Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3476

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
200.104.839-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Artikel 1 sub b onder 2 BBA. Waren niet meer dan twee helpers bij de arbeid ingeschakeld?

Wetsverwijzingen
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/61
JAR 2014/48
AR-Updates.nl 2014-0035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer hof: 200.104.839/01

rolnummer rechtbank: 1139353 CV EXPL 10-10997 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 oktober 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. R.G.E. de Vries te Diemen,

tegen

de stichting STICHTING EPAFRAS,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. K. Zeylmaker te Breda.

Partijen zullen hierna [appellant] en Epafras worden genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 23 februari 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 25 november 2011, onder voornoemd rolnummer gewezen tussen Epafras als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

De comparitie na aanbrengen, bij arrest van 17 april 2012 bepaald op 1 juni 2012, heeft op verzoek van beide partijen niet plaatsgevonden. Ten behoeve van die comparitie had [appellant] nadere producties overgelegd (nummers 22 tot en met 31, waarbij het hof opmerkt dat de conclusie na enquête zijdens [appellant] ook al een productie 22 bevat).

Partijen hebben vervolgens de volgende stukken gewisseld:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 27 augustus 2013 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten. Deze deden dit beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. [appellant] heeft bij gelegenheid van de pleidooien nog nadere producties aan het hof overgelegd.

[appellant] heeft - zakelijk weergegeven en zoals bij pleidooi nader toegelicht - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis (hierna ook: het eindvonnis) zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de conventionele vorderingen van Epafras zal afwijzen en de primaire reconventionele vordering van [appellant], zoals in de memorie van grieven sub 21 vermeerderd, zal toewijzen, met veroordeling van Epafras in de kosten van beide instanties.

Epafras heeft geconcludeerd dat het hof het eindvonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] - naar het hof begrijpt - in de kosten van het hoger beroep.

Vervolgens is arrest gevraagd.

2 De feiten

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 8 oktober 2010 (hierna: het tussenvonnis) onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten als vaststaand opgesomd. Dat tussenvonnis is in dit hoger beroep niet in geschil (en derhalve evenmin de bewuste feiten), zodat het hof eveneens van die feiten zal uitgaan.

3 De beoordeling

3.1

Epafras houdt zich bezig met hulpverlening van Nederlandse gedetineerden in het buitenland. Ten behoeve van die gedetineerden brengt Epafras vier keer per jaar het blad ‘Gezant uit Nederland’ uit in een oplage van 3000 exemplaren. Vanaf december 2005 heeft Epafras [appellant] opdracht verstrekt tot het vervaardigen van voornoemd blad. Epafras heeft de relatie met [appellant] per 1 januari 2010 beëindigd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de relatie tussen hem en Epafras een arbeidsverhouding is in de zin van artikel 1 sub b onder 2 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) en dat Epafras de relatie niet rechtsgeldig heeft beëindigd (want zonder toestemming daartoe van het UWV Werkbedrijf verkregen te hebben). Epafras heeft in deze procedure een verklaring voor recht gevraagd dat van een arbeidsverhouding als door [appellant] gesteld geen sprake is geweest. In reconventie heeft [appellant], voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd dat Epafras wordt veroordeeld tot doorbetaling van het loon (plus wettelijke rente en, bij eisvermeerdering in hoger beroep, wettelijke verhoging). In het tussenvonnis is de kantonrechter, om de in dat vonnis onder 8.2 genoemde redenen, er voorshands van uit gegaan dat [appellant] niet gekwalificeerd kan worden als een ‘werknemer’in de zin van voornoemde bepaling en is [appellant] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen hetgeen in dat vonnis voorshands als vaststaand werd aangenomen. Bij het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat uit verklaringen van twee van de door [appellant] voorgedragen getuigen blijkt dat [appellant] zich bij het vervaardigen van het blad liet bijstaan door meer dan twee helpers, zodat - aldus de kantonrechter - aan de in artikel 1 sub b onder 2 BBA gestelde (cumulatieve) voorwaarde dat niet meer dan twee helpers bij de arbeid worden ingeschakeld niet is voldaan. Om die reden heeft de kantonrechter de door Epafras gevorderde verklaring voor recht gegeven en de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3.2

