Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3197

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
06-10-2013
Zaaknummer
200.122.324/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof acht het onbetamelijk dat de gerechtsdeurwaarder, ondanks meerdere verzoeken van klager hieromtrent, nagelaten heeft uitleg te geven over de opbouw van de berekende rente. Met name de hoogte van het gevorderde bedrag aan rente (een bedrag van € 4.777,73 bij een hoofdsom van € 4.151,18), had de gerechtsdeurwaarder aanleiding moeten geven de juistheid van het rentebedrag te controleren. De rente bleek € 1.407,72 te zijn.

De klacht dat de rente door toedoen van de gerechtsdeurwaarder onnodig hoog is opgelopen, is ongegrond. Hof acht aannemelijk dat vanaf het moment van de ontruiming van de woning door klager op 4 december 2002 tot november 2011, tevergeefs is getracht de vordering ter zake van de proceskosten te incasseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

_____________________________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer: 200.122.324/01 GDW

zaaknummer kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam: 694.2012

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 1 oktober 2013

inzake:

[klager],

wonende te [plaats],

gemachtigde: [A],

APPELLANT,

t e g e n

[gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

gemachtigde: [C],

GEÏNTIMEERDE.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 19 februari 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 15 januari 2012, verzonden op 22 januari 2012. Bij die beslissing heeft de kamer het verzet van klager tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van
6 augustus 2012 gegrond verklaard en de door klager tegen geïntimeerde, verder de gerechtsdeurwaarder, ingediende klacht gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping.

1.2.

Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is een verweerschrift – met bijlagen – ingekomen, ter griffie ontvangen op 24 april 2013.

1.3.

Het hoger beroep is behandeld ter openbare zitting van 6 juni 2013.

De gerechtsdeurwaarder en beide gemachtigden zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder aan de hand van een aan het hof overlegde pleitnotitie.

1.4.

Van de zijde van klager is op 18 juni 2013 nog een aan [A] verstrekte volmacht ter griffie van het hof ingekomen.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

i. Klager is bij bij verstek gewezen vonnis van 15 augustus 2002 op vordering van de verhuurder veroordeeld tot ontruiming van zijn woning;

ii. Het verzet van klager tegen het vonnis van 15 augustus 2002 is door de voorzieningenrechter in de rechtbank te Zwolle bij vonnis van 6 november 2002 ongegrond verklaard. De vonnissen van de voorzieningenrechter zijn op 12 november 2002 aan klager betekend. Ontruiming van de woning heeft op 4 december 2002 plaatsgevonden.

iii. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 13 mei 2003 dit vonnis bekrachtigd. Klager is zowel in eerste aanleg als in appel in de kosten van de procedure veroordeeld.

iv. De gerechtsdeurwaarder, die door de verhuurder belast was met de incasso van de proceskosten, heeft het dossier op 5 februari 2004 gesloten, omdat uit de gemeentelijke basis administratie (GBA) bleek dat klager geen bekende woon- of verblijfplaats had;

v. Begin 2011 heeft de gerechtsdeurwaarder voornoemde vonnissen en arrest wederom ter executie van de proceskosten aangeboden gekregen.

vi. Op 2 november 2011 is de gerechtsdeurwaarder overgegaan tot betekening van het arrest van 13 mei 2003.

4 Het standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder het volgende.

4.1.

De gerechtsdeurwaarder heeft, ondanks verzoeken van klager daartoe, nagelaten aan hem uit te leggen hoe het bedrag aan gevorderde rente over de proceskosten is opgebouwd. Klager stelt dat de verschuldigde rente, mede gelet op het eerder door de verhuurder genoemde rentebedrag, veel lager dient te zijn.

4.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft de rente willens en weten laten oplopen. Klager stelt dat hij steeds via de GBA traceerbaar is geweest, waardoor het niet nodig was het dossier zo lang te laten liggen.

5 Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht van klager ten aanzien van onderdeel 4.1 erkend, maar de klacht ten aanzien van onderdeel 4.2. betwist en gemotiveerd weersproken. Een en ander zal hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

6 De beoordeling

6.1.

