Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3317

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
200.124.917/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsverhaal. De gemeente stelt dat de vrouw naast de door haar opgegeven inkomsten beschikt over meer inkomen, zodat bij de berekening van haar draagkracht van een hoger inkomen dient te worden uitgegaan.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 oktober 2013

Zaaknummer: 200.124.917/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/503252 / FA RK 11-9125

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. J.B.M. Swart te Almere,

tegen

Gemeente Amsterdam,

zetelende te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de gemeente genoemd.

1.2.

De vrouw is op 8 april 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 januari 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/503252 / FA RK 11-9125.

1.3.

De gemeente heeft op 28 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 8 augustus 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de gemeente, vertegenwoordigd door mr. H.H.J. ten Hoope en mevrouw Van Hooijdonk.

2 De feiten

2.1.

De vrouw is [in] 1972 gehuwd met […] (hierna: de man). De vrouw en de man leven sinds ongeveer 25 jaar gescheiden van elkaar.

2.2.

Aan de man wordt sinds 3 november 2010 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.

2.3.

Bij brief van 5 juli 2011 is de vrouw door de gemeente verzocht haar financiële omstandigheden op te geven teneinde de gemeente in de gelegenheid te stellen de grens van haar onderhoudsplicht te bepalen.

2.4.

De vrouw heeft de gemeente in eerste instantie geen gegevens verstrekt. Bij verhaalsbeschikking van de gemeente van 25 juli 2011 is daarop de verhaalsbijdrage die de vrouw aan de gemeente moet betalen vastgesteld op € 1.031,47 bruto per maand met ingang van 1 augustus 2011.

2.5.

De gemeente heeft op 2 augustus 2011 alsnog het door de vrouw (gedeeltelijk) ingevulde inlichtingenformulier ontvangen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1954.

Zij ontvangt een WAO-uitkering. Deze uitkering bedroeg volgens de specificaties over juli 2011 en januari 2012 respectievelijk € 212,- en € 213,- netto per maand, exclusief vakantiegeld.

Zij ontvangt € 650,- per maand ter zake van inkomsten uit onderhuur.

Aan huur (en enige servicekosten) betaalt zij € 881,- per maand. Zij ontving in 2011 € 327,- per maand aan huurtoeslag.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalde zij in 2011 € 105,- per maand. Zij ontving in 2011 een zorgtoeslag van € 70,- per maand. Het eigen risico verbonden aan deze zorgverzekering bedraagt € 14,17 per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de vrouw in haar hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de man met ingang van 1 augustus 2011 € 801,- per maand aan de gemeente zal betalen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de gemeente om te bepalen dat de vrouw, ter zake van gemaakte en nog te maken kosten van bijstand voor de man, met ingang van 1 augustus 2011 een bedrag van € 801,50 per maand aan de gemeente zal voldoen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de gemeente tot bepaling van een verhaalsbijdrage af te wijzen en de gemeente te veroordelen in zowel de kosten van de procedure in eerste aanleg als dit hoger beroep.

3.3.

De gemeente verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de door de vrouw, in haar hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de man, met ingang van 1 augustus 2011aan de gemeente te betalen bijdrage in verband met de bijstand die de gemeente sinds 3 november 2010 aan de man verstrekt. Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de vrouw.

4.2.

Het hof zal met betrekking tot de draagkracht van de vrouw uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.6 weergegeven, behoudens voor zover hiervan in het navolgende wordt afgeweken. Het hof zal rekening houden met de alleenstaandennorm en zal een draagkrachtpercentage van 60 hanteren.

4.3.

