Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3219

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
200.129.108/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:10475, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor verhuizing naar Curaçao voor maximaal drie jaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/4 met annotatie van T.C.P. Christoph
FJR 2014/21.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 oktober 2013

Zaaknummer: 200.129.108/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/202003/FA RK 13-1178

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. M.J. Westhoff te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 25 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 22 mei 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/202003/FA RK 13-1178.

1.3.

De man heeft op 22 augustus 2013 en 28 augustus 2013 stukken ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 9 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 11 september 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man;

- mevrouw M. Dirkzwager, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2006 gehuwd. Hun huwelijk is op 26 juni 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 juni 2009 van de rechtbank Haarlem in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2006. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 9 juni 2009 heeft de rechtbank Haarlem, voor zover van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw is en de volgende regeling inzake de uitoefening van het co-ouderschap vastgesteld:

  • -

    [de minderjarige] zal in de even weken van donderdagavond tot en met zondagavond bij de man verblijven en van zondagavond tot en met donderdagavond bij de vrouw;

  • -

    [de minderjarige] zal in de oneven weken van donderdagavond tot en met vrijdagavond bij de man verblijven en van vrijdagavond tot en met donderdagavond bij de vrouw;

  • -

    de vakanties, feest- en verjaardagen zullen bij helfte tussen de partijen verdeeld worden.

2.3.

Bij vonnis van 9 oktober 2009, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 11 november 2009, heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem, voor zover van belang, de vrouw veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking van 9 juni 2009 vastgestelde omgangsregeling en bepaald dat de vrouw voor iedere keer dat zij hieraan geen medewerking verleent, aan de man een dwangsom verbeurt van € 100,-, tot een maximum van € 5.000,-.

2.4.

Bij beschikking van 15 december 2009 heeft de rechtbank Haarlem het verzoek van de vrouw om wijziging van de bij beschikking van 9 juni 2009 vastgestelde omgangsregeling afgewezen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang:

  • -

    het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming om voor maximaal drie jaar de woonplaats van [de minderjarige] te wijzigen en in juli 2013 met hem naar Curaçao te verhuizen, afgewezen;

  • -

    op het zelfstandig verzoek van de man bepaald, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 9 juni 2009, dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de man, indien en voor zover de vrouw haar voornemen om te verhuizen naar Curaçao tot uitvoering brengt.

3.2.

De vrouw verzoekt – naar het hof begrijpt –, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat aan haar toestemming wordt verleend om voor maximaal drie jaar de woonplaats van [de minderjarige] te wijzigen en met hem naar Curaçao te verhuizen en het zelfstandig verzoek van de man alsnog af te wijzen. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw subsidiair verzocht haar voorlopig toestemming te verlenen in afwachting van een definitieve beslissing van het hof.

3.3.

De man heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De vrouw voert aan dat het in het belang van [de minderjarige] is om met haar naar Curaçao te verhuizen, zodat de normale gang van zaken wordt gehandhaafd in die zin dat de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] in hoofdzaak bij haar ligt. Zij heeft sinds 2009 een bestendige relatie met haar partner, de heer [x], en recent een samenlevingsovereenkomst met hem gesloten. Het is in het belang van haar en [de minderjarige] dat deze relatie blijft bestaan en dat het gezin de heer [x] volgt bij zijn uitzending voor drie jaar naar Curaçao. Ter zitting in hoger beroep heeft zij aangegeven dat zij naar Curaçao zal verhuizen, ook als haar geen toestemming wordt verleend om [de minderjarige] mee te nemen. Op Curaçao hebben zij en haar partner een eengezinswoning, en is er een goede Nederlandse school voor [de minderjarige]. Uit een onderzoek van Triversum zijn volgens de vrouw geen zodanig verontrustende resultaten naar voren gekomen dat de ouders vervolg op dat onderzoek nodig hebben gevonden. Voorts zal de vrouw op Curaçao fulltime gelegenheid hebben om extra aandacht aan [de minderjarige] te geven. De man kan met [de minderjarige] intensief contact houden via de moderne communicatiemiddelen en [de minderjarige] kan meer en langer in de schoolvakanties bij de man verblijven. De vrouw is bereid een deel van de reiskosten voor haar rekening te nemen. Verder stelt zij dat de rechtbank de beslissing had moeten aanhouden voor een raadsonderzoek om te kunnen beoordelen of een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] naar de man in zijn belang is te achten. Volgens haar is een verhuizing van [de minderjarige] naar de man een ingrijpende wijziging in zijn leefomstandigheden en zal het zwaartepunt van zijn dagelijkse zorg bij derden komen te liggen, omdat de man een fulltime baan heeft.

