Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3243

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
200.128.973/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:3206, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

b-grond; het is in het belang van de kinderen noodzakelijk om de man alleen met het gezag over hen te belasten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 oktober 2013

Zaaknummer: 200.128.973/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/190162 / FA RK 12-678

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. T. de Deugd te Haarlem,

tegen

[…],

wonende of verblijvende op een onbekend adres,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 19 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 maart 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/190162 / FA RK 12-678.

1.3.

De zaak is op 21 augustus 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.4.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de heer W. Daalderop, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad);

  • -

    de heer R.J.J. Visser (hierna: de gezinsvoogd) namens Bureau Jeugdzorg Haarlem.

1.5.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2010 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 23 oktober 2012 is de echtscheiding uitgesproken. Partijen zijn de ouders van […] (hierna: [kind a]), geboren [in] 2005 en […] (hierna: [kind b]), geboren [in] 2007 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De kinderen verblijven sinds 16 oktober 2012 feitelijk bij de man.

2.2.

Bij voormelde beschikking van 20 maart 2013 is – onder meer – de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man bepaald.

2.3.

De kinderen zijn sinds medio 2012 onder toezicht gesteld.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het (aanvullende) verzoek van de man hem alleen met het gezag over de kinderen te belasten afgewezen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, dat verzoek alsnog toe te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat de vrouw (tijdig) voor de zitting op de hoogte was van het aanvullende verzoek van de man, alsmede dat dit verzoek een vergaande strekking heeft en niet op de in de wet voorgeschreven wijze aan de vrouw is betekend. Volgens de rechtbank valt niet uit te sluiten dat de vrouw door deze gang van zaken in haar verdediging is geschaad. Zij heeft daarom het aanvullende verzoek van de man afgewezen.

4.2.

De grief van de man, inhoudende dat de vrouw op de hoogte was van zijn aanvullende verzoek en daardoor niet in haar verdediging was geschaad, behoeft geen inhoudelijke bespreking, nu het hoger beroep mede ertoe strekt fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen en de vrouw in hoger beroep behoorlijk is opgeroepen, zodat bespreking van de grief achterwege kan blijven.

4.3.

Volgens de man verzetten de belangen van de kinderen zich tegen voortzetting van het gezamenlijk gezag. In dit verband stelt hij dat partijen niet over de kinderen kunnen communiceren en dat hij niet met de vrouw in contact kan komen. De onbereikbaarheid van de vrouw leidt volgens de man tot een onaanvaardbare situatie. Hij kan geen belangrijke beslissingen over de kinderen nemen, terwijl alleen hij feitelijk de zorg draagt voor hun verzorging en opvoeding. Hij stelt voorts dat de vrouw het belang van de kinderen niet voorop stelt, aangezien zij plotseling naar Engeland is vertrokken, nauwelijks tot geen contact heeft met de kinderen en met de gezinsvoogd, door BJZ georganiseerde afspraken heeft afgezegd en niet ter terechtzitting is verschenen.

De vrouw heeft in eerste aanleg, noch in hoger beroep verweer gevoerd.

4.4.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd het verzoek van de man toe te wijzen.

4.5.

Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders over een minderjarige het uitgangspunt is van de wetgever. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:251a lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter echter op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.6.

Zoals blijkt uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep verloopt het contact tussen de man en de vrouw uiterst moeizaam. De man beschikt niet over recente (e-mail)adresgegevens of een telefoonnummer van de vrouw. Er vindt geen overleg plaats tussen partijen over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen of over zaken die de opvoeding van de kinderen betreffen, en partijen zijn niet in staat om gezamenlijk afspraken hierover te maken. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat overleg hierover uitsluitend plaatsvindt door tussenkomst van de gezinsvoogd en eerst door diens tussenkomst beslissingen van enig belang over de kinderen kunnen worden genomen. Het hof acht dit niet in het belang van de kinderen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vrouw ook voor de gezinsvoogd, die uitsluitend beschikt over een e‑mailadres van de vrouw, niet voldoende bereikbaar is en dat de vrouw slechts sporadisch in Nederland is. Ter zitting in hoger beroep heeft de gezinsvoogd verklaard dat de in het afgelopen jaar gemaakte afspraken weinig resultaat hebben gehad en dat het behoorlijk uitoefenen van het gezag door de vrouw vanuit Engeland, mede gelet op het ontbreken van communicatie tussen partijen, moeilijk is.

Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk geworden dat praktische zaken met betrekking tot de zorg en opvoeding van de kinderen niet adequaat en voldoende spoedig kunnen worden geregeld. Het hof hecht in dit verband tevens belang aan het feit dat de kinderen thans onder toezicht zijn gesteld en in dat kader zorgen bestaan omtrent de kinderen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de kinderen hulpverlening nodig hebben en dat de vrouw de benodigde formulieren voor het starten van hulpverlening bij Usertis niet tijdig heeft getekend. Het hof overweegt voorts dat de man sinds het vertrek van de vrouw naar Engeland de dagelijkse zorg heeft voor de kinderen en derhalve in staat dient te worden gesteld uitvoering te geven aan zijn gezag. Het hof acht het bovendien, evenals de Raad, zorgelijk dat de man de vrouw niet kan bereiken wanneer zich een noodsituatie met betrekking tot de kinderen zou voordoen.

Onder voormelde omstandigheden is naar het oordeel van het hof geen sprake van een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening door partijen. Hiervoor ontbreekt thans een gemeenschappelijke basis. Het hof acht het derhalve in het belang van de kinderen noodzakelijk om de man alleen met het gezag over hen te belasten.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

belast de man alleen met het gezag over de kinderen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, A.R. Sturhoofd en M.J.J. de Bontridder in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013.