Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3566

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
12/00759, 12/00760 en 12/00761
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat degene die de aangifte BPM heeft gedaan het recht heeft om daartegen bezwaar te maken. De naheffingsaanslagen zijn niet prematuur en niet in strijd met het wettelijke systeem opgelegd. Anders dan de rechbank komt het Hof tot het oordeel dat er geen aanspraak is op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase; het Hof kent een verlaagde forfaitaire vergoeding toe. Het incidentoe hoger beroep van de inspecteur gericht tegen de toekenning van een immateriële schadevergoeding faalt. Voor de behandeling van het verzoek om een materiële schadevergoeding wordt belanghebbende verwezen naar de civiele rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2482
V-N 2014/8.23 met annotatie van Redactie
NTFR 2013/2397 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 12/00759, 12/00760 en 12/00761

17 oktober 2013

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A] te [P], belanghebbende,

gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven, Netcar Automotive v.o.f. te Bladel

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/kantoor Doetinchem,

de inspecteur.

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 11/2802, 11/2892 en 11/3113 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Hoger beroep 12/759

1.1.

Belanghebbende heeft op 8 september 2010 aangifte belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan voor een Renault, type Megane. Op 14 september 2010 heeft belanghebbende een nieuwe aangifte BPM ingediend, waarop hij op 20 september 2010 een bedrag van € 828 aan BPM heeft voldaan.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak gedagtekend 19 april 2011, ongegrond verklaard.

Hoger beroep 12/760

1.2.

Belanghebbende heeft op 30 juni 2010 aangifte BPM gedaan voor een bedrag van

€ 1.050, betreffende een Maserati, type Coupé 4.2i V8. Op 13 juli 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende voor deze auto een naheffingsaanslag BPM, groot € 10.403, opgelegd. Op 26 juli 2010 heeft belanghebbende beide bedragen voldaan.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 4 mei 2011, het bedrag aan BPM voor de Maserati berekend op € 4.527, de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.477 en een proceskostenvergoeding van € 218 toegekend.

Hoger beroep 12/761

1.3.

Op 18 februari 2010 heeft belanghebbende een aangifte BPM gedaan voor een Mitsubishi, type Pajero, voor een bedrag van € 3.969. De inspecteur heeft op 4 maart 2010 een naheffingsaanslag BPM opgelegd voor een bedrag van € 3.695. Op 11 maart 2010 heeft belanghebbende beide bedragen voldaan.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 4 mei 2011, het bedrag aan BPM voor de Mitsubishi berekend op € 4.832, de naheffingsaanslag verminderd tot € 863 en een proceskostenvergoeding van € 218 toegekend.

Alle hoger beroepen

1.4.

Bij uitspraak van 5 september 2012 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar van 19 april 2011 vernietigd, het bedrag aan BPM voor de Renault bepaald op € 250, de uitspraken op bezwaar van 4 mei 2011 vernietigd voor zover deze zien op de naheffingsaanslag, de naheffingsaanslagen vernietigd, belanghebbende een immateriële schadevergoeding toegekend van € 500, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ter hoogte van € 3.814, en gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht van

€ 456 vergoedt.

1.5.

De tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroepen van belanghebbende zijn bij het Hof ingekomen op 27 september 2012, aangevuld bij faxberichten van 15, 22 en 24 oktober 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij in zaak 12/760 incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 3 juni 2013 heeft het Hof een pleitnota van de gemachtigde ontvangen. Op 13 juni 2013 heeft de inspecteur een pleitnota ingezonden. Afschriften van voormelde stukken zijn aan de wederpartij gezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1. De rechtbank heeft in onderdeel 2. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“Eiser heeft aangifte BPM gedaan voor de Renault, de Maserati en de Mitsubishi voor respectievelijk € 0, € 928 (Hof: dit moet zijn € 1.050) en € 3.969. Verweerder heeft de BPM voor de drie auto’s vastgesteld op respectievelijk € 828, € 11.453 en € 7.664. Voor de Renault heeft eiser na ontvangst van een brief alsnog het door verweerder berekende bedrag op aangifte voldaan. Voor de Maserati en de Mitsubishi heeft verweerder het verschil nageheven. Eiser heeft de laatstgenoemde bedragen betaald. Na de betaling heeft verweerder aan eiser een fiscaal akkoord gegeven.”