4.2.

De man betoogt dat, indien de vrouw met [de minderjarige] naar Curaçao verhuist, zijn rol als vader aanzienlijk zal worden verminderd. Hij kan [de minderjarige] dan niet meer opvoeden volgens zijn normen en waarden en steunen op momenten waarop [de minderjarige] dat nodig heeft. Voorts stelt de man dat hij alsdan geen invloed kan uitoefenen op de educatie van [de minderjarige] en dat [de minderjarige] door een voor de man onbekende persoon zal worden opgevoed op Curaçao. Daarnaast is het de vraag of [de minderjarige] bij terugkeer in Nederland weer kan aarden. Bij een verhuizing door de vrouw naar Curaçao kan het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de man en zijn partner worden bepaald. Hij is in staat om voor [de minderjarige] te zorgen en [de minderjarige] heeft een eigen kamer bij hem. Verder stelt hij dat hij alle afspraken is nagekomen en dat in het verleden meerdere procedures zijn gevoerd, waarbij de vrouw een dwangsom is opgelegd voor het geval zij de omgangsregeling niet zou nakomen. In augustus 2013 heeft de vrouw zonder hem hiervan in kennis te stellen [de minderjarige] op het vliegtuig gezet van Curaçao naar Nederland, waarna [de minderjarige] voor zijn deur is afgeleverd; de vrouw was toen nog op Curaçao en dus niet in staat om de omgangsregeling na te komen, aldus de man.

4.3.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd onderzoek te doen naar de vraag of de verhuizing naar Curaçao dan wel een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] naar de man in zijn belang is. De Raad acht het zorgelijk dat de communicatie tussen de ouders is verslechterd door de voorgenomen verhuizing van de vrouw, hetgeen niet in het belang van [de minderjarige] is. Voorts acht de Raad het zorgelijk dat er slechts twee mogelijkheden zijn: of [de minderjarige] verblijft bij de vrouw op Curaçao of hij verblijft bij de man in Nederland. Indien de vrouw met [de minderjarige] naar Curaçao zal verhuizen, dient het contact met de man gewaarborgd te zijn. Vanwege de opgelopen emoties acht de Raad een onderzoek noodzakelijk, waarbij onder meer met [de minderjarige], de ouders en de school wordt gesproken.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. Voor zover de vrouw grieven heeft gericht tegen de gang van zaken in de procedure in eerste aanleg behoeven deze geen verdere bespreking, nu het hoger beroep er mede toe dient om eventuele fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen.

4.5.

Het hof acht zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen en ziet derhalve geen aanleiding de Raad opdracht te geven onderzoek te doen naar de vraag bij wie [de minderjarige] het beste kan wonen.

4.6.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), dient het hof in een geschil als het onderhavige tussen ouders die gezamenlijk zijn belast met het gezag, een zodanige beslissing te nemen als het in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat in een voorkomend geval ertoe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

4.7.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

4.8.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Partijen wonen sinds november 2008 gescheiden. [de minderjarige] woont vanaf het uiteengaan van partijen feitelijk bij de vrouw. Partijen zijn vervolgens een regeling overeengekomen waarbij [de minderjarige] vijf dagen per twee weken bij de man verblijft. [de minderjarige] heeft een goed contact met beide ouders en zij zijn het erover eens dat het goed gaat met [de minderjarige]. Volgens het hof is voldoende aannemelijk geworden dat het zwaartepunt van de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bij de vrouw ligt. Het hof is dan ook van oordeel dat het binnen deze zorgtaak van de vrouw past dat zij in beginsel de vrijheid krijgt daaraan invulling te geven, ook indien zij op Curaçao een nieuw bestaan wil opbouwen.

Mede gelet op de samenlevingsovereenkomst is voldoende aangetoond dat de vrouw een bestendige relatie heeft met haar partner. Haar partner is sinds 27 juli 2013 voor drie jaar uitgezonden naar Curaçao voor zijn werk bij het Ministerie van Defensie. Het belang van de vrouw om voor drie jaar te verhuizen naar Curaçao is daarmee voldoende aannemelijk geworden. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat de vrouw na terugkeer van Curaçao haar woning in Vijfhuizen weer kan betrekken en haar opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening kan vervolgen.

