Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3200

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
200.125.068/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:510, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:3198
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid, vermeerdering verzoek, omgangsregeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 130, 283 en 362
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 september 2013

Zaaknummer: 200.125.068/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/158553 / FA RK 09-1957

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. T.M. Coppes te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en de vader genoemd.

1.2.

De moeder is op 11 april 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 januari 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/158553 / FA RK 09-1957. De vader heeft op 22 mei 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder heeft op 3 juli 2013 een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep.

1.3.

Op 15 juli 2013 heeft de Raad voor de Kinderbescherming een (gedeeltelijk) gerectificeerd raadsrapport van 16 mei 2013 ingediend.

1.4.

De zaak is op 7 augustus 2013 ter terechtzitting behandeld, nadat daaraan voorafgaand bij mondelinge uitspraak van het hof van 7 augustus 2013 mr. B.J. de Groot is benoemd tot bijzondere curator van [de minderjarige] voor de duur van deze hoger beroepsprocedure. Zie daarvoor de beschikking in de zaak in hoger beroep met landelijk zaaknummer 200.130.510/01.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw D. de Gelder, vertegenwoordiger van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: BJZNH);

- de heer R. Koops, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad);

- mr. B.J. de Groot, als bijzondere curator van [de minderjarige].

1.6.

[de minderjarige] is voorafgaand aan de terechtzitting in het bijzijn van zijn bijzondere curator door de voorzitter in raadkamer gehoord.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader (hierna tezamen: de ouders) hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren [de minderjarige] [in] 2003. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefent het gezag uit over [de minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 18 maart 2008 van de rechtbank Haarlem is een reguliere omgangsregeling, alsmede een vakantieregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige].

2.3.

Bij tussenbeschikking van 23 maart 2010 van de rechtbank Haarlem is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of het belang van [de minderjarige] zich tegen een omgangsregeling verzet en, zo dit niet het geval is, welke regeling in het belang van [de minderjarige] is. De behandeling van de zaak is om die reden aangehouden.

2.4.

Bij tussenbeschikking van 12 oktober 2010 van de rechtbank Haarlem is, met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 maart 2008, een regeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld waarbij zij gerechtigd zijn om wekelijks op zondag om 17.30 uur telefonisch contact met elkaar de hebben en is de beslissing over een fysieke omgangsregeling aangehouden.

2.5.

Bij beschikking van 28 februari 2012 van de rechtbank Haarlem is, voor zover thans van belang, een tijdelijke omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader vastgesteld inhoudende dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:

- tijdens een periode van twee maanden, te beginnen op 4 maart 2012, gedurende een (zondag)middag in de drie weken van 12.00 uur tot 17.00 uur, met inachtneming van hetgeen onder 2.7 van de beschikking is overwogen;

- aansluitend gedurende een periode van twee maanden een (zondag)middag in de twee weken van 12.00 uur tot 17.00 uur;

- gedurende de volgende twee maanden een (zondag)middag vanaf 12.00 uur tot na het eten;

Na deze opbouwperiode van een half jaar zal gestart worden met uitbreiding van de tweewekelijkse omgang tussen [de minderjarige] en de vader met een overnachting bij de vader.

2.6.

Bij beschikking van 18 juni 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland is [de minderjarige] met ingang van 19 juni 2013 tot 19 juni 2014 onder toezicht gesteld van BJZNH.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is:

- de volgende omgangsregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] verblijft bij de vader:

o vanaf de datum van de beschikking tot de meivakantie een zondag in de twee weken vanaf 10.00 uur tot na het eten;

o in de meivakantie een door partijen in onderling overleg vast te stellen dag vanaf 10.00 uur tot de volgende ochtend 12.00 uur (dus met een overnachting);

o na de meivakantie iedere twee weken contact, de eerste keer een zondag van 10.00 uur tot na het eten en de tweede keer twee weken later van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur en vervolgens de derde keer gelijk aan de eerste, de vierde gelijk aan de tweede enzovoort;

o in het midden van de zomervakantie een week aaneengesloten van zaterdag 10.00 uur tot de volgende zondag 17.00 uur;

o na de week zomervakantie: iedere twee weken een weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;

o gedurende de herfstvakantie van vrijdag 16.00 uur tot vrijdag 16.00 uur;

o de eerste week van de kerstvakantie van vrijdag 16.00 uur tot vrijdag 16.00 uur

  • -

    verstaan dat de overnachting alleen kan plaatsvinden indien het adres van de vader bij de moeder bekend is;

