Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3448

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
200.081.785-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden aan schip. Bewijs ten aanzien van afrekening van een vaste prijs of op basis van nacalculatie niet geleverd. Vaststelling redelijke prijs door middel van deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.081.785/01

zaaknummer rechtbank Alkmaar : 57724/ HA ZA 02-92

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 oktober 2013

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P. Ingwersen te Haarlem,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonend te [woonplaats], Duitsland,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. van Lingen te Alkmaar.

1 Het verdere procesverloop

In het tussenarrest van 1 mei 2012 heeft het hof [appellant] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen [geïntimeerde] en West Friese Jachtbouw met betrekking tot het uitvoeren van werkzaamheden aan het jacht ‘[X]’, een nacalculatieovereenkomst is overeengekomen.

Voorts heeft het hof [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen hem en West Friese Jachtbouw een vaste prijs is overeengekomen voor de werkzaamheden aan het jacht ‘[X]’, waarbij op basis van de werkelijk gemaakte kosten met een marge van maximaal 15% kon worden afgeweken.

Getuigen zijn gehoord op 27 augustus 2012, 5 oktober 2012 en 7 januari 2013.

Hierna hebben beide partijen een memorie na enquête genomen.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Door getuige [appellant] is onder meer het volgende verklaard:

"(...)

Ik heb met [Y] alle projecten doorgesproken. Hij heeft over alle projecten mij gezegd wat er nog moest gebeuren en wat de stand van zaken was. Toen heeft hij ook tegen mij gezegd dat alle projecten plaatsvonden op basis van nacalculatie. Ik heb dat dus overgenomen. Onder [Y] werd al per project een tijdadministratie bijgehouden. Ik wist dus ook op het moment dat ik de werf overnam, per 1 april 2001, wat tot dat moment de kosten aan de [X] waren geweest. Het tijdschrijven per project is onder mijn leiding aangescherpt. Alle medewerkers moesten per project per kwartier, per activiteit, bijhouden wat ze deden. Het tijdschrijven werd dagelijks gecontroleerd door de bedrijfsleider.

Ik heb met alle scheepseigenaren na overname van de werf gesproken. Ik heb toen aan hen bevestigd dat op basis van nacalculatie gefactureerd zou blijven worden. Zo’n gesprek heb ik ook met [geïntimeerde] gevoerd. Hij heeft daar in het geheel geen probleem van gemaakt of gezegd dat dat niet juist zou zijn. Ik heb dit niet op schrift staan.

De fax van november 1999, die bij de rechtbank zo’n belangrijke rol heeft gespeeld, heb ik nimmer gezien, tot in deze procedure.

Ik kan u zeggen dat toen ik de werf overnam volgens de interne administratie al voor een groter bedrag aan kosten gemaakt was aan de [X], dan volgens [geïntimeerde] voor het geheel zou zijn afgesproken. Dat is ook wel logisch, want op dat moment was al meer dan een jaar gewerkt aan de [X] en dat was aanzienlijk meer dan partijen hadden voorzien.

(...)

Verder wil ik erop wijzen dat ik bij de mail van 15 juli 2001 een lijst van gemaakte kosten had bijgevoegd. Dit zou het uitgelezen moment voor [geïntimeerde] zijn geweest om te wijzen op de vaste prijsafspraak, maar dat heeft hij nooit gedaan.

U vraagt wat dan wel zijn reactie is geweest. Volgens mij heeft hij niet schriftelijk gereageerd. Daarnaast hebben nog werkzaamheden aan de [X] plaatsgevonden en heeft hij gezegd: “het komt wel goed, we komen er wel uit, maak eerst het schip maar af”. Hij heeft wel twee mails gestuurd waarin hij dreigde het schip door derden af te laten maken, omdat hij vond dat het te lang duurde. Maar ook in die mails heeft hij nooit gerefereerd aan vaste prijsafspraken.
(...)

Gedurende de werkzaamheden heb ik [geïntimeerde] regelmatig gesproken. Hij was, denk ik, gemiddeld 2x per week in de werf, meestal in het weekend. Soms was ik er dan ook, bij geen van onze gesprekken heeft hij gerefereerd aan een vaste prijs. Hij heeft vooral geklaagd over de wijze van uitvoering en over de voortgang. Overigens was hij daar zelf ook deels debet aan. U vraagt mij of dan wel van onze kant gesproken is over kosten, die bepaalde werkzaamheden met zich mee zouden brengen. Ik kan daarop zeggen dat [geïntimeerde] nooit gerefereerd heeft aan een vaste prijsafspraak, hoewel daar wel degelijk aanleiding voor was geweest. Ik noem dan met name de extra kosten die veroorzaakt zijn door het sleepbootincident. Het had, zijn visie volgend, bepaald voor de hand gelegen om de extra kosten hiervoor separaat te administreren. Maar dat is dus nooit gebeurd. Sowieso hebben wij nooit een onderscheid gemaakt in onze administratie tussen afgesproken en extra werkzaamheden. Er was geen meerwerk administratie op dit project.

Ten slotte wil ik nog zeggen dat alle projecten bij WFJ plaatsvonden op basis van nacalculatie, zonder een enkele uitzondering. Ik ben al een jaar of vijftien werkzaam in de jachtbouw en ik heb nog nooit meegemaakt dat de refit van een schip anders plaatsvindt dan op basis van nacalculatie. De reden daarvoor is heel eenvoudig: ‘je weet nooit wat je tegenkomt’.

(...)

Mr. Ingwersen vraagt naar de protocollen die [geïntimeerde] opstelde. [geïntimeerde] schreef deze in het Duits en legde ze vast in een Excelbestand. Ze muteerden in de tijd. (...) In deze protocollen heeft [geïntimeerde] nimmer gerefereerd aan afgesproken werkzaamheden of een overeengekomen prijs en hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen afgesproken werkzaamheden en meerwerk. In de protocollen hield [geïntimeerde] bij welke werkzaamheden hadden plaatsgevonden, wat er al dan niet goed aan was en wat er allemaal nog moest gebeuren.

(...)”

