegenwoordigheid van D.C. de Vries, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2013.

Mr. J.G. Bulsing is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.