Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3199

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
23-001955-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:100, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake doodslag en poging tot doodslag. Vrijspraak ten aanzien van de voorbedachte raad. Hof komt tot hogere straf dan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001955-10

datum uitspraak: 7 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-410686-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 september 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep op 27 februari 2013 door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 16 augustus 2009 te Bussum opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) een of meermalen met een mes in de hartstreek en/of de borststreek van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


2.

dat hij op of omstreeks 16 augustus 2009 te Bussum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade (de hoogzwangere) [slachtoffer 2], (meisjesnaam [slachtoffer 2]) van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, naar die [slachtoffer 2] is toegelopen en/of (vervolgens) (met kracht) een of meermalen met een mes in de borst en/of de (linker)zij, althans in het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op 16 augustus 2009 te Bussum opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met kracht meermalen met een mes in de hartstreek en de borststreek van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

dat hij op 16 augustus 2009 te Bussum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk de hoogzwangere[slachtoffer 2] (meisjesnaam [slachtoffer 2]) van het leven te beroven, met dat opzet, naar die [slachtoffer 2] is toegelopen en vervolgens met kracht meermalen met een mes in de borst en de linkerzij van die [slachtoffer 2] heeft gestoken.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverwegingen

Opzet

Het hof is op grond van de te bezigen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte opzet op de dood van[slachtoffer 1] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna ook te noemen:[slachtoffer 2]) heeft gehad. Met de rechtbank acht het hof hierbij van belang dat de verdachte doelbewust en gericht met een mes op laatstgenoemden heeft ingestoken. De handelingen waren naar hun aard gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan laatstgenoemden. Beiden werden geraakt in of nabij vitale lichaamsonderdelen en de verdachte wist dat zij daardoor zouden kunnen overlijden. Derhalve had de verdachte opzet op het overlijden van [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2]. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van de te bezigen bewijsmiddelen.

Voorbedachte raad

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van voorbedachte raad.

Zij heeft in dit verband –kort samengevat- aan gevoerd dat de verklaringen van[slachtoffer 2], [dochter] en [getuige], niet mogen worden gebruikt voor het bewijs (van: naar het hof begrijpt: het bestaan van voorbedachte raad). Voorts is er sprake van contra-indicaties voor het bestaan van een vooropgezet plan, nu de verdachte wist waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] woonden en het niet voor de hand lag dat de verdachte het moment van het tenlastegelegde zou hebben uitgekozen. Daarnaast zijn eerdere ontmoetingen nooit geëscaleerd en is [slachtoffer 1] naar de verdachte toegekomen en niet andersom, aldus de raadsvrouw. Hoewel niet wordt betwist dat de opzet voor doodslag vastgesteld kan worden, blijkt uit de uiterlijke omstandigheden niet dat de verdachte handelde met voorbedachte raad.

Standpunt advocaat-generaal

Door doelgericht te steken met een tevoren meegenomen steekwapen in de hartstreek bij beide slachtoffers is bij de verdachte sprake van opzet met voorbedachte raad. Voorafgaand aan het betreffende incident waren de gemoederen verhit, de slachtoffers vreesden voor hun leven. Ook op 16 augustus 2009 was de spanning weer hoog opgelopen. Verdachte liep linea recta naar zijn ex-partner met het meegebrachte steekwapen en stak in op vitale lichaamsdelen. Gelet op de sfeer rondom de omgangsregeling, de bedreigingen en de gedragingen van de verdachte voorafgaande en ten tijde van het delict is naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake van het volle opzet op poging tot levensberoving met voorbedachte raad van zijn ex-echtgenote. Dit geldt evenzeer voor de toegesnelde partner van[slachtoffer 2], [slachtoffer 1].

Overwegingen van het hof

Met betrekking tot het bewijs van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid “voorbedachte raad”, overweegt het hof het volgende.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, onder meer neergelegd in het arrest van 25 juni 2013, ECLI:HR:2013:72 moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Het hof leidt uit het dossier af dat de verstandhouding tussen de verdachte en[slachtoffer 2] slecht was en de (naleving van) de omgangsregeling met betrekking tot hun beider dochter [dochter] tot ernstige conflicten leidde. Dat vormt evenwel onvoldoende grond om op basis hiervan reeds de conclusie te trekken dat er sprake was van een vooropgezet plan van de verdachte om zijn ex-echtgenote en haar nieuwe partner [slachtoffer 1] om het leven te brengen.

Uit de diverse door dochter [dochter] afgelegde verklaringen, kan dit evenmin worden afgeleid.

