Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3468

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
18-11-2013
Zaaknummer
10/00961
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1004
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

In geschil is of het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Al hetgeen door de inspecteur is aangevoerd geeft enkel de gebruikelijke gang van zaken bij verzending van uitspraken op bezwaar weer en werpt daarom geen licht op de vraag of de onderwerpelijke uitspraak op bezwaar is verzonden. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige uitspraak op bezwaar op of omstreeks 3 januari 2008 ter post is bezorgd.

Beroep gegrond. Verwijzing naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2867
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00961

17 oktober 2013

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigden: mr. J.A. Meijer en mr. O. Huisman,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/8422 van de rechtbank ’s-Gravenhage in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Den Haag,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 14 december 2006 voor het jaar 2003 aan belanghebbende een ambtshalve aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Bij beschikking is een boete van € 113 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de boete een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak met dagtekening 3 januari 2008 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft op 19 november 2008 tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 28 april 2009 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Gerechtshof ’s-Gravenhage ingekomen op 6 mei 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 9 oktober 2009 de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 24 december 2010 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) of) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.5.

Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 2 februari 2011, aangevuld bij brief van 1 augustus 2011. Belanghebbende heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij brief van 2 mei 2011, aangevuld bij brief van 22 juni 2011. Afschriften van de brieven zijn aan de wederpartij gezonden.

1.6.

Op 24 april 2013 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Het onderzoek in de onderwerpelijke zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaken met kenmerk 10/00962 en kenmerk 10/00963. De zitting is geschorst teneinde [inspecteur B] te horen. Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 juni 2013. Van het verhandelde ter zitting en het getuigenverhoor zijn processen-verbaal opgemaakt die aan partijen zijn gezonden.

2 Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 december 2010 het volgende overwogen:

“3.1. Voor het Hof heeft belanghebbende onder meer gesteld dat de uitspraken op bezwaar niet zijn verzonden, zodat geen beroepstermijn is aangevangen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs is te concluderen dat de uitspraken op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem ambtshalve opgelegde aanslag en de daarbij opgelegde verzuimboete - met dagtekening 3 januari 2008 - op regelmatige wijze zijn verzonden. Ter ondersteuning daarvan heeft het Hof verwezen naar in het bijzonder de correspondentie voorafgaande aan de verzending van de uitspraken en telefonische contacten op 3 januari 2008.

3.2.

Het eerste middel dat erover klaagt dat het hiervoor in 3.1 vermelde oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, slaagt. De door het Hof in het bijzonder vermelde omstandigheden werpen geen licht op de vraag of de uitspraken zijn verzonden.

3.3.

De uitspraak van het Hof kan, gelet op het in 3.2 overwogene, niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling.”

3 Feiten

3.1.

Het Hof gaat uit van de volgende door het Gerechtshof ’s-Gravenhage vastgestelde feiten:

“3.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aangiftebiljet voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgereikt. Belanghebbende heeft het biljet niet op de wettelijk voorgeschreven wijze ingevuld aan de Inspecteur teruggezonden.

3.2.

In verband daarmee heeft de Inspecteur ambtshalve naar een geschat belastbaar bedrag aan inkomen uit werk en woning een aanslag opgelegd. Ook heeft hij een verzuimboete van € 113 opgelegd.

3.3.

Namens belanghebbende heeft [oud gemachtigde] tijdig bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de boetebeschikking.

3.4.

Belanghebbende is tot eind 2003 eigenaar van [schoonmaakbedrijf], een schoonmaakbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. De Inspecteur heeft een boekenonderzoek inzake de loonbelasting/premie volksverzekeringen laten instellen. Aanleiding daartoe was de constatering dat in de jaren 2000 tot en met 2003 de loonkosten zijn teruggelopen in vergelijking tot de (gestegen) omzet.

3.5.

Op 22 oktober 2007 is het controlerapport aan belanghebbende gezonden. Op 22 november 2007 is de Inspecteur bericht dat mr. J.A. Meijer (de huidige gemachtigde) is ingeschakeld voor het geschil. Op 29 november 2007 heeft belanghebbende een eerste gesprek op het kantoor van de huidige gemachtigde.

