Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3363

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
200.098.650-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reisverzekering. Diefstal. Bewijs dat het verzekerd risico zich heeft voorgedaan is door verzekerde niet geleverd. Eisen te stellen aan een bewijsaanbod in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.098.650/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 419902/HAZA 09-497

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 oktober 2013

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G. van der Meij te Katwijk,

tegen:

de rechtspersoon naar vreemd recht AGA INTERNATIONAL SA,
rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap MONDIAL ASSISTANCE EUROPE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Mondial Assistance genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 15 november 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2011, gewezen tussen [appellant] als eiser en Mondial Assistance als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met één productie;

- memorie van antwoord.


Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en
- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vordering tot een bedrag groot € 13.200,- met de wettelijke rente zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Mondial Assistance heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.


2.Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 25 november 2009 onder 2 (2.1 tot en met 2.9) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in dit geding om de volgende kwestie.

3.1.1

[appellant] heeft gesteld dat hij op 11 december 2007 in Nigeria tijdens een reis is beroofd van geld en goederen. Gestolen zouden zijn:
- een geldbedrag ter hoogte van € 9.500,-,
- twee paar schoenen ter waarde van € 500,-,
- een horloge ter waarde van € 5.500,-,
- een partij zijde ter waarde van € 4.000,-,

- een reistas ter waarde van € 2.500,- en
- een Nokia telefoon ter waarde van € 700,-.
Hij begroot zijn schade als gevolg van verlies van dit geld en deze goederen in totaal op € 22.700,- waarvan € 13.200,- wegens gestolen goederen.

3.1.2

Volgens [appellant] biedt de reisverzekering die hij op 30 november 2007 afsloot bij Mondial Assistance, dekking voor de schade die is veroorzaakt doordat zijn goederen werden gestolen. Verzekeraar Mondial Assistance heeft op verschillende gronden geweigerd om aan [appellant] schade uit te keren. [appellant] heeft Mondial Assistance vervolgens in rechte betrokken.

3.1.3

In haar tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] weliswaar enig bewijs in het geding heeft gebracht maar dat dit bewijs tegenover de gemotiveerde betwisting van Mondial Assistance (nog) niet voldoende was om te aanvaarden dat hij op 11 december 2007 in Nigeria is overvallen en dat hij de zaken waarvan hij stelt dat deze zijn gestolen in zijn bezit had. De rechtbank droeg [appellant] op te bewijzen dat hij op 11 december 2007 is bestolen van de door hem genoemde schoenen, horloge, zijde, reistas en telefoon. Ook overwoog de rechtbank in het tussenvonnis dat op grond van de verzekeringsovereenkomst de maximale schade-uitkering € 2.500,- zou bedragen, waarbij zowel voor het horloge als voor de telefoon een maximale vergoeding van
€ 350,- gold.
[appellant] heeft vervolgens aanvullend schriftelijk bewijsmateriaal in het geding gebracht en getuigen doen horen, te weten zichzelf als partijgetuige en mevrouw [getuige 1]. Van zijn derde getuige, mevrouw [getuige 2], heeft hij afstand gedaan nadat zij ondanks oproeping driemaal niet was verschenen.
In haar eindvonnis heeft de rechtbank veronderstellenderwijs aangenomen dat [appellant] in Nigeria is beroofd en vervolgens onderzocht of [appellant] had bewezen dat hij de hem genoemde schoenen, horloge, zijde, reistas en telefoon in zijn bezit had, toen hij werd
overvallen. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat [appellant] onvoldoende bewijs heeft geleverd. Zij heeft dan ook zijn vordering afgewezen.

3.2

[appellant] is tegen het eindvonnis opgekomen met twee grieven.
De eerste grief is gericht tegen het bewijsoordeel van de rechtbank. De tweede grief wil ingang doen vinden dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten de stelling van [appellant], dat hij in Nigeria is beroofd.
Dat betekent dat op grond van hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis heeft beslist, in dit geding als uitgangspunt heeft te gelden dat Mondial Assistance maximaal
€ 2.500,- aan [appellant] heeft te vergoeden.