2.2

Door getuige [Y] is het volgende verklaard:

“(…)

Ik kan mij herinneren dat [geïntimeerde] op een gegeven moment op de werf is gekomen met de vraag of wij een schip van hem konden opknappen. Wij hebben toen het schip bekeken in Denemarken. Wij, dat wil zeggen, mijn partner [Z], en ik. [geïntimeerde] was daar ook bij. We hebben toen het schip in korte tijd, ik denk een uur of twee op de werf bekeken. Ik heb aantekeningen gemaakt van wat [geïntimeerde] wilde veranderen aan het schip. We hebben toen daarna wat heen en weer gecorrespondeerd. [geïntimeerde] wilde een indicatie van wat het ongeveer zou gaan kosten. Ik heb toen een omschrijving van de werkzaamheden gemaakt met de schatting van de kosten. U vindt het bij de stukken. Dit was een globale inschatting. Het was geen gedetailleerd bestek. Dat zou wel vijftien pagina’s hebben beslagen. De werf heeft uiteindelijk veel meer werkzaamheden verricht dan was vermeld in mijn opgave. Het begon er al mee dat de kiel onder het schip is uitgehaald omdat het anders niet over de weg naar Nederland vervoerd kon worden. Dit stond niet in de offerte. Er waren veel meer dingen die niet in de offerte stonden. Als je op basis van een vaste prijs werkt heb je een uitgebreid bestek nodig.

In één van de faxen staat met de hand bijgeschreven ‘10-15%’. Dit heb ik er niet bijgeschreven. Ik heb later begrepen dat [geïntimeerde] inschatte dat dat de marge zou zijn. Ik heb dat echter nooit gezegd.

U vraagt mij in dit verband naar mijn reactie op de fax van [geïntimeerde] van 23 december 1999, waarin hij wijst op de offerte en een afwijking hiervan van 10-15%. Ik zeg daarop dat dat, als het al van toepassing is, alleen van toepassing is voor de werkzaamheden die in mijn offerte stonden. En niet voor extra werkzaamheden. U vraagt mij, of dan bijgehouden werd of het ging om meerwerk werkzaamheden. Volgens mij werd een totaaloverzicht gemaakt. Er werd geen onderscheid gemaakt. Ik denk wel dat bij de bedrijfsleider aangetekend was wat extra is geweest. Op een gegeven moment is geconstateerd dat tegen uurloon zou worden afgerekend. U vraagt mij wanneer dat dan was. Dat constateer je op een gegeven moment. Dit kwam ook omdat er zoveel meer gebeurde dan in de offerte stond. Die offerte is helemaal niet meer aan de orde gekomen. U vraagt mij of wel gesproken werd gedurende het bouwtraject over kosten. Ja, dat was wel het geval. Bijvoorbeeld er werd opdracht gegeven voor een toilet. Ik zei dan: “dat kost je twee à drieduizend euro”. Er werd niet duidelijk teruggekoppeld aan de offerte. Er werd op zo’n moment gewoon aangenomen dat er iets extra’s bijkwam. Daarbij speelde ook een rol dat [geïntimeerde] zelfstandig instructies gaf aan het werfpersoneel. Voor mij sprak het vanzelf dat hij daarvoor op uurbasis moest afrekenen. Verder speelde ook mee dat het regelmatig voorkwam dat [geïntimeerde] iets liet veranderen wanneer iets niet zo was zoals hij het graag wilde hebben. Hij zei dan bijvoorbeeld: ‘ik vind het toch niet mooi, of ik maak het toch iets luxer”. (…) Wij zouden dat natuurlijk nooit hebben gedaan, het veranderen van werk wat reeds klaar was, als we daarvoor niet betaald zouden worden. (…)
U vraagt mij nog nader in te gaan op wat mij, en misschien ook [geïntimeerde], in november 1999, nou precies voor ogen heeft gestaan. Ik heb een schatting gemaakt op basis van mijn kennis en ervaring van het aantal uren dat met de toen genoemde werkzaamheden gemoeid zou zijn. Verder ben ik uitgegaan van een uurloon van 75 gulden. Iedereen weet dat je in 1 à 2 uur niet een specificatie kunt maken op basis waarvan je een vaste contractsprijs zou kunnen rekenen. [geïntimeerde] wist dat volgens mij ook. Het was indicatief, niet meer en niet minder. Een offerte die is opgesteld als vaste prijs ziet er ook heel anders uit, die is veel uitgebreider. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat [geïntimeerde] dat niet heeft begrepen. Als hij was uitgegaan van een vaste prijs had hij ook veel nauwkeuriger moeten zijn met verzoeken om meerwerk. Er zijn ook veel meer uren gemaakt dan ooit is voorzien. (…)
U vraagt mij naar het factureren. U vraagt met name waarom maar 1 keer een factuur is gestuurd. Dat is omdat deze zaak een wat bijzonder karakter had gekregen door de participatie van [geïntimeerde] in de aankoop van het casco. Dit zou worden omgebouwd tot een motorzeiljacht voor een Chinese klant. [geïntimeerde] heeft daar 130.000 euro mede in geïnvesteerd. En hij zou meedelen in de winst. Die betaling was voor mij een soort garantie. Er moest toch nog afgerekend worden. Hiermee was er een soort balans. [appellant] had natuurlijk nooit dit bedrag moeten terugbetalen. Ik merk nog op dat als er een vaste aanneemsom overeengekomen zou zijn, er ook betalingscondities hadden moeten worden opgenomen, inhoudend op welk moment welke bedragen betaald zouden moeten worden. Dat dit niet is gebeurd duidt er ook op dat er geen vaste aanneemsom was.

(…)

Mr. Ingwersen vraagt het volgende: in dit getuigenverhoor wordt voor het eerst de term ‘offerte’ geïntroduceerd, maar u noemt het ook wel ‘prijsindicatie’ of ‘schatting’. Hoe moet ik het nu precies begrijpen?

Ik kan daarop antwoorden dat het indicatief was, dus een prijsindicatie. Waarna ik nogmaals opmerk dat wanneer het was gebleven bij de werkzaamheden die in die indicatie zijn opgesomd, het wel uitgekund had.

Mr. Ingwersen vraagt of de andere projecten destijds op urenbasis of anderszins plaatsvonden. Volgens mij was alles op urenbasis.

Mr. Ingwersen vraagt of dat dus ook voor de [X] gold. Ja. De richtlijn daarbij was 75 gulden per uur. Een enkele keer gingen we daar wel iets onder zitten. Voor de materialen gold dat bovenop de inkoopsprijs nog een opslag van 20-40% kwam.