2.1.2. Het Hof vult de feiten als volgt aan.

De gemachtigde van belanghebbende heeft voor een groot aantal belanghebbenden in totaal 3.500 tot 4.000 beroepschriften ingediend bij de diverse rechtbanken, waaronder de rechtbank Haarlem. Deze beroepen zien alle op de heffing van BPM ter zake van de registratie van (gebruikte) personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister. Voormelde procedures betreffen een beperkt aantal geschilpunten, dat in wisselende samenstelling voorkomt. In alle gevallen en in elk stadium van de procedure is verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. De werkelijke proceskosten worden door de gemachtigde niet per zaak bijgehouden, maar worden door hem gesteld op de bedragen die hij vooraf met zijn cliënten heeft afgesproken op basis van no cure no pay.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Bij het Hof is in geschil de vraag of belanghebbende gerechtigd was om bezwaar te maken tegen het bedrag dat op de aangiften is voldaan, respectievelijk tegen de naheffingsaanslagen. De inspecteur heeft in incidenteel hoger beroep gesteld dat deze bevoegdheid ontbreekt, hetgeen belanghebbende bestrijdt.

3.2.

Zo het gelijk ten aanzien van 3.1 aan belanghebbende is, stelt de inspecteur in incidenteel hoger beroep dat het oordeel van de rechtbank dat de naheffingsaanslagen in strijd met het wettelijke systeem (prematuur) zijn opgelegd, onjuist is.

3.3.

Zo het gelijk ten aanzien van 3.1 en 3.2 aan belanghebbende is, is tussen partijen in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van proceskosten dan de reeds door de rechtbank toegekende vergoeding van € 3.814, zoals belanghebbende stelt, dan wel dat belanghebbende slechts voor een (verlaagde) forfaitaire vergoeding in aanmerking komt, zoals de inspecteur bepleit.

3.4.

Belanghebbende verzoekt het Hof om hem een schadevergoeding toe te kennen op de voet van artikel 8:73 Awb.

3.5.

De inspecteur heeft in zijn incidenteel hoger beroep ook aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende heeft toegekend.

3.6 .

Voor de nadere motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil – voor zover relevant in hoger beroep- het volgende overwogen.

“4.1. De berekening van de BPM voor de Renault is niet langer in geschil. Om deze reden zal het beroep inzake de Renault (AWB 11/2802) gegrond worden verklaard. Voor de Maserati en de Mitsubishi is nog in geschil of verweerder aan eiser een naheffingsaanslag kon opleggen voordat eiser BPM op aangifte had voldaan en de desbetreffende auto was geregistreerd.

4.2.

Op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen.

4.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet BPM moet de belasting op aangifte worden voldaan. Ingevolge het tweede lid, onder a, sub 1, van dat artikel moet in afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de AWR de belasting, indien deze verschuldigd is ter zake van de registratie, worden betaald voordat het kenteken op naam is gesteld.

4.4.

Artikel 20 van de AWR laat alleen naheffing toe van belasting, die (i) verschuldigd is, en (ii) betaald had moeten worden, maar geheel of gedeeltelijk niet is betaald.

4.5.

De in artikel 6, tweede lid, van de Wet BPM opgenomen regeling houdt, voor een geval als het onderhavige, niet meer in dan dat wordt afgeweken van de in de AWR opgenomen bepalingen omtrent de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan en de verschuldigde belasting moet worden voldaan. De tekst van artikel 6, tweede lid, van de Wet BPM bevat geen afwijking van artikel 20 van de AWR. Uit artikel 6, tweede lid, van de Wet BPM volgt evenmin dat een hoger bedrag dan volgens de aangifte verschuldigd is (het hogere bedrag dat door verweerder is berekend) moet worden voldaan voordat het kenteken op naam is gesteld, behoudens mogelijk, hier niet gesteld, misbruik van de regelgeving. Voor hetgeen (materieel) meer is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens (hierna: de registratie) dan is aangegeven en betaald, volgt uit artikel 1, tweede lid, van de Wet BPM dat dat meerdere niet eerder verschuldigd is dan op het moment van de registratie. Pas dan is de BPM ter zake van de registratie (materieel) verschuldigd en pas dan kan geconstateerd worden of, en zo ja, hoeveel te weinig BPM op aangifte is voldaan. Nu, zoals geoordeeld, de BPM niet eerder (materieel) verschuldigd is dan op het moment van de registratie, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de AWR niet eerder naheffen dan na het moment van registratie, om die materieel verschuldigde belasting te formaliseren en een betalingsverplichting te doen ontstaan, en dan nog alleen indien vast staat dat de belastingplichtige te weinig belasting op aangifte heeft voldaan. De rechtbank merkt daarbij nog op dat uit de tekst van artikel 1, tweede lid en artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, sub 1, van de Wet BPM niet voortvloeit dat de daarin gestelde feiten noodzakelijkerwijze op hetzelfde tijdstip plaats moeten vinden.

