Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3464

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
200.118.650-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Afstand van bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomst wegens het ontbreken van toestemming van de echtgenoot (art. 1:88 BW) door middel van eisvermindering? Eisen die gesteld worden aan de mededeling waarbij vernietiging wordt ingeroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.118.650/01

zaak-/rolnummer rechtbank : 1338530 DX EXPL 12-71

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 oktober 2013

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Dexia genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 28 november 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 oktober 2012, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en Dexia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord met een productie.

Daarna is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat de leaseovereenkomst ex artikel 1:88 en 89 BW rechtsgeldig is vernietigd en Dexia zal veroordelen om aan haar te voldoen al hetgeen aan Dexia onder de leaseovereenkomst is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van elk van de betalingen aan Dexia alsmede Dexia te veroordelen in de kosten van beide instanties, met nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] niet ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans de grieven zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.

In hoger beroep hebben beide partijen bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.4, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof als uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

[appellante] is in juli 1999 een leaseovereenkomst met de naam WinstVerDriedubbelaar (hierna: de leaseovereenkomst) aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: Dexia). De looptijd van de leaseovereenkomst was 36 maanden.

2.3

Op grond van de leaseovereenkomst heeft [appellante] een bedrag van Dexia geleend. Met dat bedrag zijn aandelen aangekocht die [appellante] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was [appellante] rente verschuldigd. De leaseovereenkomst is een zogenoemd restschuldproduct.

2.4

De leaseovereenkomst is inmiddels beëindigd. Na verkoop van de aandelen resteerde een schuld van € 3.208,36. [appellante] heeft de restschuld voldaan.

2.5

[P] heeft [appellante], met wie hij ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de leaseovereenkomst.

2.6

Bij beschikking van 25 januari 2007 (LJN: AZ7033; NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard. die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [appellante] heeft door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tijdig) laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst − de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden wil zijn.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft Dexia gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de leaseovereenkomst door een vernietigingsbrief van 6 juni 2002 van haar echtgenoot buitengerechtelijk is vernietigd en Dexia veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen zij in het kader van de leaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald, met rente, alsmede Dexia, kort gezegd, op straffe van een dwangsom beveelt te bewerkstelligen dat haar registratie bij het BKR te Tiel ongedaan wordt gemaakt, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van [appellante] afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat [appellante] in de procedure met rolnummer DX 06-468 onvoorwaardelijk (en zonder enig voorbehoud) het in die procedure door haar gedane beroep op de artikelen 1:88 en 1:89 BW heeft ingetrokken Dat betekent (en zulks kan niet anders worden uitgelegd) dat [appellante] uitdrukkelijk de buitengerechtelijk vernietiging door haar echtgenoot niet langer heeft gehandhaafd en daarmee haar rechten heeft verwerkt om in deze procedure nogmaals een beroep te doen op het ontbreken van de toestemming van haar echtgenoot bij het aangaan van de leaseovereenkomst.

3.2

Met haar grief bestrijdt [appellante] de beslissing van de kantonrechter. Zij stelt dat zij in eerste aanleg uitvoerig heeft betoogd waarom er geen sprake is van rechtsverwerking noch dat Dexia er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [appellante] nimmer meer een vordering op basis van artikel 1:88 jo 1:89 BW zou instellen. Zoals het hof ook in de zaak [appellante]/Dexia met zaaknummer 200.118.502/01 heeft beslist, geldt dienaangaande het volgende.

3.3

Het intrekken van het beroep op de artikelen 1:88 en 89 BW in eerste aanleg in de procedure met rolnummer DX 06-468 moet worden aangemerkt als een vermindering van eis in de zin van artikel 129 Rv. De vraag die daarmee voorligt is of uit de eisvermindering in eerste aanleg in de andere procedure afgeleid mag worden, dat [appellante] afstand heeft gedaan van het subjectieve recht om een beroep op genoemde artikelen te doen. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een eisvermindering aangemerkt mag worden als een afstand van een materieel recht. Uit het enkele feit dat [appellante] in die andere procedure het beroep op de artikelen 1:88 en 89 BW heeft ingetrokken, mag dat echter niet worden afgeleid. Nu Dexia geen andere omstandigheden noemt die erop wijzen dat [appellante] haar recht om een beroep op die artikelen te doen heeft prijsgegeven dan wel dat Dexia erop heeft mogen vertrouwen dat [appellante] dat recht prijsgaf, heeft Dexia haar beroep op afstand van recht onvoldoende toegelicht en gaat het hof daaraan voorbij.