(…)

[appellant] vraagt het volgende: hij heeft per 1 april 2001 een overzicht gemaakt van de tot dan toe bestede uren aan de [X]. Dit was op basis van de urenadministratie van [Z]. Heb ik [Z] ooit opdracht gegeven tot het noteren van meer- en minderwerk in de administratie? Nee, dat is niet gebeurd, het was gewoon een totaaloverzicht. De raadsheer vraagt of dit dan wel in lijn is met wat ik eerder heb verklaard, dat het grote prijsverschil te verklaren is uit meerwerk. Je moet het zo zien, dat al direct meerwerk is verricht. Er is dus nooit een moment geweest waarop je kunt zeggen: “dit was volgens de offerte en dit was meerwerk”. Mr. Inwersen zegt of het zo is dat van meet af aan die grens niet te trekken was. Inderdaad, zo was het. Daar is ook geen moeite voor gedaan. Ik denk trouwens dat [appellant] bij overname van de werf aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld wat er precies openstond.

(…)

Mr. Van Lingen zegt dat het doel van tussentijds factureren ook is de opdrachtgever duidelijk te maken waar hij staat qua voortgang en kosten. Waarom is dit niet gebeurd? Volgens mij kon er geen misverstand bestaan voor [geïntimeerde] waar hij stond. Hij was minstens een keer in de veertien dagen op de werf en hij maakte die gedetailleerde protocollen. Van Lingen vraagt of [geïntimeerde] dat ook wist wat betreft de kosten? Dat weet ik eerlijk gezegd niet meer. Dit is vast wel eens tegen hem gezegd, maar ik weet het niet.”

2.3

Door getuige [A], oud-werknemer van West Friese Jachtwerf, is verklaard:

“(…)

Mij is niet bekend of een prijs aan [geïntimeerde] berekend was op basis van nacalculatie of op basis van een vaste prijs. Ik heb daar ook nooit over nagedacht. Die kennis had ik niet nodig voor het uitoefenen van mijn werkzaamheden.

(…)”

2.4

Door getuige [B], adviseur van [appellant], is verklaard:

“(…)

Daarbij is ook besproken de wijze waarop met hem zou worden afgerekend, namelijk op uren/provisie basis. [appellant] had mij dit vooraf verteld, maar het is ook volstrekt gebruikelijk in deze branche. Ik heb toen bij [geïntimeerde] gecheckt of hij zich daarvan bewust was. Ik wilde namelijk voorkomen dat bij de klant misverstanden ontstaan. [geïntimeerde] bleek op de hoogte van de uren/provisieafspraak.

(…) Hij heeft ook niet gezegd dat hij een vast e prijsafspraak had of iets dergelijks. (…)”

2.5

Door getuige [geïntimeerde] is het volgende verklaard:

"(...) Voor het plan hoe de [X] zou moeten worden, heb ik een gedetailleerd bestek geschreven. Ik heb in Denemarken verscheidene offertes laten opstellen voor de refit. Via een bekende ben ik in aanraking gekomen met [Y]. Ik heb contact met hem opgenomen en hem het door mij opgenomen bestek doen toekomen. [Y] en zijn partner waren geïnteresseerd en zijn toen naar Denemarken gekomen, waar het schip lag. We hebben het schip bekeken en aan de hand van het bestek zijn we het hele werk doorgegaan. [Y] heeft veel foto’s gemaakt. Daarna zijn ze weer vertrokken. Ze zouden erover nadenken en een kostenopstelling maken. Dit heeft [Y] vervolgens ook gedaan. Hij wist van de offertes die ik had in Denemarken. Ik had daarover open kaart gespeeld. In de correspondentie refereert hij ook aan die offertes.

(...)

Vervolgens kwam er toen een brief van [Y] dat hij bezig was met het opstellen van de offerte. Daarna kwam er eigenlijk een soort afzegging, omdat hij het te druk zou hebben. Maar hierna is dan toch een offerte gekomen. Deze offerte vormde voor mij de basis van het hele contract. [Y] en ik hebben hierover meerdere malen, dus over een zekere periode, telefonisch gesproken. Ik heb van deze gesprekken notities gemaakt. Één daarvan is de bekende aantekening 10-15 %. Ik heb ook aantekening gemaakt van de prijs van de verwarming. Want [Y] was die vergeten mee te nemen. Ik had mij gestoord aan een zin in zijn offerte, namelijk die waar stond dat geen sprake was van fixed prices, maar wel realistisch. Ik heb toen hem gezegd: ‘[Y] dat is mij te vaag, wat is realistisch, in welke grootte kan de prijs afwijken’? Het antwoord van [Y] was: ‘plus minus 10-15%’. Ik heb dat op de offerte erbij geschreven en ik heb tegen hem gezegd dat ik daarmee kon leven.

Voor mij en [Y] was daarmee toen het contract gesloten. Omdat het voor mij ook een onzeker avontuur was, heb ik vervolgens, in overleg met mijn advocaat, nog een opdrachtbevestiging gestuurd. Daarin heb ik nog eens precies bevestigd dat de opdracht werd verleend op basis van de offerte en dat de prijs 10-15% naar boven of naar beneden kon afwijken. (...)
Ik heb bij de vorige getuigenverhoren met verbazing vernomen dat er beweerd werd dat het gebruikelijk was dat om in de branche op basis van uren te werken. Dat is absoluut ongebruikelijk. Je zou dan in feite carte blanche geven. Ik ben gewend projecten als deze te begeleiden. Daarom heb ik mij ervoor ingespannen, om voor mijzelf in mijn eigen project de zaken duidelijk vast te leggen, zodat er geen misverstanden zouden ontstaan.

(...)

In februari 2000 is het schip aan land gebracht en hebben we nogmaals vastgelegd hoe alles zou worden gemaakt. De binnenbouw van het schip kan in verschillende kwaliteiten worden uitgevoerd. Wij hadden daarover al vooraf gesproken en [Y] had al een bepaalde standaard in gedachten. We hebben alle punten met betrekking tot de binnenbouw één voor één besproken en vastgelegd door wie wat zou worden gemaakt. Ik had zelf een digitale tekening gemaakt waaruit bleek hoe de binnenbouw er precies uit zou moeten zien.

(...)

