Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3455

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
200.108.339-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1006, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepplantage. Aansprakelijkheid voor aftappen elektriciteit. Reikwijdte zorgplicht contractuele afnemer. Beroep op niet-toerekenbaarheid tekortschieten in zorgplicht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.108.339/01

zaaknummer rechtbank: 181667 / HA ZA 11-641 (Haarlem)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2013

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B.W.M. Zegers te Edam,

tegen:

de naamloze vennootschap

LIANDER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en Liander genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 14 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Haarlem van 15 februari 2012, in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als gedaagde en Liander als eiseres.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met vijf producties.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van Liander zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Liander heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.6, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] is huurder geweest van een horecagelegenheid met bijbehorende woning in [woonplaats], gemeente [gemeente]. In deze horecagelegenheid dreef hij een café. Vanaf een datum in 2007 of 2008 heeft hij de bovenverdieping daarvan onderverhuurd aan [X], een regelmatige bezoeker van het café. Op 1 november 2010 is op de bovenverdieping van het café een hennepplantage aangetroffen. Daarbij is tevens vastgesteld dat op de toevoerleiding waardoor het betrokken pand van elektriciteit werd voorzien, vóór de meterkast – in de gedingstukken ook de hoofdaansluitkast genoemd – een illegale aansluiting was gemaakt. Door middel van deze illegale aansluiting werd de hennepplantage van elektriciteit voorzien, zonder dat het desbetreffende verbruik door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. De illegale aansluiting bevond zich in een kruipruimte onder het café.

3.2.

Tussen [appellant] en Liander heeft vanaf een datum in 1996 een overeenkomst bestaan op grond waarvan Liander elektriciteit, die [appellant] van een derde betrok, transporteerde naar het hierboven bedoelde pand. Op grond van deze overeenkomst hield Liander ook de aansluiting van [appellant] op het door haar beheerde elektriciteitsnet in stand en was zij belast met het onderhoud van die aansluiting. Een deel van de door Liander getransporteerde elektriciteit is, op de hierboven beschreven wijze, gebruikt ten behoeve van de aangetroffen hennepplantage. Na de ontdekking van de illegale aansluiting heeft Liander het transport van elektriciteit naar het door [appellant] gehuurde pand dadelijk onderbroken en de elektriciteitsmeter verwijderd.

3.3.

Bij brief van 9 november 2010 heeft Liander [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de eerder genoemde illegale aansluiting en de door middel daarvan afgenomen, niet-geregistreerde, elektriciteit. Deze schade heeft Liander in haar brief begroot op € 39.997,19 inclusief btw. [appellant] heeft dit bedrag, ook na herhaalde aanmaning, in zijn geheel onbetaald gelaten.

3.4.

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten vordert Liander de veroordeling van [appellant] tot betaling aan haar van € 41.488,84, met nevenvorderingen. In de gevorderde hoofdsom zijn begrepen volgens Liander door [appellant] verschuldigde wettelijke rente tot en met 3 mei 2011 ten belope van € 556,59 alsmede buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 1.000,-.

3.5.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen. Tegen deze beslissing en de overwegingen waarop zij berust richt zich het hoger beroep.

3.6.

Met grief I bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat hij op het punt van de ten behoeve van de hennepplantage afgenomen elektriciteit is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht tegenover Liander en uit dien hoofde in beginsel is gehouden tot schadevergoeding aan Liander. Bij de beoordeling van de grief staat voorop dat [appellant] – terecht – niet heeft bestreden dat naar de aard van de onder 3.2 genoemde overeenkomst tussen partijen, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een zorgplicht voor hem is voortgevloeid met betrekking tot zijn aansluiting op het door Liander beheerde elektriciteitsnet en het gebruik dat van die aansluiting werd gemaakt. Door hetzij toe te laten, hetzij niet te verhinderen, dat vóór de meterkast een illegale aansluiting is gemaakt, door middel waarvan de hennepplantage op de bovenverdieping van het door hem gedreven café van niet door de meter geregistreerde elektriciteit werd voorzien, is [appellant] in de nakoming van zijn zojuist bedoelde zorgplicht tekortgeschoten. Dit tekortschieten verplicht hem in beginsel tot vergoeding van de schade die Liander als gevolg daarvan heeft geleden.

3.7.