3.4

Wat betreft het subsidiaire beroep van Dexia op rechtsverwerking geldt dat dat beroep slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond kan worden geoordeeld. Het hof is van oordeel dat het beroep op rechtsverwerking niet met succes kan worden gegrond op de enkele omstandigheid dat [appellante] in eerste aanleg in de procedure met rolnummer DX 06-468 het beroep op de artikelen 1:88 en 89 BW heeft ingetrokken. Nu Dexia geen andere omstandigheden noemt, heeft Dexia haar beroep op rechtsverwerking onvoldoende toegelicht en gaat het hof ook daaraan voorbij. Uit het voorgaande volgt dat de grief slaagt.

3.5

Vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep komt het hof toe aan het in eerste aanleg gevoerde meer subsidiaire verweer van Dexia, dat [appellante] geen beroep toekomt op de artikelen 1:88 en 89 BW. Daartoe voert Dexia in de eerste plaats aan dat de brief van 6 juni 2002 niet valt aan te merken als een vernietigingsbrief. Op geen enkel moment doet de echtgenoot van [appellante] een beroep op vernietiging, niet op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW noch op een andere grond, aldus Dexia. Het hof oordeelt als volgt.

3.6

De brief van 6 juni 2002 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Namens mijn echtgenote, [appellante], dien ik een klacht in wegens een misleidende voorstelling rondom de overeenkomst met bovenvermeld nummer. U kunt dit tevens beschouwen als een eis tot restitutie.

(...)

Nu komt u met de mededeling - ‘we zullen het niet mooier maken’- dat de aandelen bij verkoop minder zullen opbrengen dan ze hebben gekost en of mijn echtgenote maar even voor akkoord wil tekenen dat ze het verschil bijpast. Nu dat doet ze zeker niet. Bij deze laat ik u weten dat wij, na de laatste termijn, u geen euro meer zullen betalen.

Sterker nog, omdat u haar bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, althans haar bewust niet volledig heeft geïnformeerd, vind dat ze haar ‘inleg’ (zo blijf ik het noemen) moet terugkrijgen. Met rente. U had de plicht haar te vertellen dat ze een lening aanging; u had de plicht haar te wijzen op de risico’s van geld lenen voor aandelen. Bij deze vorder ik dan ook namens mijn echtgenote een bedrag van 36 x 248 gulden plus rente terug. (...).

[P]

namens

[appellante]”

Van een vernietigingsbrief mag – mede gelet op de vereisten die voortvloeien uit artikel 3:50 lid 1 BW – verwacht worden dat daaruit blijkt om welke rechthandeling het gaat, dat de echtgenoot gebondenheid aan die rechtshandeling wil doen eindigen en waarom de echtgenoot meent daartoe gerechtigd te zijn. Het hof is van oordeel dat hieraan niet is voldaan. [appellante] heeft de brief namens [appellante] geschreven, zodat de brief niet kan worden beschouwd als een door hem aan Dexia gerichte vernietigingsverklaring. Afgezien daarvan blijkt uit de brief (ook) niet dat [appellante] de leaseovereenkomst wil vernietigen. Hij doet in de brief geen beroep op vernietiging op grond van de artikelen 1:88 en 89 BW. Genoemde artikelen worden in de brief niet genoemd en ook anderszins wordt niet gezinspeeld op vernietiging van de leaseovereenkomst. [appellante] vordert namens [appellante] de inleg terug op de grond dat Dexia haar niet heeft verteld dat ze een lening aanging en haar niet heeft gewezen op de risico’s van geld lenen voor aandelen en niet op de grond dat hij de leaseovereenkomst heeft vernietigd.

3.7

Voorst voert Dexia aan dat toen Bassa bij brief van 28 juni 2005 een beroep op vernietiging deed het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW was verjaard. Het hof oordeelt als volgt.

3.8

[appellante] is de leaseovereenkomst in juli 1999 aangegaan. Uit de brief van 6 juni 2002 blijkt dat [appellante] van de aanvang af met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend was. De bevoegdheid tot vernietiging van de leaseovereenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming van [appellante] verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop [appellante] met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend was. Uit het vorenstaande volgt dat toen [appellante] bij brief van 28 juni 2005 de leaseovereenkomst vernietigde, zijn bevoegdheid tot vernietiging was verjaard. Hij was immers al in juli 1999 bekend met de leaseovereenkomst.

3.9

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep met nakosten.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtig het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, op € 683,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat alsmede op € 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris advocaat en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, M.M.M. Tillema en J.W. Hoekzema en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 oktober 2013 door de rolraadsheer.