Ik had met [Y] afgesproken dat ik een protocol zou bijhouden voor alle werkzaamheden. Ik heb dit protocol steeds bijgehouden en aangepast als er werkzaamheden waren uitgevoerd en het dan per mail of per fax aan [Y] toegezonden, zodat hij van alles op de hoogte was.

(...)
In de zomer heeft [Y] een voorstel gedaan voor een dekhuis op het schip. Ik heb toen gezegd: ‘Een goed idee, hoeveel gaat dat kosten’? We zijn toen uitgekomen op 10.000 DM. Daarvoor heb ik een aanvullende opdracht verleend, ik heb dat ook vastgelegd in mijn protocol. Dus ook hier geldt dat geen afspraken zijn gemaakt op urenbasis, maar op een vast bedrag.

(...)

Ik kan niet bevestigen wat [appellant] de vorige keer als getuige heeft verklaard. Ik heb hem nooit gesproken op de werf en ik heb hem nooit gezegd dat op urenbasis zou worden afgerekend. Wat hij daarover heeft verklaard, is een leugen.

De werkzaamheden aan de [X] sleepten zich voort. Toen kreeg ik opeens een bericht van [appellant] om met hem te bespreken welke financiële afspraken ik met [Y] had gemaakt. Dit is het e-mailbericht van 15 juni 2001. In de bijlage bevond zich een urenstaat. Uit zijn e-mail leidde ik af dat [appellant] blijkbaar op urenbasis wilde afrekenen. Verder wilde [appellant] weten hoe we de kosten voor de Aurora apart konden nemen. Ik werd heel erg onzeker over deze brief en ik heb hem met mijn advocaat besproken. Vervolgens heb ik een lijst met gebreken opgesteld en deze tezamen met een ultimatum aan [appellant] toegezonden. Hierna ben ik naar Nederland gereden en heb ik [Y] tot de orde geroepen. Ik heb [Y] gevraagd waarom ik een rekening op urenbasis krijg en ik heb hem gevraagd of hij [appellant] misschien niet goed heeft geïnformeerd over onze overeenkomst. Hierop reageerde [Y] wat onzeker en geprikkeld en hij heeft mij gezegd: ‘[C], je moet hier weg’. Ik zei: ‘Waarom moet ik hier weg, het schip is immers nog niet klaar’. Mijn interpretatie was dat [Y] een dubbelspel heeft gespeeld. Hij zei: [C], we moeten jouw vertrek organiseren. Ik was sprakeloos. Hij zei: ‘Het moet, want [appellant] houdt zich niet aan de afspraken’. Vanaf dat moment hebben [Y] en mijn team, met name mijn oom, zoveel mogelijk werk aan het schip afgemaakt, zodat het te water kon worden gelaten.

(...)

Wat ik niet wilde was met [appellant] over uren spreken. Wat ik wel wilde was mijn kant van de afspraken nakomen. Ik had ook begrepen dat [appellant] niet op de hoogte was van afspraken die ik met [Y] had gemaakt over een vaste prijs.

(...)

Dan de proefvaart: [Y] had alles hier om heen georganiseerd. Op 12 september hebben we alle voorbereidende werkzaamheden gedaan. Het was zo gepland dat we met [Y] en met mijn mensen zouden wegvaren en vervolgens [Y] ergens aan land zouden afzetten. Op het laatste moment heeft [appellant] echter beslist dat ene [D] zou deelnemen aan de proefvaart. [Y] kwam toen op 12 september opgewonden bij ons en heeft gezegd dat we de plannen moesten wijzigen. [Y] heeft voorgesteld dat we langer moesten wegblijven, zodat de brug bij Enkhuizen niet meer open zou gaan. En precies zo hebben we het gedaan.

(...)

U vraagt mij wat mijn reactie is op eerdere verklaringen van andere getuigen dat ik vaak extra opdrachten gaf, en dat dan niet besproken werd wat de kosten consequenties waren.

Ik kan daarop zeggen dat we slechts twee aanvullende opdrachten hebben verstrekt. Alle andere gesprekken die allemaal vastgelegd zijn in het protocol, gingen alleen over afspraken die al waren gemaakt en over de precieze uitwerking daarvan.

(...)

U vraagt mij of ik rechtstreeks met [appellant] heb gesproken over de financiële afwikkeling. Het antwoord is: ‘Nee’. Omdat [Y] mij gezegd heeft dat [appellant] zich niet aan de afspraken zou houden.

U vraagt of ik het niet voor de hand lag dat ik dat zou verifiëren bij [appellant]. Voor mij niet, mijn aanspreekpunt was [Y]. Het is niet mijn verantwoordelijkheid als klant om iemand die een bedrijf overneemt op de hoogte te stellen van de afspraken die ik met dat bedrijf heb gemaakt.

Mr. Van Lingen vraagt of met het bestek de Leistungsbeschreibung wordt bedoeld de werkzaamheden zoals die zijn neergelegd in de brief van [Y]. Ik bedoel hiermee: Mijn fax van 4 oktober 1999. Waar ik eerder sprak over een gedetailleerd bestek wat ik had opgesteld, doel ik dus op deze fax. Deze beschrijving had ik al, omdat ik op basis hiervan naar Deense werven was geweest. De Deense werven hadden op basis hiervan offertes afgegeven.

(...)"

2.6

Door getuige [E], een oom van [geïntimeerde], is onder meer het volgende verklaard:

"(...)

Ik kan u vertellen dat voor de refit van het schip een vaste prijs gold met een overeenkomst en een bestek. U vraagt mij hoe ik dat weet. Ik heb dat gelezen. Ik heb die stukken gelezen, omdat ik bij de werkzaamheden steeds betrokken was en er ook dingen in stonden die ik zelf moest maken. U vraagt welke stukken ik dan precies heb gezien. Ik heb gelezen de werkovereenkomst en de stukken met betrekking tot prijs voor de verschillende werkzaamheden. Volgens mij kwam het uit op 140.000 DM. U vraagt of ik voorafgaand aan de overeenkomst over deze prijs gesproken heb met [geïntimeerde]. De prijs was passend en kwam overeen ongeveer met de Deense offertes. (...)"