3.3

In de toelichting op zijn eerste grief heeft [appellant] aangevoerd dat hij al het mogelijke heeft gedaan om de gegrondheid van zijn verzekeringsclaim aan te tonen. Hij heeft zijns inziens afdoende bewezen dat hij ten tijde van de beroving zijde ter waarde van
€ 4.000,- en een Rolex horloge ter waarde van € 5.500,- in bezit had. Die goederen heeft hij, zo heeft hij betoogd, in november 2007 gekocht in het warenhuis ‘Chinedu Ventures’. Hij is bij de koop geholpen door de eigenaar van de zaak, [X] (verder: [X]). Hij heeft een schriftelijke verklaring van deze persoon in het geding gebracht en aangeboden om deze persoon als getuige te doen horen. Helaas kan de eigenaar vanwege verkoop van de zaak geen kopie van de nota’s overleggen, aldus [appellant].
Verder wijst [appellant] erop dat de inspecteur die namens Mondial Assistance het warenhuis heeft bezocht, niet in staat is gebleken de naam te reproduceren van de persoon met wie hij sprak. Ook beroept [appellant] zich erop dat de prijs van pure zijde veel hoger is dan Mondial Assistance suggereert: al gauw € 319,- exclusief BTW per meter. Tot slot heeft hij aangevoerd dat informatie die hij op internet heeft gevonden, ondersteunt dat zijn Rolex-horloge ten tijde van de beroving € 5.500,- waard was.

3.4

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat het in eerste aanleg bijgebrachte bewijs ontoereikend houvast biedt voor de stelling van [appellant] dat hij ten tijde van de beroving goederen ter waarde van in totaal € 13.200,- in bezit had. Dat geldt ook als het hof daarbij in aanmerking neemt dat het voor een verzekerde niet altijd gemakkelijk is om een beroving en de waarde van gestolen goederen aan te tonen.
De schriftelijke verklaring van [X] waarop [appellant] zich in hoger beroep aanvullend heeft beroepen, legt onvoldoende gewicht in de schaal om in hoger beroep tot een ander oordeel te komen. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.

3.5

De schriftelijke verklaring van [X] is gedateerd 6 februari 2012 en houdt in dat de hem bekende [appellant] in de maand november 2007 in zijn winkel aan het Kraaiennest 48 te Amsterdam een zilverkleurig horloge, merk Rolex (replica) heeft gekocht en een grote partij zijde, dat zijn echtgenote [Y] daarbij aanwezig was alsmede dat [appellant] voor deze artikelen ongeveer € 9.000,- contant aan hem heeft betaald.
Om te beginnen valt op dat in de verklaring van [X] niets staat over schoenen, een reistas of telefoon. Met betrekking tot de gestelde diefstal van deze goederen legt deze verklaring in hoger beroep geen enkel gewicht in de schaal.
In de verklaring wordt melding gemaakt van een replica van een Rolex-horloge. [appellant] laat dit element uit de verklaring onbesproken, zodat in het ongewisse is gebleven wat dat onderdeel van de verklaring betekent. In elk geval moet het hof op basis van dit deel van de verklaring ermee rekening houden dat [appellant], anders dan hij heeft gesteld, een replica van een Rolex heeft gekocht. Zonder nadere, maar ontbrekende motivering valt niet in te zien waarom een replica is gelijk te stellen met een origineel, laat staan dat een replica dezelfde waarde vertegenwoordigt als een origineel. Dat alles leidt ertoe dat wat betreft de aankoop en de waarde van een origineel Rolex-horloge dat zou zijn gestolen, uit de schriftelijke verklaring van [X] geen bewijs valt te putten ten gunste van [appellant].
Verder valt op dat [X] zich in zijn verklaring weinig precies uitlaat over de hoeveelheid zijde die [appellant] bij hem zou hebben gekocht. [X] heeft bovendien niets verklaard over de aard en de hoedanigheid van de zijde (dikte/breedte/kleur) en ook niets over de prijs per strekkende meter van de zijde. Die vaagheid roept evident vraagtekens op, waarvoor [appellant] ten onrechte geen verklaring geeft.
Tot slot is vermeldenswaard dat tot de processtukken behoort een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel van 21 juli 2009 waarin staat de onderneming ‘[Y] Ventures”’ werd gedreven voor rekening van [Y]
Allen-[X]. Dat is niet in overeenstemming met het onderdeel van de verklaring van [X], dat inhoudt dat hij eigenaar (en verkoper) was. Toelichting die een en ander zou kunnen verklaren, ontbreekt.