[dochter] is dusdanig jong dat reeds op basis daarvan, mede gelet op haar positie in het gezin, uiterst behoedzaam met haar verklaringen dient te worden omgegaan. De inhoud en strekking van haar verklaringen is naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet, specifiek en eenduidig om op basis daarvan de conclusie te trekken dat de verdachte zich reeds voor het incident ondubbelzinnig heeft uitgelaten over een bij hem bestaand voornemen tot levensberoving van[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

Ook overigens zijn er in het dossier geen andere aanknopingspunten te vinden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De gebeurtenissen bij het station hebben zich binnen een zeer kort tijdsbestek afgespeeld. Niet is komen vast te staan dat de verdachte vanaf het moment dat hij zijn ex-echtgenote en (vervolgens) [slachtoffer 1] zag voldoende tijd had om zich te beraden omtrent zijn handelen. Mede gelet op hetgeen door getuigen is waargenomen valt niet uit te sluiten dat de besluitvorming van de verdachte om op [slachtoffer 2] en –vervolgens- de aangesnelde [slachtoffer 1] in te steken in een plotselinge drift plaatsvond. Zo heeft getuige[getuige] –kort samengevat- verklaard dat de verdachte door het lint ging en hij hem op grond van diens bewegingen de indruk gaf buiten zinnen te zijn (dossierpagina 80).

Dat de verdachte volgens getuige[getuige] bij het insteken op [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij ‘het af moest maken’ en dat hij niet kon stoppen (dossierpagina 101) doet hieraan niet af.

Gelet op het vorenstaande acht het hof - met de verdediging en anders dan betoogd door de advocaat-generaal – de ten laste gelegde 'voorbedachte raad' niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2

bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde terzake van moord respectievelijk poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde ter zake van moord respectievelijk poging tot moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer 1], pas 35 jaar jong, op klaarlichte dag bij het station [station] op gruwelijke wijze om het leven gebracht, door hem meermalen in de hart- en borststreek te steken met een mes. De verdachte heeft hem door zo te handelen het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt: het recht op leven. Daarnaast heeft hij nabestaanden, die niet, bij leven, op passende wijze afscheid van hem hebben kunnen nemen onpeilbaar leed bezorgd. Aan de destijds nog ongeboren zoon van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is het geluk ontnomen mede opgevoed te kunnen worden door zijn vader en hem te leren kennen.

De verdachte heeft voorts zonder mededogen op gewelddadige wijze met een mes ingestoken op zijn weerloze ex-echtgenote die zich over haar dochter wilde ontfermen. Daarbij heeft hij een voor haar buitengewoon angstaanjagende situatie geschapen. De handelwijze van de verdachte is des te schokkender nu [slachtoffer 2] hoogzwanger was en haar leven verbonden was met dat van haar ongeboren kind. Het is niet aan verdachtes handelen te danken dat zij en haar ongeboren kind het steekincident hebben overleefd.

De gebeurtenissen op het station moeten voor de omstanders die hiervan getuige zijn geweest, een ingrijpende ervaring zijn geweest. In het bijzonder moeten deze voor de dochter van de verdachte, [dochter] nauwelijks te bevatten zijn geweest. Sommige omstanders hebben met mogelijk gevaar voor hun eigen veiligheid ingegrepen door de verdachte het mes waarmee hij had ingestoken op [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] afhandig te maken.

Al met al rechtvaardigen de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, rekening houdend met het geldende strafmaximum, in beginsel een buitengewoon hoge onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof zal echter bij de strafoplegging tevens acht slaan op het rapport van het Pro Justitia multidisciplinair gedragskundig triple-onderzoek van 14 januari 2010, dat over de verdachte is opgemaakt door [onderzoeker], forensisch psychiater, [onderzoeker], gezondheidspsycholoog en[onderzoeker] forensisch milieuonderzoeker. Dit rapport bevat als conclusie dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Het hof neemt deze conclusie over en maakt deze tot de zijne.

Het hof zal er in het voordeel van de verdachte eveneens rekening mee houden dat de feiten reeds enige tijd geleden hebben plaatsgevonden en voorts dat uit het Uittreksel Justitiële documentatie van 23 september 2013 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Het hof is, alles afwegend, van oordeel dat de in eerste aanleg door de strafrechter opgelegde straf geen recht doet aan de aard en ernst van de door de door het hof bewezen geachte misdrijven.

De op te leggen straf is evenwel lager dan die welke is gevorderd door de advocaat-generaal, omdat geen sprake is van voorbedachte raad.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2][slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 25.200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte, te weten het op haar insteken terwijl zij hoogzwanger was, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag ter hoogte van € 10.200,- bestaande uit immateriële schade tot een bedrag ad € 10.000 en materiële schade tot het verzochte bedrag van € 200,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard nu beoordeling hiervan zou nopen tot een nadere civielrechtelijke instructie en een onevenredige belasting voor het strafproces zou opleveren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek

van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht,

bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij[slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.200 (tienduizend tweehonderd euro), bestaande uit € 10.000(tienduizend euro) voor immateriële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) voor materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot het verkrijgen van immateriële schadevergoeding en bepaalt dat de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 10.200,00 (tienduizendtweehonderd euro,) bestaande uit

€ 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 (zesentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee

zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee

zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. J.G.W. Willems-Morsink, in tegenwoordigheid van mr. A.J.E. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 oktober 2013.

Mw. J.G.W. Willems-Morsink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.