Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3408

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
21-10-2013
Zaaknummer
200.048.519/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het namens de echtgenoot ondertekenen van een leaseovereenkomst volgt dat voor het aangaan daarvan de op grond van artikel 1:88 BW vereiste toestemming is verleend. Uit het namens de echtgenoot ondertekenen van het Dexia Aanbod mag niet worden afgeleid dat afstand is gedaan van het (eigen) recht om de vernietiging van een leaseovereenkomst in te roepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.048.519/01

zaaknummer rechtbank: 1031687 / DX EXPL 09-158

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juni 2013

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Dexia genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 30 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 12 augustus 2009, gewezen tussen [appellante] als eiseres en Dexia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende – zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – voor recht zal verklaren dat de onderhavige leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia zal veroordelen aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan Dexia onder deze overeenkomsten is betaald, vermeerderd met rente, met veroordeling van Dexia in de proceskosten, met nakosten.

Dexia heeft kort gezegd geconcludeerd tot verwerping van het beroep en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellante] in de proceskosten.

Dexia heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.7, de feiten vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2.2

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 10 mei 2000 heeft [appellante] een leaseovereenkomst met contractnummer 74409825, genaamd “WinstVerDriedubbelaar” ondertekend waarop haar echtgenoot [X] (hierna:[echtgenoot]) als lessee staat vermeld (hierna: leaseovereenkomst 1). Deze leaseovereenkomst is gesloten met de rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: Dexia) en heeft een looptijd van 36 maanden.[echtgenoot]

2.3

[echtgenoot] heeft op 11 oktober 2000 een leaseovereenkomst met contractnummer 76081206, genaamd “WinstVer10Dubbelaar”, ondertekend met als wederpartij Dexia, waarop hijzelf als lessee staat vermeld (hierna: leaseovereenkomst 2). Deze leaseovereenkomst heeft een looptijd van 120 maanden.

2.4

De leaseovereenkomsten zijn een zogenaamd restschuldproduct. Door Dexia is op 9 mei 2003 in verband met de beëindiging van leaseovereenkomst 1 een eindafrekening opgesteld. Volgens die eindafrekening is een negatief resultaat van € 10.801,93 ontstaan.

2.5

Op 24 maart 2003 heeft [appellante] het “Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod” (hierna: het aanmeldingsformulier) ondertekend. Op het formulier staat G.G. van Hooij als deelnemer vermeld. Bij haar handtekening heeft [appellante] geschreven: “onder protest en onder voorbehoud van alle rechten”.

2.6

Bij brief van 25 maart 2003 aan Dexia heeft [appellante] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de nietigheid van leaseovereenkomst 2 ingeroepen. Bij brief van gelijke datum en op dezelfde grond heeft[echtgenoot] de nietigheid ingeroepen van leaseovereenkomst 1.

2.7

Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [appellante] en[echtgenoot] hebben door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst − de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden willen zijn.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd op grond van artikel 1:89 in samenhang met artikel 1:88 BW en Dexia wordt veroordeeld aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan Dexia onder deze leaseovereenkomsten is betaald, vermeerderd met rente. De kantonrechter heeft deze vordering van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.2

Voor de beoordeling van de vorderingen van [appellante] geldt als uitgangspunt dat op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW voor het aangaan van de leaseovereenkomsten, die moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de leaseovereenkomsten te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten van de leaseovereenkomsten is verleend.

3.3

Met grief 1 voert [appellante] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat[echtgenoot] beide leaseovereenkomsten met Dexia heeft gesloten en dat beide op zijn naam staan. [appellante] stelt dat leaseovereenkomst 1 door haarzelf is gesloten en dat deze om die reden door[echtgenoot] is vernietigd wegens het ontbreken van zijn toestemming.