Gebleken is dat de vrouw een WAO-uitkering ontvangt en dat zij daarnaast inkomen uit onderhuur heeft. De gemeente stelt dat de vrouw naast de door haar opgegeven inkomsten beschikt over meer inkomen, zodat bij de berekening van haar draagkracht van een hoger inkomen dient te worden uitgegaan. De gemeente wijst in dit verband op de [onderneming 1], [onderneming 2] en [onderneming 3] die op het adres van de vrouw staan ingeschreven en bovendien op de omstandigheid dat de vrouw President Commissaris is van [onderneming 1]. De vrouw heeft aangevoerd dat deze vennootschappen weliswaar op haar adres staan ingeschreven maar dat zij daaruit, noch uit haar functie van President Commissaris van [onderneming 1] geen enkele inkomsten ontvangt. Het betreffen uitsluitend activiteiten van haar zoon. Naar het oordeel van het hof heeft de gemeente tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt en is overigens ook niet gebleken dat de vrouw inkomsten uit deze ondernemingen verwerft. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om rekening te houden met inkomsten uit deze ondernemingen bij de bepaling van het inkomen van de vrouw.

Het hof ziet eveneens geen aanleiding om bij de bepaling van het inkomen van de vrouw de vergoeding die zij ontvangt van het [mc] in verband met vrijwilligerswerk als simulatiepatiënt in aanmerking te nemen. Gebleken is immers dat zij deze vergoeding niet ontvangt in het kader van een vast dienstverband bij het [mc], zodat deze vergoeding slechts incidenteel is, en voorts heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat deze vergoeding hoofdzakelijk is bestemd om in dat kader gemaakte kosten te dekken.

De gemeente stelt voorts dat de vrouw het persoonsgebonden budget dat zij maandelijks ontvangt niet volledig verbruikt, zodat het deel dat zij niet verbruikt kan worden aangemerkt als inkomen. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het persoongebonden budget dat zij ontvangt een voorschot is, hetgeen met zich meebrengt dat zij hetgeen zij niet volledig verbruikt dient terug te betalen. Zij heeft verder verklaard dat de met dit budget te betalen kosten niet altijd per bank worden betaald, zodat niet alle betalingen uit de bankafschriften blijken, hetgeen het hof voldoende aannemelijk acht. Het hof ziet derhalve geen aanleiding (een deel van) het persoonsgebonden budget bij de bepaling van haar draagkracht als inkomen in aanmerking te nemen.

De gemeente stelt vervolgens dat bij de bepaling van het inkomen van de vrouw de vergoeding voor het gebruik van de auto die de vrouw van haar dochter ontvangt bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw in aanmerking dient te worden genomen. Anders dan de gemeente is het hof van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto waar deze vergoeding betrekking op heeft van haar is en niet van haar dochter. Het komt het hof bovendien aannemelijk voor dat deze vergoedingen betrekking hebben op enerzijds kosten die de vrouw maakt in verband met het oppassen op haar kleinkinderen en anderzijds het karakter hebben van een gift. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding deze vergoedingen buiten beschouwing te laten bij de bepaling van het inkomen van de vrouw.

Ook de waarde van de boodschappen die haar kinderen in ruil voor het oppassen op haar kleinkinderen incidenteel aan de vrouw schenkt zal het hof niet als inkomsten aanmerken nu de vrouw hiermee voor een deel in de kosten van haar levensonderhoud voorziet.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof het inkomen van de vrouw zal bepalen aan de hand van haar WAO-uitkering en haar inkomsten uit onderhuur. Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw op basis van dit inkomen is vrijgesteld van inkomstenbelasting, zodat eventuele heffingskortingen of fiscaal voordeel in hoger beroep buiten beschouwing zullen worden gelaten. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en ziet, anders dan de gemeente heeft verzocht, geen aanleiding de vrouw te gelasten meer inzicht te verschaffen in haar inkomsten.

4.4.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft om enige verhaalsbijdrage te voldoen. Dit brengt met zich dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het inleidend verzoek van de gemeente wordt afgewezen. De overige geschilpunten behoeven hiermee geen bespreking meer.

4.5.

Het hof acht onvoldoende termen aanwezig om de gemeente te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de gemeente af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. R.G. Kemmers en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013.