Aan het oordeel dat hij in de nakoming van zijn zorgplicht tegenover Liander is tekortgeschoten, doet niet af de stelling van [appellant] dat feitelijk sprake was van een illegale aansluiting onder de openbare weg voor het café. Deze stelling staat haaks op de, onbestreden, vaststelling door (een fraudespecialist van) Liander dat de betrokken aansluiting zich bevond in een kruipruimte onder het café. De zorgplicht van [appellant] strekte zich tot die ruimte uit, mede in aanmerking genomen dat [appellant] niet heeft aangevoerd – en zonder toelichting evenmin aannemelijk is – dat die kruipruimte uitsluitend vanaf de openbare weg en niet vanuit het café toegankelijk was. Ook de stelling dat noch Liander, noch de lokale brandweer, bij door deze gehouden controles vóór 1 november 2010 de illegale aansluiting heeft opgemerkt, doet iets af aan het tekortschieten door [appellant]: het een en het ander laat immers onverlet dat het aan [appellant] was om te verhinderen dat op de toevoerleiding die het door hem gehuurde pand van elektriciteit voorzag, vóór de meterkast een illegale aansluiting werd gemaakt, door middel waarvan elektriciteit werd afgenomen zonder dat dit door de meter werd geregistreerd, en dat [appellant] deze verplichting heeft verzaakt. Uit het voorgaande volgt dat de grief tevergeefs is voorgesteld.

3.8.

Het hierboven overwogene brengt mee dat zowel de zorgplicht van [appellant] als zijn tekortschieten in de nakoming daarvan, niets heeft uit te staan met de – al of niet – toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Liander op de onder 3.2 genoemde overeenkomst. Grief II, waarmee [appellant] opkomt tegen het onbeantwoord laten door de rechtbank van de vraag naar de toepasselijkheid van die algemene voorwaarden, faalt daarom eveneens.

3.9.

Met grief III betoogt [appellant] dat als hij al is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht tegenover Liander, dit tekortschieten hem niet kan worden toegerekend, zodat hij niet aansprakelijk is voor de door Liander gestelde schade. [appellant] voert hiertoe aan, kort gezegd, dat hem geen verwijt treft voor de gemaakte illegale aansluiting en het gebruik daarvan ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van de hennepplantage op de bovenverdieping van het café. In dit betoog kan hij niet worden gevolgd, zodat ook deze grief faalt. De onder 3.1 aangenomen onderverhuur van de bovenverdieping aan Hofmeister, het aanvankelijke niet-opmerken van de illegale aansluiting door controleurs van Liander en de lokale brandweer en de afwezigheid van strafrechtelijke vervolging van [appellant] in verband met de door middel van de illegale aansluiting afgenomen, niet-geregistreerde, elektriciteit, doen – anders dan hij kennelijk meent – geen van alle af aan de toerekenbaarheid van het onder 3.6 beschreven tekortschieten aan [appellant]. Zij laten immers onverlet dat [appellant] heeft nagelaten te verhinderen dat de omstreden illegale aansluiting werd gemaakt en gebruikt. Uit zijn stellingen volgt niet dat [appellant] aan dit nalaten geen schuld heeft, ook niet als hij heeft bedoeld te stellen dat hij geen wetenschap had van het bestaan van de illegale aansluiting en het gebruik daarvan, terwijl als in laatstbedoelde stelling een beroep op afwezigheid van schuld zijnerzijds moet worden gelezen en dit beroep gegrond zou zijn, het tekortschieten door [appellant] hoe dan ook krachtens de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Als de huurder van het pand in de kruipruimte waarvan de illegale aansluiting is aangetroffen en op de bovenverdieping waarvan zich de hennepplantage bevond, ten behoeve waarvan die aansluiting is gebruikt, en als verhuurder van die bovenverdieping, was hij namelijk bij uitstek in de gelegenheid om het maken en het gebruik van de illegale aansluiting te verhinderen. Dat hij dit niet heeft gedaan, komt – in de verhouding tot Liander – voor zijn rekening.

3.10.

Met grief IV komt [appellant] op tegen de door de rechtbank aangenomen omvang van zijn verplichting tot schadevergoeding. De grief is uitsluitend onderbouwd met de stelling dat [appellant] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht tegenover Liander, zodat een grond voor een verplichting tot schadevergoeding ontbreekt. Die stelling stuit af op het hierboven overwogene, zodat de grief faalt.

3.11.

[appellant] heeft geen voldoende concrete feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Aan zijn bewijsaanbod in de memorie van grieven komt daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.

3.12.

De slotsom uit het bovenstaande is dat de grieven geen van alle slagen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Liander begroot op € 1.815,- aan verschotten en € 1.631,- voor salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, J.H. Huijzer en W.H.F.M. Cortenraad en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013.