Het hof is niet gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich tegen een verhuizing naar Curaçao verzet. Tijdens de afgelopen zomervakantie is [de minderjarige] op Curaçao geweest. De man heeft niet betwist dat [de minderjarige] heeft genoten van de omgeving en dat hij daar contact had met andere Nederlandse kinderen die vanwege het werk van (één van) hun ouders naar Curaçao zijn verhuisd. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw de verhuizing zorgvuldig genoeg heeft voorbereid. Zij heeft kennisgemaakt met de potentieel nieuwe school van [de minderjarige] op Curaçao, de Schroederschool. Op Curaçao zal [de minderjarige] met de vrouw en haar partner in een eengezinswoning in [a] gaan wonen. Dat uit een onderzoek van Triversum van 27 november 2012 blijkt dat [de minderjarige] ADHD van het gecombineerde type en de stoornis van Gilles de la Tourette heeft, maakt het vorenstaande niet anders. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de brief van Triversum van 24 juni 2013 blijkt dat de vrouw heeft deelgenomen aan de psycho-educatiegroep voor ouders met kinderen met ADHD en het dossier bij Triversum wordt afgesloten, omdat de ouders geen verdere hulpvraag hebben. Voorts functioneert [de minderjarige] thans goed en is de vrouw op Curaçao fulltime beschikbaar om [de minderjarige] extra aandacht te geven. Voor zover in de toekomst [de minderjarige] extra hulp nodig zou hebben, is dat op Curaçao ook beschikbaar.

Het hof acht verder voldoende waarborgen aanwezig voor een aanvaardbare omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de man. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat de man drie keer per week contact met [de minderjarige] kan hebben via Skype en dat [de minderjarige] in de schoolvakanties bij hem in Nederland kan verblijven. Voorts heeft zij aangegeven dat voor [de minderjarige] via de werkgever van haar partner in totaal drie vliegtickets voor een periode van drie jaar beschikbaar zijn en ook kan zij haar drie vliegtickets aan [de minderjarige] overdragen. Het hof is van oordeel dat aan de vermindering van het contact tussen de man en [de minderjarige] in voldoende mate tegemoet wordt gekomen door een zorgregeling waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft gedurende ten minste tien dagen van iedere schoolvakantie van twee weken en gedurende ten minste vier weken van de zomervakantie, en de man minimaal twee keer per week op een tussen partijen in onderling overleg te bepalen tijdstip via Skype contact heeft met [de minderjarige], waarbij de vrouw ervoor zorgt dat het Skype contact tussen de man en [de minderjarige] tot stand komt. Nu de vrouw naar Curaçao verhuist, dient zij de reiskosten van [de minderjarige] te voldoen, in welk kader [de minderjarige] als “ummetje” kan reizen.

Alle voornoemde belangen en omstandigheden van dit geval tegen elkaar afwegende, waarbij aan het belang van [de minderjarige] weliswaar grote betekenis moet worden toegekend, maar dat belang niet doorslaggevend is, is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw om met [de minderjarige] naar Curaçao te verhuizen zwaarder weegt dan het belang van de man om regelmatig omgang te hebben met [de minderjarige] en [de minderjarige] in zijn directe omgeving te zien opgroeien.

4.9.

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen ook voor zover daarbij is bepaald, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 9 juni 2009, dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de man, indien en voor zover de vrouw haar voornemen om te verhuizen naar Curaçao tot uitvoering brengt, en het verzoek van de man alsnog afwijzen en de vrouw vervangende toestemming verlenen om voor maximaal drie jaar met [de minderjarige] naar Curaçao te verhuizen.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, opnieuw rechtdoende:

wijst af het verzoek van de man te bepalen, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 9 juni 2009, dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de man, indien en voor zover de vrouw haar voornemen om te verhuizen naar Curaçao tot uitvoering brengt;

verleent vervangende toestemming aan de vrouw om voor maximaal drie jaar de woonplaats van [de minderjarige] te wijzigen en met [de minderjarige] naar Curaçao te verhuizen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, A.R. Sturhoofd en J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. van Boheemen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013.