Het hof is met de kamer van oordeel dat het onbetamelijk is dat de gerechtsdeurwaarder, ondanks meerdere verzoeken van klager hieromtrent, nagelaten heeft uitleg te geven over de opbouw van de berekende rente dan wel het gevorderde bedrag aan rente nader te (doen) onderzoeken. Met name de hoogte van het gevorderde bedrag aan rente (een bedrag van € 4.777,73 bij een hoofdsom van € 4.151,18), zoals vermeld in de brief van de gerechtsdeurwaarder aan klager van 7 november 2011, had de gerechtsdeurwaarder aanleiding moeten geven de juistheid van het rentebedrag te controleren.
Het hof acht het onzorgvuldig jegens klager dat de gerechtsdeurwaarder de hoogte van de rente niet eerder dan bij de behandeling van de klacht bij de kamer heeft onderzocht. De rente bleek toen € 1.407,72 te zijn. Dat de gerechtsdeurwaarder, zoals hij heeft aangevoerd, ter zake van de foutieve renteberekening thans de nodige maatregelen ter voorkoming van de in het geval van klager gemaakte fout in zijn kantoororganisatie heeft genomen, doet aan het voorgaande niet af. De klacht ten aanzien van onderdeel 4.1. is derhalve, zoals de kamer ook heeft overwogen, gegrond..

6.2.

De stelling van klager, dat de rente door toedoen van de gerechtsdeurwaarder onnodig hoog is opgelopen, wordt daarentegen verworpen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof het aannemelijk dat vanaf het moment van de ontruiming van de woning door klager op 4 december 2002 tot november 2011, tevergeefs is getracht de vordering ter zake van de proceskosten te incasseren. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat in geval van ontbreken van een vast woon- en verblijfadres de GBA periodiek wordt geraadpleegd en dat het gebruikelijk is om in de tussenliggende perioden de zaak tijdelijk ‘in de koelkast’ te zetten. Uit het door de gerechtsdeurwaarder als productie 2 bij zijn verweerschrift in hoger beroep overgelegde overzicht van de GBA volgt ook dat,, in tegenstelling tot hetgeen klager heeft aangevoerd, diens woonplaats in de periode 4 december 2002 tot 31 maart 2005 onbekend was. Daar komt nog bij dat de gerechtsdeurwaarder de zaak in de periode tussen 5 februari 2004 en begin 2011 niet meer in behandeling had, zodat het tijdsverloop in die periode niet onder zijn verantwoordelijkheid viel. Wat betreft dit onderdeel acht het hof de klacht dus niet gegrond.

6.3.

Voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel acht het hof evenals de kamer de maatregel van berisping een passende sanctie.

6.4.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.M.A. Verscheure en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 oktober 2013 door de rolraadsheer.

Beslissing op verzet

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 15 januari 2013 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 6 augustus 2012 met nummer 358.2012 en het daartegen ingestelde verzet met nummer 694.2012 ingesteld door:

[klager],

wonende te [plaats],

klager,

vertegenwoordigd door [A],

tegen:

[gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaats], beklaagde.

1 Verloop van de procedure

Voormelde beslissing van de voorzitter is bij brief van 14 augustus 2012 aan klager verzonden. Bij brief van 24 augustus 2012 heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 27 november 2012. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 15 januari 2013.

2 De ontvankelijkheid van het verzet.

Het door klager ingezonden verzetschrift is ontvangen binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat het verzet ontvankelijk is.

3 De feiten

In een bij verstek gewezen vonnis van 15 augustus 2002 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle klager veroordeeld tot ontruiming van zijn woning in [plaats]. Klager is hiertegen in verzet gekomen. Bij uitspraak van 6 november 2002 heeft de Rechtbank Zwolle het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd. De woning is na tijdige aanzegging ontruimd op 4 december 2002. Bij arrest van 13 mei 2003 heeft het Gerechtshof te Arnhem op het door klager ingestelde hoger beroep beslist dat de uitspraak van 6 november 2002 wordt bekrachtigd. Klager is steeds veroordeeld in de kosten van het geding. De gerechtsdeurwaarder heeft het dossier op 5 februari 2004 gesloten omdat uit de

gemeentelijke basis administratie bleek dat klager geen bekende woon-of verblijfplaats had in Nederland. Begin 2011 heeft de gerechtsdeurwaarder opnieuw opdracht ontvangen tot executie van voormelde uitspraken. Omdat het GBA een briefadres van klager bevatte is voormeld arrest van het gerechthof op dat adres betekend op 2 november 2011. Bij brief van 7 november 2011 is aan klager een specificatie van de vordering verstrekt. Omdat op 14 november 2011 nog geen betalingsvoorstel was ontvangen is meegedeeld dat beslag zal worden gelegd op klagers inkomen. Bij brief van 23 november 2011 zijn opnieuw de proceskosten vermeld. In voormelde brieven is een bedrag aan rente genoemd van respectievelijk € 4.777,73 en € 4.789,51.