3.6

In genoemd uittreksel uit het handelsregister staat ook dat de onderneming haar activiteiten met ingang van 1 september 2008 heeft gestaakt. Dat betekent dat in de periode dat [appellant] zijn schadeclaim indiende bij Mondial Assistance en hem werd gevraagd deze claim nader toe te lichten, de onderneming bestond. Dat roept vragen op over de stelling van [appellant] dat hij niet in staat was om te zorgen voor duplicaten van de nota’s van aankoop van het Rolex-horloge en de zijde.
Bij deze stand van zaken moet, mede in aanmerking genomen al hetgeen de rechtbank reeds – terecht - overwoog aangaande het bijgebrachte bewijs, de slotsom zijn, als gezegd, dat [appellant] ook in hoger beroep vooralsnog ontoereikend bewijs voor zijn stellingen heeft bijgebracht.

3.7

Blijft over de vraag of [appellant] in hoger beroep de gelegenheid moet krijgen om overeenkomstig zijn aanbod getuigen onder wie in het bijzonder [X] te doen horen.
Het hof is van oordeel dat het aanbod van [appellant] om opnieuw getuigen, thans in het bijzonder [X], te doen horen, niet voldoet aan de in hoger beroep aan zo’n aanbod te stellen eisen, mede gelet op hetgeen in dit verband in dit geding al is voorgevallen. In eerste aanleg kreeg [appellant] uitvoerig de gelegenheid om getuigen te doen horen over het bewijsthema dat tussen partijen centraal staat. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vervolgens een schriftelijke verklaring van [X] in het geding gebracht, waarvan ook [appellant] zich heeft moeten realiseren dat deze op zichzelf te vaag en onduidelijk is om het vereiste bewijs te leveren.
[appellant] had in die omstandigheden niet mogen volstaan met zijn algemene bewijsaanbod om door alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen in het bijzonder het horen van de heer [X] bewijs te leveren. In dit aanbod ontbreekt elke aanwijzing van hetgeen [X] meer of anders zou kunnen verklaren dan hij al heeft gedaan. Daarmee is het bewijsaanbod van [appellant] niet voldoende specifiek en ter zake dienend. Het hof zal daarom aan zijn bewijsaanbod voorbijgaan.

3.8

Dat betekent dat in dit geding niet is komen vast te staan dat [appellant] tijdens de beroving die op 11 december 2007 in Nigeria zou hebben plaatsgehad in bezit was
- twee paar schoenen ter waarde van € 500,-,
- een horloge ter waarde van € 5.500,-,
- een partij zijde ter waarde van € 4.000,-,

- een reistas ter waarde van € 2.500,- en
- een Nokia-telefoon ter waarde van € 700,-.
Dat brengt mee dat [appellant] verder geen belang meer heeft bij onderzoek van de kwestie of de beroving heeft plaatsgehad. Ook als zou worden vastgesteld dat deze beroving
heeft plaatsgehad, zal immers veroordeling van Mondial Assistance tot schade-uitkering aan [appellant] achterwege blijven, omdat die schade in rechte niet is vastgesteld.
De tweede grief behoeft verder geen afzonderlijke bespreking meer.

3.9

De grieven falen derhalve. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Mondial Assistance begroot op € 1.769,- aan verschotten en € 894,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, de proceskosten bij uitblijven van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze uitspraak;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, A.L.M. Keirse en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2013.