2.7

Door getuige [F], een broer van [geïntimeerde], is onder meer het volgende verklaard:

" Ik was erbij toen de proefvaart werd gemaakt op 12 en 13 september. Op 12 september zijn we aangekomen. We hebben toen nog een aantal werkzaamheden afgemaakt omdat het schip nog niet helemaal gereed was. De 13e moesten er ‘s ochtends eerst ook nog werkzaamheden worden verricht. ‘s Ochtends kwam ook [Y] aan boord. Hij zei alles loopt volgens plan, we hebben nog een paar uur werk en dan kunnen we weg. Later die ochtend kwam hij terug en zei hij dat er een wijziging van plannen was opgetreden. Er zou namelijk nog iemand van de werf meevaren voor de zekerheid. Het gewijzigde plan was om laat terug te keren, op zo’n moment dat de sluizen al dicht waren. Ik geloof dat dat om zes uur was. En zo is het ook gegaan. U vraagt hoe laat we terug waren. Ik denk dat dat om half 7, 7 uur was, want het werd al langzaam donker. Toen zijn we van boord gegaan. We hebben nog een uur gewacht en toen zijn we weggevaren.

(...)"

2.8

[appellant] is vervolgens opnieuw gehoord als getuige, en heeft toen onder meer het volgende verklaard:

"(...)
Mr. Ingwersen vraagt waarom ik gehoord wil worden in contra-enquête. Ik wil graag opnieuw gehoord worden, omdat [geïntimeerde] als getuige een aantal aperte onwaarheden heeft verteld en die wil ik graag rechtzetten. Dat is in de eerste plaats het punt van de nacalculatie en in de tweede plaats de ontkenning van [geïntimeerde] dat wij elkaar hebben ontmoet. Dat is wel degelijk het geval geweest op of rond 1 april 2001. Om met dat laatste te beginnen. Ik heb [geïntimeerde] rond de overname van de werf op 1 april 2001 meerdere malen gesproken. Minimaal één keer was dat in aanwezigheid van zijn toenmalige echtgenote.

(...)

Er zullen straks drie getuigen komen die naar verwachting zullen verklaren over de ontmoetingen tussen [geïntimeerde] en mij. Verder is het zo dat er in het dossier een schrijven ligt van [geïntimeerde] aan [H]. van 17 april 2001, dus ongeveer van twee weken later. Hij schrijft mij daarin aan als [G]. Het is natuurlijk niet echt bewijs, maar het is volgens mij een sterke indicatie van de juistheid van mijn verklaring dat we elkaar wel degelijk gesproken hadden.

Verder wil ik iets zeggen over de zeer ernstige beschuldigingen die [geïntimeerde] heeft geuit jegens [Y]. Dat is in de eerste plaats de beschuldiging dat [Y] zou hebben gezegd dat [appellant] zich niet aan zijn afspraken houdt en dat hij, [geïntimeerde] daarom weg zou moeten gaan. De tweede beschuldiging is de actieve rol die [Y] zou hebben gespeeld bij het wegvaren van de [X]. Ik merk op dat deze ernstige beschuldigingen in de 10 jaar dat deze procedure loopt nooit eerder geuit zijn door [geïntimeerde]. Ik vind dat dat ze ongeloofwaardig maakt. Met betrekking tot het wegvaren is de feitelijke gang van zaken geweest dat al weken voor de proefvaart besloten was dat [A] en ik mee zouden varen. Pas 1 of 2 dagen voor de proefvaart is op mijn verzoek [Y] in mijn plaats meegegaan. Dit staat haaks op hetgeen [geïntimeerde] verklaard heeft over de rol van [Y]. Feit is bovendien dat [geïntimeerde] minimaal drie maanden voor de proefvaart wist dat [H] ui ging van nacalculatie. Feit is bovendien ook, dat volgt uit zijn eigen verklaring, dat [geïntimeerde] toen twee dingen heeft besloten: om niet met [H] in gesprek te gaan en om zonder te betalen weg te varen. Ook heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij vindt dat het niet zijn taak is als klant om de opdrachtnemer op de hoogte te stellen van wat de afspraken zijn. Ik vind dit onjuist. Volgens mij heeft een klant wel de taak om als er sprake zou zijn van misverstanden hierover opheldering te geven, althans dit minimaal uit te praten.

U vraagt mij wat nu precies de reactie was van [geïntimeerde] tijdens ons gesprek rond april 2001 over de kostenopstelling. Hij heeft daar toen in het geheel geen probleem van gemaakt. Hij heeft ook niet gezegd dat die opstelling toen al veel hoger was dan de kostenindicatie uit november 1999. Ik kende die kostenindicatie dus niet, zoals ik al eerder heb gezegd. Ik heb die voor het eerst in de rechtszaak gezien, maar [geïntimeerde] heeft er dus ook geen melding van gemaakt.

(...)

Het is duidelijk dat [geïntimeerde] ontevreden is, over de duur van het project en over de kosten. Ik constateer dat er in totaal vier kostenopstellingen zijn in dit dossier. Één van november 1999, één van 1 april 2001, één van 15 juli 2001 en één van september 2001. De kostenopstelling uit november 1999 gaat uit van een kleine 2000 uur werk. In de eindopstelling is sprake van 5600 uur werk. Dit is dus een verschil van een factor van bijna 3. In alle kostenopstellingen is de materiaalquote 20-25%. Dit is ook gebruikelijk voor een refit. Je kunt hieruit concluderen dat het project bijna drie keer zo groot is geworden. Als je dan bedenkt dat alle werkzaamheden zijn gedaan in opdracht van [geïntimeerde], terwijl hij erbij stond, vind ik het onbegrijpelijk dat iemand zich kan beroepen op een fax uit 1999, waar niet eens een fatsoenlijk bestek bij zat. Nota bene: [geïntimeerde] heeft 70 man personeel in dienst, althans destijds. Het hele project heeft onder zijn ogen plaatsgevonden.

(...)
Een ander frappant punt is het volgende. [geïntimeerde] zegt dat hij met [Y] in februari, maart 2000 in gesprek is gegaan over de invulling. Hij heeft toen een digitale schets aangeleverd. Dit is volgens mij niet te rijmen met een vaste prijsafspraak die dan in november 1999 zou zijn gemaakt. Hoe kun je nu een vaste prijs afspreken als je later nog met een uitwerking van de plannen komt.

(...)

2.9

Voorts is door [I], zwager van [appellant], het volgende verklaard:

"(...)