3.6.

De Inspecteur, in de persoon van [inspecteur B], heeft bij brieven van 26 oktober 2007, van 19 november 2007 en van 13 december 2007 een herhaald verzoek gedaan informatie te geven over de ingediende bezwaarschriften tegen de ambtshalve opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende en van diens echtgenote. De brieven zijn gericht aan [adres], ter attentie van [oud gemachtigde]. In de brief van 13 december 2007 is - voor zover hier van belang - de volgende passage opgenomen:

”Tijdens het telefoongesprek van 22 november 2007 heeft u bij herhaling toegezegd dat u na het bezoek aan de advocaat (kantoor Meijer te Den Haag) op donderdag 29 november 2007 mij telefonisch zou berichten en daarbij tevens zou overgaan tot het verstrekken van alle gevraagde informatie. Tot op heden heeft u de gevraagde informatie niet verstrekt.”

3.7.

Op 3 januari 2008 heeft [oud gemachtigde] telefonisch contact opgenomen met de Inspecteur. Op een door de Inspecteur overgelegde kopie van de brief van 13 december 2007 zijn handgeschreven aantekeningen van [inspecteur B] geplaatst inzake een telefonisch contact die dag om 11.00 uur ’s ochtends met de strekking een verzoek om nader uitstel vanwege het verblijf van belanghebbende in het buitenland. Tevens is melding gemaakt van een telefonisch contact van [inspecteur B] met [oud gemachtigde] later die dag waarin het verzoek om nader uitstel na intern overleg is afgewezen.

3.8.

In de uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 januari 2008 is - voor zover hier van belang - vermeld:

”In mijn brieven van 27 juni 2007, 26 oktober 2007, 19 november 2007 en 13 december 2007 heb ik u bij herhaling verzocht informatie te geven over het door u ingediende bezwaarschrift. Tijdens het telefoongesprek van 22 november 2007 heeft u bij herhaling toegezegd dat u na het bezoek aan de advocaat (kantoor Meijer te Den Haag) op donderdag 29 november 2007 mij telefonisch zou berichten en daarbij tevens zou overgaan tot het verstrekken van alle gevraagde informatie. Voor de allerlaatste maal is daarbij uitstel verleend tot en met 3 januari 2008. Hedenmorgen heeft u mij wederom gebeld met de mededeling dat u de gevraagde informatie (nog) niet kon leveren. Na intern beraad heb ik besloten geen verder uitstel meer te verlenen en uw bezwaar af te wijzen. Ik heb u mijn beslissing - overeenkomstig mijn brief van 13 december 2007 - hedenmiddag telefonisch nogmaals kenbaar gemaakt.”

3.9.

De huidige gemachtigde van belanghebbende heeft met dagtekening 16 oktober 2008 een brief verzonden aan [ontvanger], ontvanger en werkzaam bij de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Den Haag. In de brief is - voor zover hier van belang - vermeld:

”Uw informatie, dat er geen bezwaar (meer) in behandeling is [is] niet correct en ik verzoek u e.e.a. na te zien en te corrigeren. De vergissing heeft bij cliënt geleid tot grote onzekerheid en ik meen, dat dit voorkomen moet worden.”

3.10.

Op 29 februari 2008 dient [oud gemachtigde] een bezwaarschrift in tegen de aan belanghebbendes echtgenote opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005.

3.11.

Op 10 maart 2008 heeft [oud gemachtigde] namens belanghebbende en namens diens echtgenote de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 ingediend.”

3.2.

Het Hof voegt de volgende ambtsedige verklaringen toe.

“Ondergetekende,[H],

Ambtenaar van de Belastingdienst / Centrum Facilitaire Diensten, werkzaam als 1e medewerker postkamer bij de Belastingdienst Haaglanden, kantoor Den Haag.
Verklaart op de belofte bij de aanvang zijner bediening afgelegd.

Uitgaande postverwerking Belastingdienst Haaglanden, Prinsenhof te Den Haag. Voorheen zat de Belastingdienst op het Stationsplein 75 te Den Haag.

