Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3451

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
200.082.383-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2462, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zie tussenarrest 11 december 2012. Bewijs niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.082.383/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) : 112084/ HA ZA 09-642

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

1 Het verdere procesverloop

In het tussenarrest van 11 december 2012 heeft het hof [appellante] toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat zij bevoegd is om in eigen naam, voor rekening van de boedel het gevorderde te incasseren.

Hierna heeft [appellante] een akte genomen.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In r.o. 3.6 van het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het op de weg van [appellante] ligt te stellen en te bewijzen dat zij op grond van een lastgevingsovereenkomst met de curator, bevoegd is de vordering van de boedel op eigen naam te incasseren. De enkele door [appellante] overgelegde correspondentie met de curator, is onvoldoende, zo heeft het hof overwogen. Vervolgens is [appellante] overeenkomstig haar bewijsaanbod toegelaten tot het leveren van het bewijs van haar stelling dat zij op grond van een lastgevingsovereenkomst met de curator bevoegd is om in eigen naam, maar voor rekening van de boedel het gevorderde te incasseren en dat [geïntimeerde] bij een eventuele toewijzing van (een deel van) het gevorderde aldus bevrijdend zal kunnen betalen ter uitvoering van het in deze procedure te wijzen eindarrest.

2.2

Vervolgens heeft [appellante] bij akte een brief d.d. 12 december 2012 in het geding gebracht van de curator, mr. Bonefaas, waarin deze het volgende schrijft aan mr. Duijsens, de raadsman van [appellante]:

"(...)

In navolging op uw faxbericht d.d. heden bevestig ik u hierbij dat uw cliënte [appellante] op grond van een lastgevingsovereenkomst met ondergetekende bevoegd is om de vordering van de boedel op eigen naam maar voor rekening van de boedel te incasseren en dat partij [geïntimeerde]bij een eventuele toewijzing van (een deel van) het gevorderde bevrijdend zal kunnen betalen ter uitvoering van het in deze procedure te wijzen eindarrest en dat ondergetekende c.q. de boedel [geïntimeerde] niet opnieuw zal confronteren met een namens de boedel in te stellen vordering terzake van de tussen [geïntimeerde] en [S] overeenkomst die onderwerp is van de procedure tussen uw cliënte [appellante] en [geïntimeerde]"

2.3

Volgens [appellante] heeft zij hiermee voldaan aan de bewijsopdracht van het hof. Voor zover dat niet het geval is biedt [appellante] aanvullend bewijs door getuigen aan.

2.4

[geïntimeerde] heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat uit de reactie van de curator niet blijkt wanneer de lastgeving aan [appellante] is verstrekt. Dit is in ieder geval niet het geval geweest ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding; pas lopende de procedure in eerste aanleg is [appellante] zich op het standpunt gaan stellen dat zij, zo zij niet vorderingsgerechtigd is op grond van de akte van cessie, zij met instemming van de curator op eigen naam procedeerde. Deze instemming heeft de curator pas gegeven na het uitbrengen van de dagvaarding, zo blijkt uit zijn brief van 26 maart 2010.

[geïntimeerde] voert - opnieuw - aan dat het niet mogelijk is om hangende de procedure van processuele hoedanigheid te wisselen. Voorts stelt [geïntimeerde] dat uit de brief van de curator van 26 maart 2010 volgt dat [appellante] de procedure voor eigen risico voortzet en dus niet voor risico van de boedel. Van lastgeving is dan ook geen sprake.

Ten slotte stelt [geïntimeerde] dat [appellante] gedurende de procedure steeds tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen en stukken buiten de procedure heeft trachten te houden. Hiermee heeft zij gehandeld in strijd met art. 21 Rv, aldus [geïntimeerde].

2.5

Het hof overweegt het volgende.

De stellingen van [appellante] houden in dat zij haar vorderingen instelt als middellijk vertegenwoordiger van de boedel, derhalve op eigen naam, krachtens een lastgevingsovereenkomst. Dit hoefde zij niet in de (appel)dagvaarding te vermelden, zoals reeds overwogen is in het tussenarrest. Geconfronteerd met het verweer van [geïntimeerde] dat zij niet bevoegd is de onderhavige vordering in te stellen, dient [appellante] wel te bewijzen dat zij op grond van een lastgevingsovereenkomst met de curator gerechtigd is de vordering van de boedel te incasseren. De vraag is of [appellante] thans voldaan heeft aan dit bewijs.

Naar 's hofs oordeel is dat niet het geval. Weliswaar heeft [appellante] de onder 2.2 aangehaalde brief van de curator in het geding gebracht, waarin is vermeld 'dat uw cliënte [appellante] op grond van een lastgevingsovereenkomst met ondergetekende bevoegd is om de vordering op eigen naam maar voor rekening van de boedel te incasseren', maar het bestaan van die lastgevingsovereenkomst is niet nader toegelicht, noch met bewijsstukken onderbouwd. Ook is niet aangegeven wanneer die lastgevingsovereenkomst tot stand zou zijn gekomen. Een nadere toelichting op de gestelde lastgevingsovereenkomst en een onderbouwing van de gestelde overeenkomst met bewijsstukken was met name vereist, nu uit de eerdere brief van de curator van 26 maart 2010 (r.o. 2.2.12 van het tussenarrest) volgt dat níet sprake is van een lastgevingsovereenkomst. Daarin is immers vermeld dat 'de boedel (...) niet als uw opdrachtgever [wordt] beschouwd'. [appellante] heeft niet aangegeven hoe een en ander met elkaar te rijmen is c.q. welke feiten of omstandigheden zich hebben voorgedaan in de tijd tussen het verzenden van de brief van 26 maart 2010 en de brief van 12 december 2012. Het vooroverwogene geldt ook voor de vraag wie de kosten van de procedure draagt; in de eerste brief is expliciet gesteld 'dat uw cliënte de kosten van de procedure dient te dragen', terwijl in de laatste brief staat dat de vordering voor rekening van de boedel kan worden geïncasseerd. Een nadere toelichting en onderbouwing van de gestelde lastgevingsovereenkomst mocht bovendien ook van [appellante] worden gevergd, nu [geïntimeerde] in de onderhavige procedure steeds de bevoegdheid van [appellante] om de vordering van Steltenpool in rechte aanhangig te maken, in twijfel heeft getrokken en [geïntimeerde] zich bovendien geconfronteerd heeft gezien met de situatie dat [appellante] - in de procedure in eerste aanleg - de brief van de curator waarin deze de cessieovereenkomst had vernietigd, in strijd met art. 21 Rv, achter had gehouden. Deze gang van zaken was een reden temeer voor [appellante] om thans wel in alle opzichten openheid van zaken te geven en opheldering over feitelijkheden die, zonder nadere toelichting, moeilijk of niet met elkaar te verenigen zijn.

Het hof is voorts van oordeel dat voor nadere bewijslevering geen plaats is, nu [appellante] geen concrete feiten heeft gesteld - met betrekking tot de totstandkoming van de gestelde lastgevingsovereenkomst en de hiervoor besproken veranderde feiten of omstandigheden in de periode tussen beide brieven van de curator - die zij wil bewijzen. Het hof gaat derhalve voorbij aan het bewijsaanbod van [appellante], nu dit onvoldoende concreet en specifiek is.

2.6

Ook grief IV faalt derhalve.

In het tussenarrest is reeds overwogen dat ook de overige grieven falen. Het bestreden vonnis zal derhalve worden bekrachtigd. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2010;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] Agrotheek BV tot op heden op € 2.682,-- aan salaris en

€ 649,-- voor verschotten;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.H. Huijzer en R.J.Q. Klomp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013.