Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3259

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
200.123.711-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep Dexia op verjaring vernietigingsbevoegdheid ex artikel 1:89 BW. Bewijsvermoeden dat echtgenote meer dan drie jaar voor haar buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden ontzenuwd. Verjaring niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.123.711/01

zaak-/rolnummer rechtbank : 953576/DX EXPL 08-2215

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

Dexia is bij dagvaarding van 29 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 21 december 2011, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met productie;

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Dexia heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - haar vordering alsnog zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het principaal appel zal verwerpen en in het (voorwaardelijk ingestelde) incidenteel appel, kort gezegd, primair zal verklaren voor recht dat de overeenkomsten tijdig vernietigd zijn en Dexia zal veroordelen al hetgeen onder deze overeenkomsten is betaald aan hem te voldoen, met wettelijke rente, en subsidiair, zal verklaren voor recht dat de verlengingsovereenkomsten tijdig vernietigd zijn en Dexia zal veroordelen al hetgeen onder deze overeenkomsten is betaald aan [geïntimeerde] te voldoen, met wettelijke rente, zowel in principaal als in voorwaardelijk incidenteel appel met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel hoger beroep, met beslissing – uitvoerbaar bij voorraad – over de proceskosten, met rente en nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 23 maart 2011 onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Dexia is rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland N.V. alsmede van Bank Labouchere N.V. en van Legio-Lease B.V. Waar wordt gesproken over Dexia zijn haar rechtsvoorgangsters daaronder begrepen.

3.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerde] heeft een tweetal effectenleaseovereenkomsten – met de naam WinstVerDriedubbelaar - getekend (hierna: de overeenkomsten), waarop hij als lessee stond vermeld en Dexia als wederpartij. De overeenkomsten zijn gedateerd op respectievelijk 7 juli 1999 en 13 november 2000.

(ii) [geïntimeerde] is gehuwd met[echtgenote] (hierna:[echtgenote]). Ook ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten was [geïntimeerde] met[echtgenote] gehuwd.[echtgenote] heeft [geïntimeerde] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten.

(iii) Bij brief van 25 oktober 2004 van haar gemachtigde heeft[echtgenote] met een beroep op het bepaalde in art. 1:89 BW de overeenkomsten vernietigd en terugbetaling gevorderd van alle door [geïntimeerde] gedane betalingen. Dexia heeft de vernietigingsverklaring niet geaccepteerd.

(iv) Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld. Deze eindafrekeningen zijn gedateerd op respectievelijk 1 juli 2005 en 13 mei 2005 en vermelden restschulden van respectievelijk € 14.019,90 en € 14.279,15.

( v) [geïntimeerde] en[echtgenote] hebben na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 (LJN: AZ7033) van dit hof een opt-out verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW afgelegd, als gevolg waarvan zij niet gebonden zijn aan de bij die beschikking verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

3.3.

[geïntimeerde] heeft Dexia in rechte betrokken en, voor zover van belang, gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomsten tijdig door de vernietigingsbrief van[echtgenote] vernietigd zijn en dat Dexia wordt veroordeeld tot (terug)betaling aan hem van hetgeen onder de overeenkomsten is betaald, met wettelijke rente, en tot het bewerkstellingen van ongedaanmaking van zijn registratie bij het BKR te Tiel, op straffe van een dwangsom. Dexia heeft zich erop beroepen dat het vernietigingsrecht uit hoofde van art. 1:89 BW ten tijde van de vernietigingsbrief was verjaard en harerzijds in reconventie het bedrag van de eindafrekeningen (met verrekening van een post) gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen (met dien verstande dat het terug te betalen bedrag is bepaald op € 17.776,55 in plaats van op het gevorderde bedrag van € 19.657,05) en de vordering van Dexia afgewezen. In het tussenvonnis van 21 december 2011 heeft de kantonrechter overwogen dat op Dexia de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het beroep op verjaring en dat de omstandigheid dat betalingen van een en/of-rekening op naam van [geïntimeerde] en[echtgenote] zijn gedaan het (bewijs)vermoeden wettigt dat[echtgenote] door kennisname van één of meer bankafschriften ten aanzien van de overeenkomsten meer dan drie jaar vóór de vernietigingsbrief kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomsten, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling is geslaagd. [geïntimeerde] is vervolgens toegelaten tot tegenbewijs. In het kader van het te leveren tegenbewijs heeft [geïntimeerde][echtgenote] en zichzelf laten horen. In het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] erin is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. De kantonrechter heeft het beroep van Dexia op verjaring vervolgens verworpen en heeft overwogen dat er van moet worden uitgegaan dat[echtgenote] de overeenkomsten tijdig heeft vernietigd. Hiervan uitgaande heeft de kantonrechter Dexia gehouden geacht tot restitutie aan [geïntimeerde] van de op grond van de overeenkomsten door hem gedane betalingen, verminderd met hetgeen [geïntimeerde] op grond van die overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen (zoals uitgekeerde dividenden)

3.4.