De handelswijze betreffende de uitgaande post in het Prinsenhof, is dezelfde als op het Stationsplein 75 te Den Haag.

De verwerking gaat als volgt, de Belastingdienstambtenaar, deponeert zijn uitgaandepost dagelijks in de daarvoor bestemde uitgaandepostkast die tegenover de liften staan.

De postkamermedewerkers lopen 2x daags 5 dagen in de week een postronde, de 1e postronde om 10:00 uur en de 2e postronde om 14:00 uur.

De postkasten worden 2x daags helemaal leeg gehaald, en alle post word dagelijks door de TNT opgehaald.

Den Haag, 03-02-2011

w.g.[H]
(1e medewerker postkamer)”

“Ondergetekende, [inspecteur B],

ambtenaar van de Belastingdienst/Haaglanden Kantoor Den Haag, werkzaam als kantoortoetser (F-er) inkomstenbelasting, verklaart op de belofte bij de aanvang zijner bediening afgelegd, met betrekking tot het versturen van correspondentie per post op 3 januari 2008 aangaande [belanghebbende] en [echtgenote], het volgende:

1. Blijkens een door mij op 3 januari 2008 op mijn brief van 13 december 2007 gemaakte aantekening ben ik op 3 januari 2008 circa 11:00 uur telefonisch benaderd door de [oud gemachtigde]. De heer [oud gemachtigde] is mij op dat moment bekend als de gemachtigde, boekhouder c.q. fiscaal adviseur en indiener van een tweetal bezwaarschriften IB/PVV 2003 ten name van [belanghebbende] en [echtgenote].

Het gaat om de volgende aantekening:

-3 JAN 2008 ca 11.00 gebeld door adv. [oud gemachtigde]. Heeft bescheiden (akte's?) niet. [belanghebbende] is in btl. -> komt woensdag 9-1-'08 terug - Kan hij het vrijdag 11-1-'08 hebben.
* afspr. Ik overleg voor dit verzoek om uitstel met [inspecteur C] (mijn paraaf)

2. Blijkens een door mij op 3 januari 2008 op mijn brief van 13 december 2007 gemaakte aantekeningen heb ik op 3 januari 2008 het verzoek van de heer [oud gemachtigde] besproken met mijn collega, de heer [inspecteur C].

Het gaat om de volgende aantekening:
-3 JAN 2008 besproken met [inspecteur C]: Handhaven. Evt bij ant. Beroep – AH herziening

Ik verklaar dat deze aantekening authentiek is en naar waarheid is opgetekend.

3. Op 3 januari 2008 heb ik [oud gemachtigde] teruggebeld en hem kenbaar gemaakt dat ik -na overleg met mijn collega [inspecteur C]- hem geen verder uitstel verleen voor het aanleveren van bescheiden, dat ik dezelfde dag (3 januari 2008) uitspraak op bezwaar zal doen voor [belanghebbende] en [echtgenote] en de uitspraken naar hem zal opsturen. Dit blijkt uit de 4e alinea van mijn uitspraak op het bezwaarschrift van 3 januari 2008.

Ik verklaar dat deze tekst authentiek is en naar waarheid is opgetekend.

4. De beide uitspraken op de ingediende bezwaarschriften IB/PVV 2003 ten name van [belanghebbende]
en [echtgenote] heb ik in de middag van 3 januari 2008 gelegd in het postvakje voor uitgaande post in de daarvoor bestemde postkast.

5. Zoals te doen gebruikelijk heb ik -eveneens- op 3 januari 2008 om 15:17 uur per e-mail (met beide handhaafbrieven als bijlagen) de ontvanger geïnformeerd over de beslissing van de inspecteur op de ingediende bezwaarschriften waarvoor uitstel van betaling was verleend. (Bijlage 1)

Den Haag, 2 februari 2011

w.g. [inspecteur B]”

4 Geschil in hoger beroep na verwijzing

In geschil is of het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inspecteur de uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 januari 2008 op of rond de datum van dagtekening heeft verzonden zodat belanghebbende niet binnen de in de wet gestelde termijn beroep heeft ingediend, hetgeen de inspecteur stelt, doch belanghebbende bestrijdt.