4.6.

Aan hetgeen hierboven is overwogen en geoordeeld, doet niet af dat, zoals verweerder stelt, het de bedoeling van de wetgever zou zijn dat de materieel verschuldigde belasting moet zijn betaald voordat een kentekenbewijs wordt afgegeven. Uit het wettelijke systeem van heffing door middel van voldoening op aangifte volgt niet dat eiser tot betaling van een hoger dan het in de aangifte vermelde bedrag verplicht is. Zoals hierboven reeds is geoordeeld volgt uit het systeem dat de wetgever in de Wet BPM heeft neergelegd wel een afwijking van de genoemde bepalingen in de artikelen 10 en 19 van de AWR maar niet een afwijking van het bepaalde in artikel 20 van de AWR.

4.7.

Gelet op het bovenstaande zijn de naheffingsaanslagen ten onrechte opgelegd. Daaraan doet niet af dat, zoals verweerder heeft gesteld, het hem reeds bekend was dat eiser op aangifte te weinig belasting zou voldoen. Dat valt op dat moment immers nog niet met zekerheid te zeggen. Artikel 20 van de AWR biedt verweerder niet de mogelijkheid vooruit te lopen op hetgeen hij vermoedt dat de belastingplichtige zal doen. Het gelijk met betrekking tot de naheffingsaanslagen is aan eiser.

4.8.

Omdat de beroepen inzake de Maserati (AWB 11/2892) en de Mitsubishi (AWB 11/3113) reeds hierom gegrond zullen worden verklaard behoeven de overige door eiser aangevoerde grieven geen bespreking. Het standpunt van verweerder over de hoogte van de voor deze auto’s verschuldigde BPM kan in het kader van deze procedure evenmin aan de orde komen.

4.9.

Nu de rechtbank uitspraak doet binnen twee jaar na de motivering van de bezwaarschriften bestaat geen aanleiding voor een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de Renault en de Maserati. Voor de Mitsubishi is de redelijke termijn met minder dan zes maanden overschreden. Om deze reden zal de rechtbank eiser een immateriële schadevergoeding van € 500 toekennen.

5. Proceskosten

5.1.Eiser maakt aanspraak op vergoeding van de door hem werkelijk gemaakte (proces)kosten in de bezwaar- en beroepsfase ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verweerder heeft in bezwaar een vergoeding van de (proces)kosten toegekend van € 218 elk voor de Maserati en de Mitsubishi.

5.2.Bij de beoordeling dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor kosten in verband met de behandeling van een bezwaar kan - aldus het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2010, nr. 09/00370, LJN: BM7705- niet worden uitgegaan van de regel dat bij herroeping van het bestreden besluit recht bestaat op vergoeding van die kosten tenzij de noodzaak tot het maken van bezwaar uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belastingplichtige. Een dergelijke, in het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, nr. 42449, LJN AX0985, geformuleerde regel geldt slechts voor de vergoeding van kosten in verband met het voeren van een procedure voor de belastingrechter, in welk kader niet de eis wordt gesteld dat sprake moet zijn van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (vgl. artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht).

5.3.Voorts heeft te gelden dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met het recht, met zich brengt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) op grond waarvan een proceskostenvergoeding kan worden toegekend in afwijking van de forfaitaire normen. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. onder meer HR 13 april 2007, nr. 41235, LJN:BA2802).