3.4

Het hof overweegt het volgende. In het individuele gedeelte van de inleidende dagvaarding van [appellante] wordt onder 2 gesteld dat de onderhavige leaseovereenkomsten (meervoud) tussen de “handelende partner en Dexia” zijn gesloten en dat deze contracten tot stand zijn gekomen zonder de wettelijk vereiste toestemming van “eiser”, dat is: [appellante]. Daarnaast wordt in de inleidende dagvaarding onder 3 gesteld dat door en/of namens eiser de onderhavige contracten (meervoud) zijn vernietigd. Verder heeft [appellante] bij akte uitlating na tussenvonnis een kopie overgelegd van de eerdergenoemde door haar en haar echtgenoot ondertekende opt-outverklaring. Deze verklaring is door[echtgenoot] als de contractant en [appellante] als de partner ondertekend. Tot slot staat in de tenaamstelling van beide leaseovereenkomsten[echtgenoot] als de lessee vermeld.

Uit het verweer en de stellingen in eerste aanleg van Dexia volgt dat zij steeds ervan is uitgegaan dat beide leaseovereenkomst met[echtgenoot] zijn gesloten.

In het licht van al deze omstandigheden heeft de kantonrechter terecht, namelijk als onbestreden door [appellante] zelf gesteld, vastgesteld dat[echtgenoot] de onderhavige twee leaseovereenkomsten heeft gesloten die beide op zijn naam staan.

3.5

In hoger beroep staat het [appellante] in beginsel vrij de feitelijke grondslag van haar vordering te vervangen door een andere. De enkele onverenigbaarheid met een in eerste aanleg ingenomen standpunt staat daaraan als hoofdregel niet in de weg. Dexia bestrijdt in hoger beroep het nieuwe standpunt van [appellante]. Dexia meent, als gezegd, dat zij beide leaseovereenkomsten is aangegaan met[echtgenoot].

3.6

[appellante] heeft naar het oordeel van het hof in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd dat leaseovereenkomst 1 tussen haar en Dexia tot stand is gekomen. Gelet op het – onbestreden – feit dat volgens de tenaamstelling van deze overeenkomst Van Hooij daarvan de lessee is, had [appellante] feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit (desondanks) volgt dat niet[echtgenoot], maar zijzelf als de contractspartij van Dexia moet worden aangemerkt. Dat [appellante] deze overeenkomst heeft ondertekend en [appellante] bijna drie jaar na het tot stand komen van deze overeenkomst een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring heeft uitgebracht, is daartoe onvoldoende. Bij gebreke van een voldoende motivering kunnen deze in hoger beroep ingenomen stellingen niet worden gevolgd en faalt grief 1.

3.7

De kantonrechter heeft geoordeeld dat met de ondertekening door [appellante] van het aanmeldingsformulier een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen haar en Dexia. Dat brengt volgens de kantonrechter mee dat [appellante] zich niet meer kan beroepen op de vernietiging van de leaseovereenkomsten. Om die reden zijn haar vorderingen afgewezen. De grieven 2 tot en met 4 zijn tegen dit oordeel gericht en zullen door het hof gezamenlijk worden behandeld.

3.8

In eerste aanleg heeft Dexia erop gewezen dat [appellante] leaseovereenkomst 1 heeft ondertekend en dat daaruit volgt dat zij voor het aangaan daarvan de op grond van artikel 1:88 BW vereiste toestemming heeft verleend. Dat standpunt is juist. Vanwege deze gegeven toestemming heeft [appellante] niet de mogelijkheid leaseovereenkomst 1 te vernietigen op grond van artikel 1:89 lid 1 BW. Daarvan uitgaande kan in het midden blijven of tussen [appellante] en Dexia door ondertekening van het aanmeldingsformulier met betrekking tot deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. De vorderingen van [appellante] die zijn gebaseerd op leaseovereenkomst 1 stranden reeds op de door haar verleende toestemming. De grieven 2 tot en met 4 kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden voor zover die zien op de afwijzing van haar vorderingen in verband met leaseovereenkomst 1.