In hoger beroep handhaaft Dexia haar stelling dat het recht van[echtgenote] om een beroep te doen op art.1:89 BW ten tijde van de vernietigingsbrief van 25 oktober 2004 was verjaard. Volgens Dexia was[echtgenote] reeds voor 25 oktober 2001 van de overeenkomsten op de hoogte. Met grief I betoogt Dexia dat de kantonrechter het bewijsvermoeden ten onrechte ontzenuwd heeft geacht. Zij voert aan dat[echtgenote] met haar onbestendige en discutabele verklaringen alleen maar meer twijfel heeft gezaaid over zowel de geloofwaardigheid van de beide getuigenverklaringen afzonderlijk alsook van haar kennis en bemoeienis met de financiën binnen het gezin. Dexia wijst op volgens haar bestaande lacunes, feitelijke onjuistheden en onderlinge tegenstrijdigheden in de verklaringen van [geïntimeerde] en[echtgenote]. Ook tonen de overgelegde telefoongesprekken volgens Dexia aan dat hetgeen [geïntimeerde] en[echtgenote] hebben verklaard onjuist is.

3.5.

Grief I van Dexia faalt. [geïntimeerde] en[echtgenote] hebben – kort en zakelijk weergegeven - beiden verklaard dat zij ieder hun eigen bankrekening hadden, dat de en/of-rekening oorspronkelijk een rekening op naam van alleen [geïntimeerde] was en dat [geïntimeerde] die rekening beheerde en dat zij elkaars financiële post niet bekeken.[echtgenote] heeft met zoveel woorden verklaard dat zij nooit een rekeningafschrift van de en/of-rekening heeft bekeken. [geïntimeerde] heeft bevestigd dat alleen hij de administratie van de en/of-rekening deed. Ook het hof acht het vermoeden dat[echtgenote] bekend is geworden met de overeenkomsten door kennisname van één of meer bankafschriften waaruit van betaling terzake bleek, voldoende ontzenuwd door de verklaringen van [geïntimeerde] en[echtgenote]. Dat deze verklaringen op andere punten deels niet consistent zijn of feitelijk onjuist zijn gebleken, doet aan het vorenstaande niet af. De inconsistenties en onjuistheden zijn niet van dien aard dat aan de verklaringen op het punt van de en/of-rekening geen waarde meer kan worden toegekend. Uit de verklaringen van [geïntimeerde] en[echtgenote] kan voorts niet worden afgeleid dat[echtgenote], op andere wijze dan door kennisname van de rekeningafschriften, al vóór 25 oktober 2001 met de overeenkomsten bekend is geworden. Dat de inhoud van de (in 2002 gevoerde) telefoongesprekken waarnaar Dexia verwijst daarvoor concrete aanknopingspunten biedt, valt niet in de stellingen van Dexia te lezen. De stelling dat uit de gesprekken blijkt dat de overeenkomsten in het bedrijf van [geïntimeerde] werden besproken en[echtgenote] regelmatig in het bedrijf aanwezig was, is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling dat uit de gesprekken blijkt dat de dochter van[echtgenote] en [geïntimeerde] bekend was met de overeenkomsten. Overigens heeft Dexia de CD-rom waarop deze telefoongesprekken zijn te beluisteren in hoger beroep niet gedeponeerd en ook niet bij de gefourneerde stukken gevoegd. Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding Dexia te verzoeken dit alsnog te doen. Ook het hof komt derhalve tot de slotsom dat de door Dexia gestelde verjaring niet is bewezen en dat ervan moet worden uitgegaan dat de vernietiging tijdig heeft plaatsgevonden.

3.5.

Met grief II keert Dexia zich tegen de afwijzing van haar reconventionele vordering. In het falen van grief I ligt besloten dat ook grief II niet slaagt. De nevenvordering van Dexia tot terugbetaling door [geïntimeerde] van hetgeen Dexia ter voldoening aan het vonnis in eerste aanleg heeft voldaan, komt bij deze stand van zaken niet aan de orde. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beoordeling van het geschil kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt verworpen.

3.6.

Nu de grieven van Dexia niet slagen, kan ook het voorwaardelijk incidenteel appel – blijkens punt 4.1 van de memorie van antwoord/grieven in incidenteel appel ingesteld voor het geval de grieven van Dexia succes hebben en zouden leiden tot afwijzing van de in eerste aanleg toegewezen vorderingen – verder buiten bespreking blijven.

3.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] terecht heeft toegewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Dexia zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 666,- aan verschotten en € 894,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, C. Uriot en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013.