5.4.Naar het oordeel van de rechtbank is -gelijk eiser betoogt- de werkwijze van verweerder waarbij door hem een naheffingsaanslag wordt opgelegd voordat de BPM (materieel) verschuldigd is zo zeer in strijd met het wettelijke systeem van heffing door middel van voldoening of afdracht op aangifte dat te dezen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, waarbij op het moment van opleggen van de naheffingsaanslagen duidelijk moet zijn geweest dat die handelwijze in rechte geen stand zou houden. Een en ander klemt te meer, nu eiser min of meer gedwongen was de naheffingsaanslagen te voldoen, omdat anders geen kenteken voor de auto’s zou worden afgegeven (vgl. Hof Arnhem 20 juli 2010, nr. 10/00108, LJN: BN5130).

5.5.Gelet hierop bestaat grond om -op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit- de door eiser in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte (proces)kosten te vergoeden in afwijking van de forfaitaire normen van het Besluit.

5.6.

Eiser heeft in beroep gesteld dat de werkelijke (proces)kosten per zaak in totaal

€ 2.500 exclusief btw belopen, te weten € 1.125 voor de bezwaarfase en € 1.375 voor de beroepsfase. Verweerder heeft gesteld dat de werkwijze van de gemachtigde -eerst per fax de brieven verzenden en daarna per post- heeft geleid tot hogere kosten en dat die niet voor rekening van de Belastingdienst kunnen komen. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat de werkelijke kosten lager zijn dan begroot omdat de gemachtigde ongeveer 3.500 min of meer vergelijkbare zaken aanhangig heeft gemaakt. De processtukken die in deze zaken worden ingediend zijn min of meer identiek met een paar kleine aanpassingen. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat de Belastingdienst weigert om over een redelijke vergoeding voor alle zaken te onderhandelen. De gemachtigde heeft voorts aangegeven dat hij met eiser een no cure/no pay-afspraak heeft gemaakt.

5.7.

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, acht de rechtbank een vergoeding van € 2.500 niet in overeenstemming met de werkelijk gemaakte kosten. De gemachtigde voert namelijk een groot aantal zaken, die op min of meer gelijke standpunten berusten, onderverdeeld in een aantal varianten. Gelet op de afspraak die eiser en de gemachtigde hebben gemaakt dienen de werkelijke kosten te worden berekend aan de hand van de bestede tijd van de gemachtigde en diens kantoorgenoten. De rechtbank gaat, tenzij anders vermeld, uit van een gemiddeld uurtarief van € 200, waarin de kantoorkosten zijn begrepen. De rechtbank berekent de werkelijke kosten voor de drie zaken gezamenlijk in goede justitie als volgt:

Aanpassen bezwaarschriften € 900

Aanpassen beroepschriften € 1.500

Aanpassen pleitnota’s € 600

Verschijnen ter zitting (5 uur à € 250) € 1250

Totaal: € 4.250

5.8.Eiser komt als ondernemer in aanmerking voor verrekening van de in rekening gebrachte omzetbelasting. Gelet op een en ander acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiser, vastgesteld op € 4.250 exclusief btw ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep. De al toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 436 dient met dit bedrag te worden verrekend.”

5 Beoordeling van het geschil

Bezwaargerechtigheid

5.1.

In artikel 7 van de Wet BPM is bepaald dat indien de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, die ander gehouden is de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. In casu heeft belanghebbende namens een derde het kenteken aangevraagd en was zij uit dien hoofde degene die de verschuldigde belasting namens de (toekomstige) kentekenhouder op aangifte had behoren te voldoen. De verschuldigde belasting is evenwel voldaan door de kentekenhouder zelf en niet door belanghebbende namens de kentekenhouder. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende daarom niet het recht toekomt om bezwaar te maken tegen het belastingbedrag dat op aangifte is voldaan, zodat zij alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaar. Het Hof volgt de inspecteur hierin niet. Naar ’s Hofs oordeel kan uit het arrest Hoge Raad 29 augustus 2000, nr. 35501, ECLI:NL:HR:2000:AA6929 genoegzaam worden afgeleid dat zowel de aangever als de kentekenhouder de mogelijkheid heeft om bezwaar te maken tegen het bedrag dat op aangifte is voldaan. De enkele omstandigheid dat de verschuldigde belasting is voldaan door de kentekenhouder en niet door de aangever namens de kentekenhouder noopt niet tot een ander oordeel.