  • -

    de volgende omgangsregeling vastgesteld voor de vakanties vanaf 2014 waarbij [de minderjarige] bij de vader verblijft:

o in de even jaren gedurende de schoolvakanties van vrijdag 16.00 uur tot vrijdag 16.00 uur:

 het eerste deel van de zomervakantie;

 de tweede week van de kerstvakantie;

 de meivakantie (indien deze een week duurt; duurt deze twee weken dan de eerst week)

o in de oneven jaren vanaf 2015 gedurende de schoolvakanties van vrijdag 16.00 uur tot vrijdag 16.00 uur:

 het tweede deel van de zomervakantie;

 de herfstvakantie;

 de eerste week van de kerstvakantie;

 de voorjaarsvakantie;

 indien de meivakantie twee weken duurt: de tweede week van de meivakantie.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat – naar het hof begrijpt – het recht op omgang met [de minderjarige] aan de vader wordt ontzegd.

3.3.

De vader verzoekt in principaal hoger beroep primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren, althans het door de moeder in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de reguliere weekenden van de omgangsregeling en te bepalen dat [de minderjarige] in deze weekenden bij de vader verblijft van vrijdag na school, althans 16.00 uur, tot en met zondag 18.30 uur, waarbij de vader zal zorg dragen voor het halen en brengen, althans een omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht.

3.4.

De moeder verzoekt de vader in incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren, althans het door de vader in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

3.5.

De bijzondere curator heeft ter zitting in hoger beroep namens [de minderjarige] verzocht de zaak aan te houden teneinde de heer A. Kieviet, de therapeut van [de minderjarige], te horen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

Ontvankelijkheid

4.1.

De vader stelt dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het principaal hoger beroep, nu haar verzoek tot ontzegging een nieuw verzoek betreft dat thans voor het eerst in hoger beroep wordt ingediend en waardoor een instantie wordt overgeslagen. Voor zover het hof de in eerste instantie ingediende verzoeken strekkende tot minder omgang als subsidiair wenst te behandelen, merkt de vader op dat de moeder in haar petitum niet verzoekt om een verminderde omgangsregeling zodat zij ook in dat geval niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof overweegt dat nu het in 2009 ingediend inleidend verzoek tot wijziging van de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] afkomstig is van de moeder, haar verzoek in hoger beroep om te bepalen dat er geen omgang zal zijn tussen de vader en [de minderjarige] overeenkomstig de artikelen 130, 283 en 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) thans moet worden gezien als een vermeerdering van dat oorspronkelijke verzoek. De moeder dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

Omgangsregeling

4.2.

Aan de orde is de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige]. Op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het recht op omgang kan slechts worden ontzegd indien één van de ontzeggingsgronden zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 BW zich voordoet. De grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor een gezamenlijke behandeling.

4.3.