4 De inleidende klacht

Hierin heeft klager geklaagd over het feit dat de gerechtsdeurwaarder hem geen informatie verschafte over hoe de vordering was opgebouwd, waarbij hij met name vragen had over de berekende rente. Die duidelijkheid is niet gegeven, in plaats daarvan is beslag gelegd op de uitkering van klager, terwijl deze nog wachtte op informatie over de vordering.

5 De beslissing van de voorzitter

De voorzitter heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard en daartoe overwogen voor zover hier van belang: " ... De gerechtsdeurwaarder heeft op verzoek van klager bij brieven van 7 november 2011 en 23 november 2011 de klager geïnformeerd over de opbouw van de vordering en heeft hierbij klager de mogelijkheid geboden om de vordering te voldoen. Pas op 14 december 2011 is door de gerechtsdeurwaarder overgegaan op beslaglegging. Klager was ten tijde van de beslaglegging dus op de hoogte gebracht van de opbouw van de vordering. Nu betaling van de vordering uitbleef, mocht de gerechtsdeurwaarder executiemaatregelen treffen, zoals het leggen van beslag op de uitkering van klager. Enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen kan op dit punt niet worden vastgesteld. "

6 De gronden van het verzet

Klager heeft in verzet herhaald wat hij in de inleidende klacht heeft aangevoerd.

7 De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1

De Kamer is op grond van het navolgende van oordeel dat het verzet gegrond dient te worden verklaard en dat de beslissing van de voorzitter niet in stand kan blijven.

7.2

De gerechtsdeurwaarder bestrijdt dat niet gereageerd is op de door klager gestelde vragen. In het dossier bevinden zich verscheidene brieven van klager van eind 2011 en begin 2012 en schriftelijke reacties daarop van de gerechtsdeurwaarder. Uiteindelijk heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager bij briefvan 23 januari 2012 meegedeeld dat hij van oordeel is dat klagers vragen bij briefvan 13 januari 2012 voldoende zijn beantwoord en dat op verdere brieven daarover niet meer zal worden gereageerd. Gelet op vorenstaande kan niet worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder niet reageerde zoals klager stelt. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

7.3

De voorzitter is niet ingegaan op de klacht ten aanzien van de gevorderde rente over de proceskosten. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat het hem eerst toen de zaak ter voorbereiding van de behandeling ter zitting aan hem werd voorgelegd, opviel dat het in productie 12 bij het verweerschrift genoemde bedrag aan rente inderdaad erg hoog is. Daarom heeft hij een nieuwe renteberekening laten maken. Daaruit is gebleken dat de verschuldigde rente geen € 4.789,51, maar € 1.407,72 bedraagt. Dit klachtonderdeel dient derhalve gegrond te worden verklaard.

7.4.

Voorts ziet de Kamer aanleiding voor het opleggen van na te melden maatregel omdat de gerechtsdeurwaarder ondanks de vele brieven waarin expliciet geklaagd werd over de rente, pas bij de voorbereiding van de behandeling van het verzet ter zitting, aanleiding heeft gezien om de zaak inhoudelijk goed te bekijken. Dit acht de Kamer uitermate onzorgvuldig.

8. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • -

    verklaart het verzet gegrond; vernietigt de bestreden beslissing van de voorzitter;

  • -

    verklaart de klacht ongegrond ten aanzien van het niet beantwoorden van brieven van klager;

  • -

    verklaart de klacht ten aanzien van de berekende rente gegrond;

  • -

    aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros, voorzitter, en mr. E.C. Smits en J.C.M. van der Weijden, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2013 in tegenwoordigheid van H.A.J. van der Lee, secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.