De grieven strekken ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat terzake niet aan de zojuist genoemde voorwaarde is voldaan. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.3

Voor zover de grieven beogen te betogen dat de [appellant] verstrekte opdracht slechts betrekking had op de werkzaamheden van hoofdredacteur en die van vormgever (in welk geval de vraag zou zijn of [appellant] zich bij die werkzaamheden door meer dan twee helpers heeft laten bijstaan), stranden zij reeds op de vaststelling in het (niet in het hoger beroep) betrokken tussenvonnis dat de opdracht die door Epafras destijds aan [appellant] is verstrekt inhield dat [appellant] het blad ‘Gezant uit Nederland’ (hierna: het blad) zou vervaardigen. Deze vaststelling strookt overigens ook met de door [appellant] in de processtukken ingenomen standpunten op dit punt, te weten dat hij sinds december 2005 de opdracht had “voor de volledige productie van het blad, behoudens de drukwerkzaamheden” (zie de conclusie van antwoord sub 3) en dat hij de opdracht “voor de volledige productie van het blad” verkreeg (conclusie van dupliek, p. 2, midden). Ook tijdens de pleidooien in hoger beroep heeft de advocaat van [appellant] meerdere keren betoogd dat aan [appellant] de opdracht tot productie van het blad was verstrekt (zie de pleitnotities van mr. De Vries sub 1 en onder de conclusie, derde alinea; zie in dit verband ook die notities sub 23 en 26).

3.4

De vraag is daarom of [appellant] zich bij het vervaardigen/het produceren van het blad door meer dan twee helpers (niet zijnde gezinsleden) liet bijstaan. Evenals de kantonrechter beantwoordt het hof die vraag bevestigend. Daartoe dient het volgende.

3.4.1

Niet in geschil is dat in de periode dat [appellant] het blad produceerde ten minste de volgende personen - naast [appellant] zelf - bijdragen voor het blad aanleverden: striptekenaar [X], sportjournalist [Y], een ex-gedetineerde genaamd [Z], de advocaat [R] en [S], later opgevolgd door [U], als schrijvers van een pastorale bijdrage.

3.4.2

[appellant] betaalde voornoemde [Y] eerst € 50 en later € 60,- per bijdrage “uit eigen zak”. De andere genoemde personen leverden hun bijdragen kosteloos. Het hof volgt [appellant] niet in zijn stellingname dat voor het zijn van “helper” in de zin van artikel 1 sub b onder 2 BBA noodzakelijk is dat betrokkene voor zijn werkzaamheden wordt betaald. Noch in de tekst noch in de ratio van de bepaling (die beoogt - naast de werknemer in de zin van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek - een “werknemer-achtige” te definiëren) ziet het hof aanleiding tot een zodanige (verstrekkende) aanvullende eis voor de inwerkingtreding van de in genoemde bepaling omschreven, hier besproken uitzonderingssituatie.

3.4.3

[appellant] heeft nog aangevoerd dat een aantal van de onder 3.4.1 genoemde personen niet door hem waren aangezocht om bijdragen te leveren, maar uit de koker van Epafras kwamen. Ook dat acht het hof in dit kader niet van belang. Kennelijk maakte dit onderdeel uit van de aan [appellant] verstrekte opdracht en het doet aan het feit dat [appellant] werd bijgestaan bij het vervullen van die opdracht (het vervaardigen/ produceren van het blad) niet af. Dit zou mogelijk anders zijn als [appellant] in staat zou zijn geweest de bijdragen op de desbetreffende gebieden zelf te schrijven, hij dit aan Epafras voorgelegd zou hebben en Epafras hem dit geweigerd zou hebben, maar een en ander is gesteld noch gebleken.

3.5

Op grond van het vorenstaande komt ook het hof tot het oordeel dat [appellant] geen werknemer is in de zin van het BBA. Het eindvonnis zal dan ook worden bekrachtigd en [appellant] zal in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Epafras tot op heden begroot op € 666,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, D.J. van der Kwaak en R.T. Terpstra en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 22 oktober 2013.