5.2.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat belanghebbende als aangever bevoegd was met de inspecteur ter zitting bij de rechtbank een compromis te sluiten over de berekening van de BPM voor de Renault. Nu niet is gesteld of gebleken dat aan het compromis gebreken kleven die de rechtsgeldigheid kunnen aantasten, is de inspecteur gebonden aan het in de zaak 12/00759 tussen partijen gesloten compromis.

5.3.

Voor zover aan belanghebbende naheffingsaanslagen BPM zijn opgelegd bestaat voor haar op grond van het bepaalde in de artikelen 8:1 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de mogelijkheid om bezwaar te maken.

De stelling van de inspecteur in incidenteel appel dat belanghebbende niet bezwaargerechtigd was, vindt derhalve geen steun in het recht.

Naheffingsaanslagen – zaaknrs. 12/00760 en 12/00761

5.4.

In zijn arrest van 28 juni 2013, nr. 12/00400, ECLI:NL:HR:2013:64, heeft de Hoge Raad – anders dan de rechtbank in zijn bestreden uitspraak – geoordeeld dat, ingeval met het oog op het in artikel 1, lid 2, van de Wet BPM omschreven belastbare feit (registratie in het kentekenregister) aangifte is gedaan en het bedrag van de aangifte is voldaan, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan naheffen voor zover het bedrag dat is betaald minder is dan het bedrag dat behoorde te zijn betaald, ook reeds voordat de registratie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daaraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat, zoals in dit geval, de belanghebbende het bedrag van de aangifte niet daadwerkelijk bij het doen van de aangifte heeft betaald, maar met toestemming van de belastingdienst op een later tijdstip. Hieruit volgt dat de incidentele hoger beroepen van de inspecteur in zoverre gegrond zijn.

5.5.

In voormeld arrest heeft de Hoge Raad zich tevens uitgelaten over de door belanghebbende in eerste aanleg betrokken stelling dat de naheffingsaanslagen ten onrechte aan haar bekend zijn gemaakt door de inspecteur en niet, zoals artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) voorschrijft, door de ontvanger, en dat dit tot gevolg moet hebben dat de naheffingsaanslagen worden vernietigd. Deze grief is door de Hoge Raad verworpen. Ingevolge artikel 5, lid 1, eerste volzin, AWR geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De omstandigheid dat een door de inspecteur opgemaakt aanslagbiljet vervolgens aan de belastingschuldige bekend is gemaakt op een andere wijze dan is voorzien in artikel 8, lid 1, IW 1990, doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de uit dat biljet blijkende belastingaanslag. Hetzelfde heeft naar ’s Hofs oordeel te gelden voor de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat op de aanslagbiljetten geen termijn van betaling is vermeld.

5.6.

Uit vorenoverwogene volgt dat het de rechtbank de naheffingsaanslagen ten onrechte heeft vernietigd.

5.7.

Belanghebbende heeft in eerste aanleg tevens bepleit dat de naheffingsaanslag voor de Maserati dient te worden verminderd, omdat het nageheven bedrag zijns inziens ten onrechte is berekend met toepassing van de 12%-regeling (inkoopwaarde nieuw). Nu genoemde berekeningsmethode door de Hoge Raad onverbindend is verklaard in zijn arrest van 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012: BV7393, is het beroep in eerste aanleg in zoverre gegrond. De verschuldigde BPM voor de Maserati bedraagt zonder toepassing van de 12%-regeling € 3.969, zodat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 2.919.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase en eerste aanleg - zaak 12/00759 (Renault)

5.8.

Belanghebbende stelt dat de rechtbank hem voor de bezwaar- en beroepsfase een integrale vergoeding van de gemaakte kosten had moeten toekennen, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.9.

Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorziet uitsluitend in een vergoeding van de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijze heeft moeten maken voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het bezwaar van belanghebbende niet is gericht tegen een besluit van de inspecteur, maar tegen het BPM-bedrag dat belanghebbende zelf heeft berekend en op aangifte heeft voldaan, dient de aanspraak van belanghebbende op enige kostenvergoeding voor de bezwaarfase reeds op die grond te worden verworpen. De omstandigheid dat de Hoge Raad nadien heeft geoordeeld (vgl. HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393) dat de bepalingen op grond waarvan belanghebbende de verschuldigde BPM heeft berekend (artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM en artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling BPM) in strijd zijn met artikel 110 VWEU en deze bepalingen daarom in zoverre buiten toepassing dienen te blijven, kan evenmin tot het oordeel leiden dat sprake is van een besluit van de inspecteur.

Ook als dit anders zou zijn, is geen sprake van aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

Er bestaat derhalve geen grond voor toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

5.10.

Het Hof stelt voorop dat de omstandigheid dat partijen ter zitting bij de rechtbank een compromis hebben bereikt over het verschuldigde BPM-bedrag (€ 250) voor de Renault niet in de weg staat aan de toekenning van een proceskostenvergoeding (vgl. HR 16 november 2012, nr. 12/01508). Voor de toekenning van een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding is evenwel vereist dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’. Naar ’s Hofs oordeel is in het onderwerpelijke geval geen sprake van ‘bijzondere omstandigheden’ die een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire vergoeding kunnen rechtvaardigen, zodat de rechtbank ten onrechte een hogere vergoeding heeft toegekend. Hieruit volgt dat het hoger beroep van belanghebbende faalt en dat het incidenteel hoger beroep van de inspecteur in zoverre slaagt.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase en eerste aanleg - zaken 12/00760 en 12/00761

5.11.

Uit het arrest Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 12/00400, ECLI:NL:HR:2013:64 volgt dat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – de naheffingsaanslagen voor de Maserati en de Mitsubishi niet prematuur zijn opgelegd. Ook anderszins is er naar ’s Hofs oordeel geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht op grond waarvan door de rechtbank een hogere proceskostenvergoeding kon worden toegekend voor de bezwaar- en beroepsfase, in afwijking van de forfaitaire normen. Hieruit volgt dat het hoger beroep van belanghebbende faalt en dat het hoger beroep van de inspecteur in zoverre slaagt.

Immateriële schadevergoeding

5.12.

Uit hetgeen is overwogen onder 5.1, 5.2 en 5.3 volgt dat belanghebbende partij is bij het onderwerpelijke geschil, zodat de rechtbank kon besluiten hem in zaak 12/00761 een immateriële schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaarschrift. De omstandigheid dat de gemachtigde voor belanghebbende procedeert op basis van ‘no cure no pay’ is naar ’s Hofs oordeel onvoldoende om belanghebbende het recht op een immateriële schadevergoeding te ontzeggen.

5.13.

De inspecteur heeft gesteld dat de lange duur van de bezwaarprocedure mede te wijten is aan de gemachtigde. Hij verwijst in dat kader naar de vanaf medio 2011 lopende besprekingen ten einde tot een oplossing in de vorm van een vaststellingsovereenkomst te komen voor de bezwaarschriften ingediend voor 1 juli 2011. De inspecteur stelt dat de periode van 17 februari 2012, de datum vaststellingsovereenkomst, tot aan de reactie van de gemachtigde op 25 mei 2012, niet mag worden meegerekend voor de vaststelling

van de behandelduur van het bezwaarschrift. Het Hof oordeelt evenwel dat in deze zaak reeds op 3 maart 2010 het bezwaarschrift is ingediend en dat de inspecteur reeds op 4 mei 2011 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, zodat dat de door de inspecteur genoemde omstandigheden dateren van na de onderhavige bezwaarprocedure. De ingewikkeldheid van de materie en het grote aantal aanhangige gemaakte bezwaren kunnen weliswaar omstandigheden zijn die hebben geleid tot een lange behandelduur aan de kant van de inspecteur, maar het Hof ziet daarin in deze zaak geen rechtvaardiging voor de ruime overschrijding van de termijn van de onderliggende bezwaarprocedure. De inspecteur heeft ter zake geen andere aan belanghebbende te wijten omstandigheden gesteld. Het Hof is daarom van oordeel dat de beslissing van de rechtbank inhoudende de toekenning van een immateriële schadevergoeding op goede gronden is genomen. Het incidenteel appel ter zake dient te worden verworpen.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat het incidentele hoger beroep van de inspecteur gedeeltelijk slaagt.