Mr. Ingwersen vraagt wat mijn functie was bij [H] B.V. rond 1 april 2001. Een echte naam had mijn functie niet. Ik deed allerlei dingen van diverse aard. Zo hield ik mij bezig met logistieke zaken en bijvoorbeeld de inkoop van materialen. Verder hield ik urenstaten bij van de werknemers en ik bestuurde ook wel de vrachtauto of heftruck van de werf.

Mr. Ingwersen vraagt of ik iets kan vertellen over de vraag of [appellant] en [geïntimeerde] elkaar rond 1 april 2001 hebben ontmoet. Ja, ik weet dat ze elkaar meerdere malen op de werf hebben gesproken. Ik weet dat, omdat je om bij het kantoor van [appellant] te komen door mijn kantoor heen moest lopen. Ik heb zo [appellant] en [geïntimeerde] door mijn kantoor zien lopen naar het kantoor van [appellant]. De eerste keer was dat ter bespreking van een factuur die ik had opgesteld. Deze had ik opgesteld aan de hand van de urenstaten en de materiaalkosten. Ik weet dat nog zo goed, omdat dat voor mij de eerste keer was dat ik een grote factuur opstelde, namelijk ter hoogte van 20.000 tot 50.000 gulden. Ik heb deze factuur in het Duits opgesteld, omdat mijn Duits vrij goed is. Ik weet dat deze factuur is besproken tussen [appellant] en [geïntimeerde].

(...)"

2.10

Door getuige [J], echtgenote van [Y], is het volgende verklaard:.

"(...)

Mr. Ingwersen vraagt of ik binnen [H]. de urenverantwoording deed, de administratie, de facturen, de betalingen, kortom de financiële administratie. Het antwoord is ja.

(...)
Mr. Ingwersen vraagt of ik na 1 april 2001 ben gebleven om werkzaamheden te verrichten die ik voorheen ook verrichtte. Het antwoord is ja. Ik ben blijven doen wat ik voorheen ook deed, dus de financiële administratie. Ik weet niet hoe lang ik dat heb gedaan. Op een gegeven moment zei [appellant] dat ik weg kon gaan, maar ik weet niet meer wanneer dat was. Ik was niet in dienst, het was pro deo om te helpen.

Mr. Ingwersen vraagt of het klopt dat ik met [Y] naar Denemarken ben geweest om de [X] te bekijken. Ja, dat klopt. Mr. Ingwersen vraagt hoe lang we daar geweest zijn. Dat was niet lang. Ik denk 1 à 2 uur. Het werd al een beetje donker, dus je kon het niet echt goed meer zien.

Mr. Ingwersen vraagt of er een vaste prijs is afgesproken voor de [X]. Nee, dat is niet het geval geweest. Daar kan ik heel stellig in zijn. Een vaste prijs is moeilijk te doen. De ervaring met de reparatie van schepen leert dat je wel ongeveer een bedrag kunt noemen, maar dat je nooit precies weet hoe het gaat. Het valt altijd tegen, in die zin dat je meestal wel iets tegen komt en daardoor het financiële plaatje weer anders wordt. Of de klant wil wat anders.

Mr. Ingwersen vraagt of ik contact heb gehad met de heer [geïntimeerde]. Ja.

Mr. Ingwersen vraagt of [geïntimeerde] bij dat contact ooit gerefereerd heeft aan een vaste prijs. Niet bij mij, dat zakelijke gedeelte deed ik niet.

Mr. Ingwersen vraagt wat ik gedaan zou hebben als hij daaraan wel had gerefereerd. Dan zou ik hem naar [Y] hebben gestuurd.

Mr. Ingwersen vraagt of ik specifiek iets kan vertellen over de overdracht van het project [X] in het kader van de overdracht van de werf. Nee, dat kan ik niet. Dat is gegaan in besprekingen tussen [Y] en [appellant].

Mr. Ingwersen zegt dat hij uit de procedure heeft begrepen dat er op de werf soms onderscheid werd gemaakt bij de administratie in de wijze waarop projecten financieel werden gehandeld wanneer sprake was van een vaste prijs, en wanneer sprake was van nacalculatie. Heb ik dit onderscheid ooit toegepast? Eigenlijk hadden we nooit dat op basis van een vaste prijs werd gefactureerd, het ging altijd op basis van nacalculatie.

Mr. Ingwersen vraagt of ik weet of [appellant] en [geïntimeerde] elkaar hebben gesproken. Ik kan het niet uit eigen waarneming zeggen. Ik zat altijd in een apart kantoortje en ik kan mij niet herinneren of ik hun ooit samen heb zien praten. Maar ik vermoed dat het haast wel zeker is dat ze elkaar wel hebben gesproken. Er was een overdracht van klanten dus die spreek je dan.

Mr. Van Lingen vraagt of ik op de hoogte ben van de correspondentie tussen [geïntimeerde] en mijn man, aan het begin van het project met de [X]. Ik kan dat niet zeggen. (...)"

2.11

Ook getuige [Y] is opnieuw gehoord, waarbij hij het volgende heeft verklaard:

"(...)

Ik heb gelezen dat hij heeft verklaard dat het mijn idee was om weg te varen met de [X]. Het klopt niet dat het mijn idee was.

Het is als volgt gegaan. Op het moment dat het schip klaar was is afgesproken dat een proefvaart zou worden gemaakt. Dat is niet met mij afgesproken overigens, ik wist dat niet. Op het laatste moment heeft [appellant] mij gevraagd in zijn plaats mee te gaan, omdat hij niet kon. Ik geloof zelfs dat dat op de dag zelf was dat hij dat vroeg, maar dat weet ik niet helemaal zeker. Er is toen vrij lang gevaren en toen we uiteindelijk weer terug waren zijn [A] en ik weggegaan. U vraagt mij of ik toen enig idee had dat het schip zou wegvaren. Nee, dat is niet het geval. U vraagt mij of het als een verrassing kwam. Ja, ik hoorde het een dag later.

(...)

Een vaste prijs was al maanden niet aan de orde geweest. U vraagt mij of die vaste prijs daarvoor dan wel aan orde is geweest. Nee, die is nooit aan de orde geweest. Er is wel een indicatie afgegeven. Maar die indicatie staat niet in relatie met wat er uiteindelijk aan werken is gebeurd. Ik bedoel daarmee dat er uiteindelijk veel meer werk is verricht. De indicatie had ook minder kunnen zijn, maar het ligt eraan hoeveel werk er zou worden verricht.