5 Standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting

Voor de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar de gedingstukken.

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen voor de beantwoording van de vraag of de inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de uitspraak op bezwaar is verzonden. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat de door het Gerechtshof

’s-Gravenhage vermelde omstandigheden geen licht werpen op het antwoord op deze vraag.

6.2.

De tot de stukken van het geding behorende getuigenverklaring van [H], medewerker postkamer, alsmede de getuigenverklaring ter zitting van [inspecteur B], de bezwaarbehandelaar, geven enkel de gebruikelijke gang van zaken bij verzending van uitspraken op bezwaar weer en werpen daarom geen licht op de vraag of de onderwerpelijke uitspraak is verzonden. De inspecteur heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige uitspraak op bezwaar op of omstreeks 3 januari 2008 ter post is bezorgd.

6.3.

Ingevolge artikel 26c van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vangt, in afwijking van artikel 6:8 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Nu de inspecteur, zoals in 6.2. overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige uitspraak daadwerkelijk op of rond 3 januari 2008 is verzonden, is de beroepstermijn - conform hetgeen partijen ter zitting bij het Hof hebben verklaard - aangevangen op 10 november 2011. Het beroep is aldus binnen de in artikel 6:6 van de Awb gestelde termijn van zes weken ingediend.

6.4.

Het vorenoverwogene brengt het Hof tot de conclusie dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

6.5.

Belanghebbende stelt dat de zaak teruggewezen dient te worden naar de inspecteur omdat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden en hij anders benadeeld wordt in zijn rechtspositie.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling. Uit artikel 7:2 van de Awb in verbinding met artikel 25, eerste lid, van de AWR volgt dat een belanghebbende, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord alvorens de inspecteur op het bezwaar beslist. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase een verzoek heeft gedaan te worden gehoord. Het Hof acht om die reden de hoorplicht niet geschonden. De omstandigheid dat er mede een boete van € 113 in het geding is, maakt dit naar het oordeel van het Hof niet anders.

Nu aan de uitspraak op bezwaar een inhoudelijke behandeling van de inspecteur ten grondslag lag, ziet het Hof ook in hetgeen overigens door belanghebbende is aangevoerd geen reden om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur. Het feit dat belanghebbende, na daartoe meermaals verzocht te zijn, heeft verzuimd om in de bezwaarfase relevante informatie te verstrekken blijft voor rekening van belanghebbende.

Het Hof zal de zaak op grond van artikel 27q, eerste lid, onderdeel a, van de AWR (thans: artikel 8:115 Awb eerste lid, onderdeel a, van de Awb) terugwijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling.

6.6.

Het Hof dient ambtshalve te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de garantie van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de redelijke termijn. Nu de boete slechts € 113 bedraagt, volstaat de enkele constatering dat het Hof de redelijke termijn heeft overschreden (Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/03349, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298). De geconstateerde verdragsschending wordt geacht voldoende te zijn gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM en het Hof ziet aldus geen aanleiding de boete te matigen.

7 Proceskosten

Nu het hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten voor het geding in hoger beroep als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit wordt het bedrag van deze kosten in beginsel forfaitair vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. Het Hof acht, anders dan belanghebbende stelt, geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit kan worden afgeweken van de forfaitaire kostenvaststelling.

Het Hof zal bij de vaststelling van de kostenvergoeding in aanmerking nemen dat de onderhavige zaak samenhangt in de zin van artikel 3 van het Besluit met de zaak met kenmerknummer 10/00962.

Uit bovenstaande volgt dat te vergoeden kosten op voet van het Besluit vastgesteld worden op de helft van € 1652 (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het Gerechtshof ’s Gravenhage, 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na verwijzing en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het Hof met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor van 1), derhalve € 826.

8 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep ontvankelijk;

  • -

    wijst de zaak terug naar de rechtbank;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 826;

  • -

    gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 110 (hoger beroep bij het Gerechtshof ’s Gravenhage) te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 17 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.