6 Kosten

6.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van de proceskosten in hoger beroep op grond van artikel 8:75 van de Awb, daar de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn.

6.2.

Nu, gelet op het vorenoverwogene, de bij de rechtbank ingediende beroepen in zaak 12/00759 en 12/00760 gegrond zijn, komt belanghebbende voor deze zaken in aanmerking voor een forfaitaire proceskostenvergoeding. Ter zake overweegt het Hof als volgt.

6.3.

Voor het bepalen van de omvang van de kostenvergoeding acht het Hof het volgende van belang:

1. De gemachtigde verleent, naar hij ter zitting heeft bevestigd, in de beroepsfase rechtsbijstand in 3500 à 4000 zaken. In de bezwaarfase heeft belanghebbende rechtsbijstand verleend in circa 8.750 zaken.

2. Alle zaken betreffen een beperkt aantal geschilpunten, in wisselende combinaties. Deze geschilpunten zijn zuiver juridisch van aard: er bestaat tussen partijen geen verschil van inzicht over de relevante feiten.

3. Alle stukken zijn per beroepszaak apart ingediend, doch zijn – per thema – vrijwel identiek (knippen en plakken).

4. In de bezwaarfase hebben voor 8.750 bezwaarschriften twee hoorgesprekken plaatsgevonden.

5. Reeds omdat niet alle voormelde zaken (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend is met betrekking tot de gehele groep van zaken geen sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

6.4.

Het Hof is van oordeel dat het op grond van de voornoemde punten nagenoeg onmogelijk en gelet op de strekking van het Bpb ook niet wenselijk is om de vergoeding van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in elke individuele zaak te berekenen op de voet van de bijlage bij het Bpb, omdat een berekening op de voet van de bijlage zou leiden tot een vergoeding die de werkelijke kosten overtreft. Het Hof ziet hierin reden om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb.

6.5.

Bij bijzondere omstandigheden kan ingevolge deze bepaling worden afgeweken van de op basis van de bijlage bij het Bpb (het puntensysteem) te berekenen kosten. Het Hof zal zich niettemin wel op dat puntensysteem oriënteren en er daarbij naar streven te komen tot een proceskostenveroordeling die recht doet aan de strekking van het Bpb. Het Hof zal er daarbij voorts naar streven om overeenkomstig die strekking op forfaitaire wijze een vergoeding toe te kennen in de totale kosten van de beroepsmatig door de betrokken gemachtigde verleende rechtsbijstand.

6.6.

Nu belanghebbende desgevraagd onvoldoende inzicht heeft kunnen geven in de werkelijke kosten van de door hem verleende rechtsbijstand kan het Hof niet door middel van enige berekening bepalen welke vergoeding recht doet aan de strekking van het Bpb. Het Hof zal de hoogte van de vergoeding daarom in goede justitie vaststellen door de proceskostenvergoeding te berekenen aan de hand van de bijlage bij het Bpb en de uitkomst van deze berekening vervolgens met een factor 0,25 te vermenigvuldigen.

6.7.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand in beroep bij de rechtbank. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 4 [beroepschrift 2x, zitting 2x] x € 472 x [1] (wegingsfactor) x 0,25 (bijzondere omstandigheden) = € 472, zijnde € 236 per zaak.

7 Materiële schadevergoeding

Nu de mogelijkheid niet uitgesloten kan worden dat de door belanghebbende gestelde schade mede voortvloeit uit andere omstandigheden dan de vernietigde c.q. verminderde besluiten, zal het Hof het verzoek om schadevergoeding niet zelf afdoen. Belanghebbende zal zich ter zake daarvan tot de civiele rechter moeten wenden.

8 Beslissing

12/00759

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend voor zover deze de proceskostenveroordeling betreft en

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 236.

12/00760

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens het oordeel over het griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de naheffingsaanslag;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.919 en

-veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 236.

12/00761

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de toekenning van de immateriële schadevergoeding en

- verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en G.D. van Norden, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 17 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.