De moeder is van mening dat de rechtbank er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat zij ter zitting in eerste aanleg naar voren heeft gebracht dat de lopende omgangsregeling veel moeite kost en dat [de minderjarige] bij het halen en brengen angstig is. De angst van [de minderjarige] is volgens de moeder gelegen in het feit dat de vader zeer agressief tegenover de moeder is en dat [de minderjarige] hier het een en ander van heeft meegekregen. De slechte communicatie tussen de ouders werkt dit ook in de hand, aldus de moeder. De rechtbank heeft volgens de moeder ten onrechte de verklaring van de vader, dat na het vonnis in kort geding de gesprekken bij het Lorentzhuis zijn hervat, als waarheid aangenomen. De moeder stelt dat zich helemaal geen positieve ontwikkeling heeft voorgedaan sinds het kort geding en de ouders zijn helemaal niet meer met elkaar in gesprek nadat bij het Lorentzhuis duidelijk is geworden dat de vader niet wil meewerken. Ook het Lorentzhuis heeft volgens de moeder geconstateerd dat zij vanaf december 2011 geen constructief gesprek meer kunnen voeren met de vader. De vader heeft de moeder in april 2012 in het bijzijn van de therapeuten van het Lorentzhuis bedreigd, hetgeen ook is vastgelegd in de brief van 16 juli 2012 van het Lorentzhuis aan de rechtbank. In januari 2013 heeft het Lorentzhuis de rechtbank nogmaals een brief geschreven die op last van de wederpartij niet in het geding mag worden gebracht, maar ten aanzien waarvan de moeder het hof verzoekt deze alsnog in het geding te laten brengen. Uit deze brief blijkt dat het Lorentzhuis afraadt om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] uit te breiden. Indien het hof dit niet wenselijk acht, verzoekt de moeder het hof de therapeuten van het Lorentzhuis als getuige te doen horen over de gang van zaken tijdens de gesprekken die er bij het Lorentzhuis hebben plaatsgevonden. De moeder stelt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, uit geen van de overgelegde verslagen en brieven van de therapeuten van het Lorentzhuis blijkt dat zij een uitgebreide omgangregeling adviseren. De moeder is van mening dat de Raad heeft aangegeven dat een uitgebreidere omgangsregeling alleen plaats kan vinden, indien het Lorentzhuis bereid blijft de ouders te ondersteunen, hetgeen niet het geval is. De moeder is van mening dat nu de gesprekken bij het Lorentzhuis zijn beëindigd als gevolg van de houding van de vader, een verbetering van de communicatie niet mogelijk is. De rechtbank heeft volgens de moeder ten onrechte een eindbeschikking gegeven. De rechtbank geeft volgens de moeder zelf aan dat zij van mening is dat de tijd nog niet rijp is voor een eindbeschikking, doch dat zij toch een eindbeschikking geeft omdat de vader en de Raad hierop aandringen. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte concludeert dat er na het uiteengaan van partijen in 2006 een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader was, die inhield dat [de minderjarige] in het weekend bij de vader logeerde en waarbij [de minderjarige] tijdens de zomervakantie zelfs een week aaneengesloten bij de vader verbleef. Het is volgens de moeder juist dat een omgangsregeling was vastgesteld maar deze regeling heeft nooit goed gelopen. De moeder is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat tussen partijen niet in geschil is dat de huidige omgang goed verloopt. De rechtbank had niet om die reden deze regeling mogen vaststellen en deze als uitgangspunt mogen nemen voor verdere uitbreiding. De rechtbank had contra-indicaties moeten zien voor uitbreiding van de regeling met een nachtje slapen en vervolgens ook met de vakanties. De moeder stelt dat de huidige regeling helemaal niet goed loopt en dat wel degelijk sprake is van contra-indicaties voor slapen en een uitgebreide omgangsregeling. De moeder meent dat waar de rechtbank vaststelt dat voorwaarde voor omgang is, zeker als deze een overnachting omvat, dat vader zijn adres aan de moeder bekend maakt, de rechtbank de man de omgang had moeten ontzeggen toen deze ter zitting aangaf zijn adres niet bekend te willen maken. De moeder stelt dat de rechtbank heeft overwogen dat nadere concretisering van de uitvoering van de regeling moet plaatsvinden via het Lorentzhuis. Deze mogelijkheid bestaat evenwel niet meer. De regeling zoals deze thans loopt, een keer in de veertien dagen een zondag van 12.00 uur tot na het eten, lijkt het meest haalbare zolang de vader niet bereid is zijn gedrag tegenover de moeder en [de minderjarige] te veranderen, aldus de moeder. De door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling geeft volgens de moeder teveel ruimte voor onderling overleg, hetgeen nu eenmaal niet lukt.

4.4.

De vader betwist dat hij agressief is. De rechtbank is volgens de vader terecht niet overtuigd geraakt van de stelling van de moeder dat [de minderjarige] angstig is bij het halen en brengen. De vader wijst in dit verband op het conceptrapport van de Raad, waarin de goed lopende omgangsregeling en de behoefte van [de minderjarige] om met zijn vader op te trekken is beschreven. De vader stelt dat hij het traject bij het Lorentzhuis heeft willen voortzetten, maar dat het Lorentzhuis hem na de bestreden beschikking onheus bejegend heeft en zich partijdig heeft opgesteld. De klachten van de vader in dit verband zijn gegrond verklaard. De moeder herhaalt voor het overige kwesties, waarover volgens de vader in het vonnis in kort geding van 17 oktober 2012 reeds is beslist en die thans volgens de vader derhalve niet in geding zijn. De moeder loopt volgens de vader vooruit op het gegeven dat verbetering van de communicatie niet mogelijk is. De vader stelt dat een eindbeschikking als doel heeft dat er rust komt. De moeder blijft voorwaarden stellen, aldus de vader. De vader stelt dat de omgangsregeling vóór de procedure goed verliep. De vader wijst opnieuw op het rapport van de Raad en stelt dat het juist de moeder is die het geschil opzoekt en daarmee de belangen van [de minderjarige] schaadt. De vader stelt dat in de bestreden beschikking is opgenomen dat nadere concretisering van de omgangsregeling in het Lorentzhuis zal plaatsvinden voor zover nodig. Volgens de vader heeft de rechtbank een concrete verdeling opgenomen in het dictum en mag worden aangenomen dat de zinsnede ‘nadere concretisering zal plaatsvinden bij het Lorentzhuis voor zover nodig’ niet te zwaar moet worden opgevat. De vader verzoekt de verzoeken van de moeder die zien op het in het geding brengen van de brief van het Lorentzhuis, dan wel het horen van getuigen, af te wijzen nu het Lorentzhuis klachtwaardig heeft gehandeld en thans een rapport van de Raad voorhanden is. De man stelt dat nu hij inmiddels zijn adres heeft gegeven, [de minderjarige] bij hem kan overnachten. Hoewel de rechtbank een goede beschikking heeft gegeven, die rust voor [de minderjarige] en de ouders zou moeten brengen, ziet de vader aanleiding om het hof in incidenteel hoger beroep te verzoeken de reguliere omgangsweekenden te laten starten op de vrijdag na school of 16.00 uur/17.00 uur in plaats van op zaterdag om 10.00 uur. Een regeling van vrijdag tot en met zondag is gebruikelijk en de rechtbank heeft volgens de vader niet uitdrukkelijk gemotiveerd waarom dit niet de definitieve omgangsregeling zou kunnen zijn.