3.9

Ten aanzien van leaseovereenkomst 2 overweegt het hof het volgende.

3.10

Bij conclusie van antwoord, onder 26, heeft Dexia erkend dat [appellante] tijdig bij brief van 25 maart 2003 met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de nietigheid van leaseovereenkomst 2 heeft ingeroepen. De op de vernietiging gebaseerde vordering van [appellante] dient volgens Dexia echter te worden afgewezen, omdat [appellante] het Dexia Aanbod heeft aanvaard.

3.11

Volgens Dexia was het Dexia Aanbod een aanbod tot het aangaan van een minnelijke regeling terzake van de controverses die rond de aandelenleaseproducten van Dexia zijn ontstaan. De minnelijke regeling houdt in dat de afnemer bij de beëindiging van een leaseovereenkomst verruimde mogelijkheden verkrijgt terzake van de aflossing van een eventuele restschuld, waartegenover de afnemer afstand doet van zijn mogelijkheden Dexia in rechte te betrekken.

3.12

De kantonrechter heeft [appellante] gebonden geacht aan het Dexia Aanbod. Zij heeft in het midden gelaten of [appellante] het aanmeldingsformulier, dat slechts door haar en niet door Van Hooij is ondertekend, heeft getekend in de hoedanigheid van “deelnemer” of “betrokken partij”. In beide gevallen heeft het Dexia Aanbod volgens de kantonrechter namelijk dezelfde gevolgen.

3.13

Het hof overweegt dat op het aanmeldingsformulier[echtgenoot] als deelnemer staat vermeld. [appellante] heeft haar handtekening geplaatst in het vakje dat bestemd is voor de handtekening van de deelnemer. Het vakje dat bestemd is voor de handtekening van de echtgenoot of partner van de deelnemer is leeg gelaten. Uit het voorgaande vloeit voort dat ervan moet worden uitgegaan dat [appellante] namens Van Hooij leaseovereenkomst 1 heeft ondertekend. Op gelijke wijze moet worden aangenomen dat [appellante] het Dexia Aanbod namens haar man heeft geaccepteerd (zij het met voorbehoud van alle rechten).

3.14

Uit het enkele feit dat [appellante] namens haar man het aanmeldingsformulier heeft ondertekend kan niet worden afgeleid dat zij ook voor zichzelf afstand heeft gedaan van het recht de vernietiging van enige leaseovereenkomst in te roepen, dan wel daartoe bij Dexia het gerechtvaardigde vertrouwen heeft opgewekt. In het licht hiervan kan verder in het midden blijven of Dexia en[echtgenoot] uitvoering hebben gegeven aan het Dexia Aanbod, naar Dexia stelt en [appellante] met grief 3 bestrijdt. Ook kan de betekenis van de toevoeging “onder protest en onder voorbehoud van alle rechten” op het aanmeldingsformulier verder onbesproken blijven. De conclusie is dat uit het enkele feit dat [appellante] namens haar man heeft ondertekend, niet mag worden afgeleid dat zij afstand heeft gedaan van haar recht om de vernietiging van leaseovereenkomst 2 in te roepen.

3.15

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [appellante] voor zover die betrekking hebben op leaseovereenkomst 2 in beginsel toewijsbaar zijn. Voor het overige behoeven de grieven van [appellante] geen bespreking meer.

3.16

Dexia stelt – naar het hof begrijpt – dat zij de vordering van [appellante] (die voortvloeit uit artikel 1:89 lid 5 BW) tot restitutie van hetgeen op grond van leaseovereenkomst 2 is betaald, kan verrekenen met de schadevergoedingsvordering die Dexia meent te hebben op Van Hooij wegens de schending door Van Hooij van de door hem bij het Dexia Aanbod gegeven garanties.