(...)

Mr. Ingwersen vraagt wat ik kan zeggen over het expanderen van het werk, in die zin dat ik eerst een indicatie heb afgegeven en dat het werk daarna enorm in omvang is toegenomen. Het antwoord is heel eenvoudig. Het begon er al mee toen het schip op de werf arriveerde de kiel er onder vandaan werd gehaald, omdat het schip over de weg was gebracht. Vervolgens is er pas toen, dus na het afgeven van de indicatie, gesproken over de wijze van de uitvoering van de werkzaamheden. Die werkzaamheden zijn zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin enorm uitgebreid. [geïntimeerde] had gewoon een heel ander schip voor ogen. Verder moet bedacht worden dat er ook een heel summiere aanduiding was gegeven in de indicatie van wat er aan het schip moest gebeuren. Ik had het schip 1 á 2 uur bezocht en 10 tot 15 foto’s gemaakt. In feite had ik dus niet meer dan een algemene indruk van het schip. Toen het schip eenmaal was aangekomen, bleek dat het om veel meer werk ging. Toen is [geïntimeerde] met zijn protocollen begonnen. Die protocollen waren in feite gewoon opdrachten, waarin hij aangaf wat en hoe hij precies wilde. Die opdrachten bleken af te wijken van wat in de eerste fase voor ogen stond. Het was gewoon veel meer werk en dan bedoel ik niet ‘meerwerk’, maar meer werk dan was gepland.

(...)

Mr. Van Lingen houdt mij de verklaring van [geïntimeerde] voor met betrekking tot de achtergrond van de aantekening ’10-15%’. Ik kan mij sowieso niet herinneren dat ik dat gezegd heb, 10-15%. Ik heb het er ook niet bij geschreven. Mr. Van Lingen vraagt mij dat het erom gaat waar die 10-15% vandaan komt. Ik kan mij dat niet herinneren.

Mr. Van Lingen vraagt of die 10-15% in het telefoongesprek ter sprake is gekomen. Dat weet ik niet. Ik zeg niet dat [geïntimeerde] het uit zijn duim heeft gezogen. Ik kan mij niet herinneren hoe het aan de orde is geweest. Mr. Van Lingen vraagt of het aan de orde is geweest. Ik kan mij dat niet herinneren, maar ik wil niet zeggen dat [geïntimeerde] hierover zit te liegen, dat weet ik niet.

Mr. Van Lingen houdt mij de fax voor van 23 december 1999 van [geïntimeerde] aan mij, waarin ook weer de 10-15% wordt genoemd. Ik kan mij die fax niet herinneren. Maar die 10-15% maakt het voor mij niet tot een contract. Het blijft een estimation. Daarmee bedoel ik dat het niet een contract op vaste prijs is. Dat was het niet.

Mr. Van Lingen vraagt of ik bedoel dat ik die fax niet ontvangen heb. Nee, dat bedoel ik niet. Ik bedoel dat ik me hem niet kan herinneren.

(...)

Mr. Van Lingen vraagt of ik de map van de [X] bij de overdracht aan [appellant] ter hand heb gesteld. Ik weet dat niet meer, hoe dat gegaan is.

Mr. Van Lingen houdt mij voor dat [appellant] heeft verklaard dat hij die correspondentie met [geïntimeerde] niet kent. Dat weet ik niet, dat zou kunnen. Ik heb net al verklaard dat ik niet meer weet hoe dat gegaan is.

(....)"

2.12

Het hof zal thans eerst beoordelen of [appellant] geslaagd is in de bewijsopdracht die hem is verstrekt, dat tussen [geïntimeerde] en West Friese Jachtbouw met betrekking tot het uitvoeren van werkzaamheden aan het jacht ‘[X]’, een nacalculatie-overeenkomst is overeengekomen.

Naar 's hofs oordeel is dat niet het geval, waartoe het volgende wordt overwogen.

[Y] is niet echt helder in zijn verklaringen met betrekking tot hetgeen partijen voor ogen heeft gestaan bij de totstandkoming van de overeenkomst. Vast staat dat de schriftelijke stukken van zijn hand, die van 11 november 1999, 25 november 1999 en 29 november 1999, geen melding maken van een prijsafspraak op basis van nacalculatie. Ook in de bevestigingsbrief van [geïntimeerde] van 23 december 1999 is dit niet te lezen. Uit de verklaringen van [Y] komt niet duidelijk naar voren dat hij [geïntimeerde] mededeling heeft gedaan of anderszins aan [geïntimeerde] duidelijk heeft gemaakt dat op basis van nacalculatie zou worden gewerkt. Over de bijschrijving door [geïntimeerde] van '10-15%' heeft [Y] in de procedure wisselende verklaringen afgelegd. Aanvankelijk heeft hij in een brief aan de curator van 20 februari 2004 verklaard dat hij nooit heeft gezegd dat er een marge zou zijn. Vervolgens verklaart hij eerst dat die marge, als hij al van toepassing is, alleen van toepassing is voor de werkzaamheden die in de offerte stonden en niet voor meerwerk. Later verklaart hij dat hij het zich allemaal niet meer kan herinneren.

Voorts heeft [Y] ook niet duidelijk verklaard over feiten en omstandigheden waaruit tijdens de werkzaamheden naar voren zou komen dat tussen partijen helder was dat afgesproken was dat gewerkt zou worden op basis van nacalculatie. Wel stelt [Y] dat op een gegeven moment geconstateerd is dat tegen uurloon zou worden afgerekend. Hij heeft echter niet duidelijk kunnen maken wanneer dit was en of dit gecommuniceerd is aan [geïntimeerde]. Deze verklaring impliceert mogelijk ook dat dit aanvankelijk anders was, en versterkt daardoor niet hetgeen te bewijzen is. [Y] legt in zijn verklaring veel nadruk op meerwerk dat verricht is, hetgeen meer aansluit bij een vaste prijs dan bij nacalculatie. Ook dit draagt niet bij aan het bewijs.