4.5.

De bijzondere curator heeft ter zitting in hoger beroep namens [de minderjarige] verzocht de zaak aan te houden, teneinde de heer A. Kieviet, de therapeut van [de minderjarige], te horen. De bijzondere curator heeft verklaard dat de heer A. Kieviet gedragsdeskundige is en een rapport over [de minderjarige] heeft opgesteld waaruit onder meer blijkt dat [de minderjarige] rust, veiligheid en duidelijkheid nodig heeft.

4.6.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De Raad heeft benadrukt dat de regeling zoals vastgesteld bij de bestreden beschikking voor de ouders enige verduidelijking behoeft.

4.7.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier is naar voren gekomen dat sinds geruime tijd onenigheid bestaat tussen de ouders ten aanzien van de wijze waarop invulling dient te worden gegeven aan de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige]. In dit verband zijn inmiddels verscheidene procedures gevoerd en meerdere beschikkingen gegeven. De onderlinge verstandhouding tussen de ouders is verstoord, de communicatie verloopt moeizaam, er is sprake van veel wantrouwen over en weer en de ouders verschillen in opvoedstijl. De ouders zijn vanaf februari 2011 begeleid door het Lorentzhuis door middel van het voeren van gezamenlijke gesprekken met als doel het herstellen van de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] en het vorm en inhoud geven aan zowel het ouderschap als aan de samenwerking tussen de ouders. Deze begeleiding van de ouders is inmiddels beëindigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat de strijd tussen de ouders zeer belastend is voor [de minderjarige]. Daarom is hij op 18 juni 2013 onder toezicht gesteld van BJZNH. BJZNH heeft inmiddels twee gezinsvoogden benoemd: één gezinsvoogd zal zich richten op de ouders de ander zal zich richten op [de minderjarige]. Uit het raadsrapport van 16 mei 2013 blijkt dat school [de minderjarige] beschrijft als een vriendelijke, leergierige en behulpzame jongen, dat zijn gedrag in de klas redelijk tot goed is en dat zijn resultaten goed tot zeer goed zijn. Uit voornoemd raadsrapport valt verder op te maken dat het voor [de minderjarige] noodzakelijk is dat hij begrip, structuur en duidelijkheid krijgt in de opvoedsituatie, dat hij de ruimte en veiligheid voelt om loyaal te kunnen zijn aan beide ouders, dat het voor een veilige ontwikkeling van [de minderjarige] van belang is dat er duidelijkheid komt, dat de omgangsregeling tussen hem en de vader wordt uitgevoerd en dat [de minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld om met beide ouders goed contact te hebben. [de minderjarige] heeft in het kinderverhoor in hoger beroep naar voren gebracht dat hij, anders dan hij bij de Raad heeft vermeld, geen omgang wil met zijn vader en niet bij zijn vader wil logeren. Het hof is er echter niet van overtuigd geraakt dat deze wensen authentiek zijn en overweegt dat het, gelet op de voorgeschiedenis, aannemelijk is dat de meningen van [de minderjarige] onder druk van zijn loyaliteitsgevoelens (zowel naar zijn vader als zijn moeder) tot stand komen en niet onbelast en in vrijheid worden gevormd. Daarom kan en mag aan zijn mening geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Het hof is, anders dan de moeder, van oordeel dat de belangen van [de minderjarige] zich niet verzetten tegen een omgangsregeling als door de rechtbank is vastgesteld en waarvan een overnachting bij de vader deel uitmaakt. Inmiddels heeft de vader zijn adresgegevens bekend gemaakt en [de minderjarige] heeft ook een keer bij de man overnacht, waarbij de overdracht goed is verlopen. Het hof is verder van oordeel dat, wat er ook zij van de angst en het wantrouwen van de moeder jegens de vader, niet gebleken is dat zich in het onderhavige geval een van de ontzeggingsgronden voordoet zoals vermeld in artikel 1:377a BW en dat ontzegging van het recht op omgang aan de vader niet in het belang is van [de minderjarige]. Het verzoek van de moeder zal dan ook worden afgewezen. Het hof acht zich op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende ingelicht voor het nemen van deze beslissing, zodat de verzoeken van de moeder tot het in het geding laten brengen van de brief van januari 2013 van het Lorentzhuis en het horen van de therapeuten van het Lorentzhuis als getuige, alsmede het verzoek van de bijzondere curator tot het horen van de heer Kieviet, zullen worden afgewezen.