3.17

Het hof is van oordeel dat de vordering die Dexia op Van Hooij stelt te hebben in het geheel niet vaststaat. Of de vernietiging van leaseovereenkomst 2 meebrengt dat de garanties van het Dexia Aanbod zijn geschonden, vergt een nader onderzoek. Daar komt bij dat Van Hooij geen partij is in de onderhavige procedure en Dexia niet duidelijk maakt hoe in deze procedure zou moeten worden vastgesteld of zij wel een vordering op Van Hooij geldend kan maken. Ook overigens kan niet eenvoudig worden vastgesteld of Dexia deze beweerde vordering op Van Hooij wel kan verrekenen met de vordering die [appellante] op Dexia heeft, mede gelet op de voorbehouden die bij de ondertekening van het aanmeldingsformulier zijn gemaakt. Het beroep op verrekening is aldus niet voor dadelijke toewijzing vatbaar, zodat het hof daaraan gelet op het bepaalde in artikel 6:136 BW voorbij gaat.

3.18

[appellante] vordert wettelijke rente over de door Dexia terug te betalen bedragen vanaf de datum waarop deze aan Dexia zijn betaald. Dexia wijst er terecht op dat bij onverschuldigde betaling de ontvanger alleen zonder ingebrekestelling in verzuim is indien hij het ontvangene te kwader trouw heeft aangenomen. Daartoe heeft [appellante] onvoldoende gesteld. Dat brengt mee dat Dexia, naar zij zelf ook aanneemt, niet eerder in verzuim kan zijn geraakt dan na het verstrijken van een redelijke termijn na de vernietigingsverklaring. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 8 april 2003, dat is veertien dagen na de dagtekening van de vernietigingsbrief.

3.19

Uit het petitum zoals dat bij memorie van grieven is geformuleerd, begrijpt het hof dat [appellante] haar in eerste aanleg ingestelde vordering tot ongedaanmaking van de registratie bij het BKR in hoger beroep niet langer handhaaft.

3.20

Dexia heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de door [appellante] gevorderde uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad. Subsidiair heeft Dexia gevorderd dat aan een eventuele veroordeling de voorwaarde van zekerheidsstelling zal worden verbonden. Dexia meent dat haar belang bij het behoud van de bestaande toestand, gelet op de vele vergelijkbare zaken die tegen haar zijn aangespannen, zwaarder dient te wegen dan het (individuele) belang van [appellante].

3.21

Het hof overweegt dat de eiser bij een veroordeling tot betaling van een geldsom in beginsel het vereiste belang heeft bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dexia heeft in dit verband niets gesteld over een concreet restitutierisico aan de zijde van [appellante]. Het door Dexia gestelde belang vloeit voort uit andere zaken dan de onderhavige. Het had dan op haar weg gelegen het gestelde belang (cijfermatig) inzichtelijk te maken. Dat heeft Dexia nagelaten. Daar komt bij dat het door Dexia opgeworpen verweer dateert van ongeveer vier jaar geleden toen Dexia kennelijk tegelijkertijd met veel procedures werd geconfronteerd. Dexia maakt in hoger beroep niet duidelijk of dit belang nu nog steeds speelt en hoe zwaar dat belang thans moet worden gewogen. De bezwaren tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft Dexia aldus onvoldoende gemotiveerd. Het verweer van Dexia wordt daarom gepasseerd.

3.22

De conclusie is dat het hoger beroep gedeeltelijk succes heeft. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van [appellante] is toewijsbaar voor zover het leaseovereenkomst 2 betreft. Met deze stand van zaken zijn beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de kosten in beide instanties tussen partijen compenseren, zodat ieder de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomst met contractnummer 76081206, genaamd “WinstVer10Dubbelaar”, rechtsgeldig door [appellante] is vernietigd en veroordeelt Dexia aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan Dexia onder deze leaseovereenkomst is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2003 tot aan de dag van algehele betaling;

compenseert de proceskosten van het geding in beide instanties tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, J.W. Hoekzema en G.M. ter Huurne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.