Voor wat betreft de getuigen [A] en [B] geldt dat hun verklaringen met name inhouden dat het gebruikelijk is in de branche of bij de refit van een schip op basis van nacalculatie te werken. Zij zijn echter niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst en ook overigens hebben zij niets verklaard wat duidelijk bijdraagt aan hetgeen te bewijzen is. De verklaring van [B], dat hij met [geïntimeerde] gesproken heeft over de wijze van afrekening, is door laatstgenoemde ontkend.
De verklaringen van [Z] en Hubers houden allebei in dat geen vaste prijs overeengekomen is. Echter, zij zijn niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst en leggen derhalve onvoldoende gewicht in de schaal ten gunste van [appellant].

Ten slotte de verklaring van [appellant]. Uit zijn verklaring komt duidelijk naar voren dat hij meende dat op urenbasis gewerkt zou worden. Mogelijk hebben mededelingen met die strekking van [Y] bijgedragen aan die opvatting. Mogelijk heeft [Y] ook niet de correspondentie met [geïntimeerde] aan [appellant] ter hand gesteld; dit is niet opgehelderd. [appellant] is echter niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst en pas in veel later stadium betrokken geraakt bij het project. Om die reden kan hetgeen hij meende over de wijze van afrekening met [geïntimeerde], niet van doorslaggevend belang zijn. Of [appellant] nu wel of niet met [geïntimeerde] heeft gesproken ten tijde van de overdracht van de werf acht het hof niet van doorslaggevend belang, niet alleen om dit geruime tijd na de totstandkoming van de overeenkomst was, maar vooral ook omdat hoe dan ook geen duidelijkheid is verkregen over wat bij die gelegenheid besproken zou zijn. De verklaringen van [appellant] en [geïntimeerde] staan op dit punt haaks op elkaar; andere getuigen kunnen over dat laatste niets verklaren.

De omstandigheid dat [geïntimeerde] niet bij [appellant] heeft gerefereerd aan de vaste prijsafspraak die er zijns inziens zou bestaan - [geïntimeerde] erkent dit in feite -, is naar 's hofs oordeel niet een duidelijke aanwijzing dat er dus op basis van nacalculatie zou worden afgerekend. Ten tijde van de bedoelde gesprekken was er bij [geïntimeerde] al sprake van wantrouwen in een goede afloop van de werkzaamheden aan het schip.

Al met al is het hof dan ook van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat steun biedt aan de stelling dat tussen partijen overeengekomen is dat op basis van nacalculatie zou worden afgerekend.

2.13

Thans zal het hof beoordelen of [geïntimeerde] is geslaagd in de bewijsopdracht die hem is verstrekt, dat tussen hem en West Friese Jachtbouw een vaste prijs is overeengekomen voor de werkzaamheden aan het jacht ‘[X]’, waarbij op basis van de werkelijk gemaakte kosten met een marge van maximaal 15% kon worden afgeweken.

Naar ’s hofs oordeel is dat ook niet het geval, waartoe het volgende wordt overwogen.

De eigen verklaring van [geïntimeerde] biedt steun aan hetgeen hij te bewijzen heeft, maar kan alleen maar gelden ter aanvulling van onvolledig bewijs, hetgeen betekent dat er aanvullend bewijs voorhanden moet zijn dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft, dat zij de verklaring van [geïntimeerde] voldoende geloofwaardig maken. Dat aanvullende bewijs ontbreekt in het onderhavige geval. Duidelijk is dat de verklaringen van [appellant], [I], [Z] en [B] niet als zodanig kunnen gelden, aangezien zij inhouden dat er geen vaste prijs is afgesproken c.q. dat er voor projecten als de onderhavige nimmer een vaste prijs wordt afgesproken. De verklaringen van [Y] zijn, zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, niet echt helder en wisselend van inhoud geweest. De getuigenverklaringen van [F] en [E] zijn weliswaar in het voordeel van [geïntimeerde], maar worden door het hof onvoldoende overtuigend geacht om, in samenhang met de eigen verklaring van [geïntimeerde], tot een bewezenverklaring te komen. Het hof overweegt hiertoe dat het om familieleden van [geïntimeerde] gaat – waardoor hun verklaringen met enige terughoudendheid moeten worden beschouwd – , terwijl zij bovendien zelf niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest en zich louter baseren op uitlatingen van [geïntimeerde].

Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat ook de schriftelijke stukken (de brieven van [Y] van 11 november 1999 en 25 november 1999, het faxbericht van [Y] van 29 november 1999, de brief van [Y] van 22 december 1999 en het faxbericht van [geïntimeerde] van 23 december 1999) onvoldoende (aanvullend) bewijs opleveren, nu partijen een verschillende uitleg geven aan de betreffende stukken en – aan de hand van het Haviltex-criterium en in het licht van de door de verschillende getuigen afgelegde verklaringen – niet geoordeeld kan worden dat de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg als de juiste moet worden beschouwd. Het hof acht in dit verband met name van belang dat [Y] heeft verklaard dat de in de correspondentie genoemde prijs, louter een indicatie van de prijs betrof, en dat voor een vaste prijs – die volgens hem, hetgeen is bevestigd door de getuigen [B] en [Z], feitelijk voor refit-projecten nooit wordt gegeven – een veel uitvoeriger en nauwkeuriger had moeten zijn en dat [geïntimeerde] dit ook zo had moeten begrijpen.

2.14

Aldus wordt geoordeeld dat beide partijen niet geslaagd zijn in het hen opgedragen bewijs. Dit brengt naar ’s hofs oordeel mee dat zal moeten worden beslist wat een redelijke prijs is voor de werkzaamheden die aan het schip zijn verricht. Daartoe moet een deskundige (of meerdere deskundigen) worden ingeschakeld. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vraagstelling. Daarbij moet als uitgangspunt worden genomen de in opdracht van [geïntimeerde] feitelijk aan het schip verrichte werkzaamheden, waarbij (uiteraard) buiten beschouwing dienen te blijven werkzaamheden die het gevolg zijn van eerdere fouten van de werf (zo daarvan sprake zou zijn).
Het hof acht het zeer wenselijk dat partijen tot een gezamenlijke voordracht en vraagstelling komen. Mede gelet op de kosten die met de inschakeling van een deskundige (of meerdere deskundigen) zijn gemoeid, geeft het hof partijen ook in overweging thans (alsnog) tot een minnelijke regeling van hun geschillen te komen.

2.15

Het hof zal iedere nadere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 12 november 2013, voor het nemen van een akte, om te beginnen aan de zijde van [appellant], als omschreven in r.o. 2.13;

houdt elke nadere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, G.C.C. Lewin en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2013.