4.8.

Ten aanzien van het verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep overweegt het hof als volgt. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de omgangsregeling zoals deze is vastgesteld bij de bestreden beschikking over het algemeen goed verliep, zolang [de minderjarige] een keer in de twee weken op zondag bij de vader verbleef van 10.00 uur tot na het eten. Er is tussen de ouders opnieuw strijd ontstaan op het moment waarop [de minderjarige] volgens de regeling een keer in de twee weken in het weekend van zaterdag op zondag zou overnachten bij de vader. Deze overnachting heeft om die reden tot op heden slechts een keer plaatsgevonden. Mevrouw de Gelder heeft ter zitting in hoger beroep namens BJZNH verklaard, dat het overdrachtmoment in dit logeerweekend tussen de ouders goed is verlopen. Het hof is met BJZNH van oordeel dat de omgangsregeling zoals vastgesteld bij de bestreden beschikking, met de daarin opgenomen opbouw, in het belang van [de minderjarige] dient te worden voortgezet. Gelet op het escalatieniveau tussen partijen en het gegeven dat pas recent en eenmalig sprake is geweest van opbouw in de regeling door middel van een logeerweekend, is de verdere uitbreiding zoals door de vader in incidenteel hoger beroep is verzocht thans niet aan de orde. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.

4.9.

Ter zitting in hoger beroep is door de Raad, mevrouw de Gelder en partijen aangegeven dat men verschilt over de uitleg van de door de rechtbank vastgestelde vakantieregeling. Het hof stelt vast dat interpretatieverschillen kunnen ontstaan waar het (uiteindelijke) reguliere schema van de regeling spreekt van omgang met de vader eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, terwijl de vastgestelde vakantieregeling telkens loopt van vrijdag 16.00 uur tot vrijdag 16.00 uur. Het hof is dienaangaande van oordeel dat het reguliere schema kan doorlopen in de hierna beschreven zin tijdens alle vakanties, met uitzondering van de zomervakantie vanaf 2014. Een vakantieweek, die begint in een weekend dat [de minderjarige] omgang met zijn vader zal hebben, vangt aan op vrijdag 16.00 uur en eindigt op de daaropvolgende vrijdag om 16.00 uur. Een vakantieweek die start in een weekend dat [de minderjarige] geen omgang met zijn vader zal hebben volgens het reguliere schema, start op zondag 17.00 uur en eindigt de daaropvolgende zondag om 17.00 uur. Gedurende de zomervakantie vanaf 2014 wordt de omgangsregeling uiteraard niet uitgevoerd volgens het reguliere schema in het tweede en derde weekend van de periode dat [de minderjarige] bij een van zijn ouders de vakantie doorbrengt, omdat de ouders anders niet in staat zijn gedurende een langere periode met [de minderjarige] op vakantie te gaan.

De week die [de minderjarige] volgens de vastgestelde regeling in 2013 in het midden van de zomervakantie aaneengesloten bij de vader zou verblijven, is gelet op de opgetreden stagnatie bij de opbouw van de regeling, in dit kalenderjaar niet langer in het belang van [de minderjarige] te achten.

De bestreden beschikking zal op de hiervoor genoemde onderdelen worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en in incidenteel hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover hierbij is bepaald dat de omgang van [de minderjarige] met de vader in de vakanties vanaf 2014 telkens aanvangt op vrijdag 16.00 uur en eindigt op vrijdag 16.00 uur;

bepaalt dat ten aanzien van de vakanties geldt hetgeen hiervoor onder 4.9 is vastgesteld;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover hierbij is bepaald dat [de minderjarige] in het midden van de zomervakantie 2013 een week aaneengesloten bij de vader verblijft van zaterdag 10.00 uur tot de volgende zondag 17.00 uur;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.G.H. Beckers, A.V.T. de Bie en L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2013.