Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3280

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
200.119.392-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke incassokosten ter zake van lidmaatschapsbijdrage van Vereniging van eigenaars. Voor de toepassing van 6:96 BW en het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten moet deze vordering worden beschouwd als een vordering uit de overeenkomst. Vordering ook ten aanzien van toekomstige termijnbedragen toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.119.392/01

kenmerk rechtbank Amsterdam : 1370885 CV EXPL 12-24321

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 september 2013

inzake

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS NIEUWBOUWWONINGEN KRUITBERG, GELEGEN AAN KRUITBERGWEG TE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. Y.H. van Ballegooijen te Breda,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

niet verschenen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de VvE en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 2 juli 2013 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.

De VvE heeft zich bij akte uitgelaten over de door het hof in het tussenarrest aangesneden kwesties, producties overgelegd en haar eis verminderd.

Daarna heeft de VvE wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest heeft het hof overwogen dat de eerste grief, die is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van toekomstige termijnbedragen, slaagt en de tweede grief, betreffende de afgewezen buitengerechtelijke incassokosten, faalt. Het hof heeft voorts de VvE in de gelegenheid gesteld bij akte haar betalingsvordering te beperken tot die bedragen waarvoor in het eerdere vonnis van 20 december 2011 nog geen veroordeling is uitgesproken en toe te lichten hoe het zit met de dubbele incassokosten in haar berekening van de vordering (€ 6.372,71, zijnde de achterstand in periodieke bijdragen tot en met 17 december 2012 inclusief buitengerechtelijke incassokosten en daarnaast een bedrag van € 358,04 aan buitengerechtelijke incassokosten).

2.2

De VvE heeft in haar akte het hof verzocht zijn oordeel met betrekking tot de tweede grief en de toepasselijkheid van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te heroverwegen. Hetgeen de VvE in dat kader heeft aangevoerd is ontoereikend om van een eerder gegeven eindbeslissing terug te komen.

2.3

Voorts heeft de VvE aangevoerd dat zij dan toch in ieder geval recht heeft op vergoeding van de voor 1 juli 2012 gemaakte incassokosten, omdat eerst per die datum artikel 6:96 BW is gewijzigd. Wat van dat argument ook zij, in de memorie van grieven is het niet aangevoerd en voor het aanvoeren van een dergelijke nieuwe grief is in dit stadium van de procedure geen plaats.

2.4

Bij het vonnis van 20 december 2011 is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de termijnen tot en met oktober 2011, aldus de VvE. Die termijnbedragen heeft zij nu uit haar berekening verwijderd. Zij berekent de achterstand vanaf 1 november 2011 tot en met juli 2013 op € 4.223,84 met rente. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat deze berekening niet juist zou zijn. Omdat de VvE steeds ook betaling heeft gevorderd van toekomstige termijnen is aanvaardbaar dat zij in deze verstekprocedure thans ook betaling vordert van periodieke bijdragen die na het uitbrengen van de appeldagvaarding zijn vervallen; zulk is niet als een eisvermeerdering te beschouwen. Het bedrag van € 4.223,84 is toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente over iedere termijn vanaf de vervaldatum daarvan. Daarnaast zal [geïntimeerde], zoals reeds aangekondigd, worden veroordeeld tot betaling van de toekomstige termijnen, dat wil nu dus zeggen: de termijnen vervallen vanaf 1 augustus 2013.

2.5

Als de in het ongelijk gestelde partij dient [geïntimeerde] de kosten van het hoger beroep te dragen, met uitzondering van die van de laatste akte, omdat die door de onduidelijke stellingen van de VvE noodzakelijk is geworden.

2.6

Voor de leesbaarheid zal het hof het hele bestreden vonnis vernietigen, behalve de beslissing over de proceskosten.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het tussen partijen onder bovengenoemd kenmerk door de rechtbank Amsterdam gewezen vonnis van 21 september 2012, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 4.223,84, zijde de achterstand in periodieke en eenmalige bijdragen vanaf november 2011 tot en met juli 2013, elke afzonderlijke termijn vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2012, dan wel (indien die later ligt) vanaf de vervaldatum van die termijn tot de voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de periodieke voorschotbijdragen, opeisbare stookkosten en opeisbare kosten voortvloeiend uit water- en of elektraverbruik vanaf augustus 2013 tot en met de dag der algehele voldoening, dan wel zoveel eerder als het lidmaatschap van [geïntimeerde] zal eindigen, vermeerderd met de wettelijke rente over elk termijnbedrag vanaf de vervaldatum daarvan tot de voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de VvE begroot op € 782,17 aan verschotten en € 632,= voor salaris advocaat en op € 131,= voor nasalaris advocaat, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris advocaat ingeval niet binnen 14 dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.H. Huijzer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.