Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3194

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
200 126 260/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 107 lid 1 van de Wet op het notarisambt diende het hoger beroep binnen dertig dagen na de dag van verzending van de brief van 26 maart 2013 te zijn ingesteld. De beroepstermijn eindigde derhalve op donderdag 25 april 2013. Het verzoekschrift van klager, waarin hij te kennen geeft zich niet met de uitspraak van de kamer te kunnen verenigen, is op 26 april 2013 (naar het hof aanneemt per abuis gestempeld als ingekomen op 29 april 2013) bij de kamer en op 1 mei 2013 bij het hof ingekomen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft klager ook verklaard dat hij op 26 april 2013 (per fax), naar zijn idee de laatste dag van de beroepstermijn, beroep heeft ingesteld bij de kamer. Zo er al van zou mogen worden uitgegaan dat het bij de kamer ingekomen beroepschrift als bij het hof ingekomen heeft te gelden, dan blijft het feit dat dit beroepschrift (ook bij de kamer) niet tijdig is ingediend. Klager is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

_______________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.126.260/01 NOT

zaaknummer eerste aanleg : 520786 / NT 12-32

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 1 oktober 2013

inzake:

[ APPELLANT ],

wonende te [ plaats ],

appellant,

t e g e n

[ DE KANDIDAAT-NOTARIS ],

kandidaat-notaris te [ plaats ],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. P.C.J. Twaalfhoven, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, hierna verder te noemen klager, is bij een op 1 mei 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat te Amsterdam, hierna verder te noemen de kamer, van 26 maart 2013, waarbij de kamer de klacht van klager tegen geïntimeerde, hierna verder te noemen de kandidaat-notaris, ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Op 24 juni 2013 is van de zijde van klager een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 29 augustus 2013. Klager en de kandidaat-notaris, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen. Klager en de kandidaat-notaris hebben het woord gevoerd; de kandidaat-notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep

3.1.

Aan klager is een afschrift van de beslissing van de kamer van 26 maart 2013 als bijlage bij een aangetekende brief van het secretariaat van de kamer van diezelfde datum toegestuurd. Bij fax van 16 april 2013 heeft klager het secretariaat van de kamer verzocht om aan hem “In verband met hoger beroep in te dienen voor 30 april 2013” een kopie van de beslissing van de kamer toe te zenden, met als toevoeging “Het aangetekende stuk is niet langer in mijn bezit”. Hierop is klager bij begeleidende brief van diezelfde datum een kopie van de beslissing van de kamer toegezonden en is klager voor de goede orde erop gewezen dat binnen 30 dagen na de dag van verzending van de beslissing van 26 maart 2013 hoger beroep kon worden ingesteld en door het verzenden van deze brief dus niet een nieuwe termijn was gaan lopen.

3.2.

Ingevolge artikel 107 lid 1 van de Wet op het notarisambt diende het hoger beroep binnen dertig dagen na de dag van verzending van de brief van 26 maart 2013 te zijn ingesteld. De beroepstermijn eindigde derhalve op donderdag 25 april 2013. Het verzoekschrift van klager, waarin hij te kennen geeft zich niet met de uitspraak van de kamer te kunnen verenigen, is op 26 april 2013 (naar het hof aanneemt per abuis gestempeld als ingekomen op 29 april 2013) bij de kamer en op 1 mei 2013 bij het hof ingekomen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft klager ook verklaard dat hij op 26 april 2013 (per fax), naar zijn idee de laatste dag van de beroepstermijn, beroep heeft ingesteld bij de kamer. Zo er al van zou mogen worden uitgegaan dat het bij de kamer ingekomen beroepschrift als bij het hof ingekomen heeft te gelden, dan blijft het feit dat dit beroepschrift (ook bij de kamer) niet tijdig is ingediend. Het verweer van de kandidaat-notaris dat het beroepschrift van klager niet voldoet aan de eisen die het procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven stelt aan de inhoud van een beroepschrift, behoeft derhalve geen bespreking.

3.3.

Behoudens bijzondere omstandigheden draagt de appellant het risico dat het beroepschrift eerst na het verstrijken van de beroepstermijn ter griffie van het hof binnenkomt. In deze zaak zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die als dergelijke bijzondere omstandigheden zijn aan te merken.

3.4.

Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

3.5.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 26 maart 2013.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 oktober 2013 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN

TE AMSTERDAM

Beslissing van 26 maart 2013 in de klacht met nummers 520786 / NT 12-32 Pee van:

[ klager ],

wonende te [ plaats ];

klager,

tegen:

[ de kandidaat-notaris ],

kandidaat-notaris te [ plaats ],

raadslieden: mrs. P.C.J. Twaalfhoven en D. de Gelder;

de kandidaat-notaris.

Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

  • -

    de klacht met bijlagen van 25 mei 2012;

  • -

    een aanvullend klaagschrift met bijlagen van 4 juli 2012;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van 21 augustus 2012;

  • -

    de repliek met bijlagen van 24 september 2012;

  • -

    de dupliek met bijlagen van 6 november 2012.

Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 14 februari 2013 is klager verschenen.

De notaris is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. Twaalfhoven aan de hand van een pleitnotitie. De notaris heeft een productie overgelegd. Uitspraak is bepaald op 26 maart 2013.

1 De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:

  1. Klager heeft tot eind augustus 2008 een affectieve relatie gehad met mevrouw [ X ] (hierna: X) Zij waren gezamenlijk eigenaar van hun toenmalige woning aan de [ adres ] (hierna: de woning).

  2. De kandidaat-notaris is werkzaam op het kantoor van notaris [ Y ]. Bij brief gedateerd 20 januari 2009 heeft hij een conceptakte van verdeling verstuurd aan klager, die hem daartoe opdracht had verstrekt, en aan de ex-partner van klager, met het verzoek te reageren op een aantal in die brief vermelde vragen. De conceptakte van verdeling van 23 januari 2009 betrof de verdeling van de woning, de daarop bij de ABN Amro afgesloten hypothecaire lening en de tot zekerheid voor de terugbetaling van die lening meeverbonden polissen van levensverzekering en overlijdensrisicoverzekering.

  3. Na een contact op 27 januari 2009 heeft de kandidaat-notaris geruime tijd niet van klager vernomen.

  4. Bij vonnis van 19 oktober 2011 heeft de rechtbank [ X ] veroordeeld: “mee te werken aan toedeling van het appartementsrecht betreffende de [ adres ] aan [ klager], op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag indien [ X ] in gebreke blijft binnen één maand na betekening van dit vonnis daaraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,00.”

  5. Op 9 november 2011 heeft klager de kandidaat-notaris gebeld met de mededeling dat hij de verdeling van de woning wilde afronden.

  6. Op 9 november 2011 heeft de kandidaat-notaris het volgende e-mailbericht aan klager gezonden: “Hierbij zend ik u zoals zojuist besproken, de u reeds eerder toegezonden concept akte van verdeling toe. (…)”

  7. Klager heeft de conceptakte op 10 november 2011 per e-mail doorgezonden aan de heer J. Vermeijden van de ABN Amro met het verzoek om spoedige afhandeling.

  8. Namens de ABN Amro heeft mevrouw S. Praagman contact opgenomen met de kandidaat-notaris. Zij heeft in een e-mailbericht van 30 november 2012 het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank aan de kandidaat-notaris opgestuurd, evenals het tussenvonnis van de rechtbank van 19 januari 2011.

  9. Op 6 december 2011 heeft de kandidaat-notaris een gewijzigde versie van de conceptakte aan klager en [ X ] gestuurd. In dit concept is de volgende tekst opgenomen: “(..) dat op grond van het – in kopie aan deze akte gehechte – vonnis van de rechtbank Amsterdam de dato negentien oktober tweeduizend elf zaaknummer/rolnummer 337238 / HA ZA 09-4160, de woning dient te worden toegedeeld aan de man. (..)

Tenslotte verklaarden de partijen: (..) dat partijen ter zake van deze verdeling niet meer van elkander te vorderen hebben en elkaar volledige kwijting verlenen zonder enig voorbehoud; (..)”

Op donderdag 8 december 2011 heeft klager de kandidaat-notaris bericht dat hij kon voortgaan met de voorbereiding ter tekening van de akte en dat hij die op maandag 12 december 2011 zou komen tekenen.

Omdat de kandidaat-notaris op zijn bericht van 6 december 2011 van [ X ] nog niets had vernomen, heeft de kandidaat-notaris haar per brief een herinnering verzonden voor het maken van een afspraak ter ondertekening van de akte.

Op 12 december 2011 heeft [ X ] de kandidaat-notaris het volgende bericht gezonden: ‘Onderstaand bericht vanuit mijn hotmail account heeft u kennelijk niet bereikt.(..)” Op 9 december 2011 had [ X ] het volgend bericht verzonden: “Dank voor de toezending van de concept akte van verdeling en de stukken van de ABN AMRO Bank N.V. ten aanzien van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Globale lezing van de conceptakte van verdeling leert mij dat een aantal zaken niet, niet juist of onvolledig worden benoemd. Graag zou ik daarom binnen afzienbare tijd met u een afspraak maken om de concept akte van verdeling door te lopen.(..)”

Op 14 december 2011 is [ X ] bij de kandidaat-notaris op kantoor geweest om de wijzigingsvoorstellen door te spreken.

Bij een e-mailbericht van 14 december 2011 heeft de kandidaat-notaris een conceptakte van verdeling, gedateerd 14 december 2011, aan klager en [ X ] gezonden, met het verzoek telefonisch contact op te nemen voor het maken van een afspraak tot ondertekening van de akte. In die akte is de waarde van de woning vermeld: “De waarde van de woning is op basis van gemeld vonnis van de rechtbank bepaald op negenhonderdzeventigduizend (€ 970.000,00), een en ander blijkens het – in kopie aan deze akte te hechten vonnis van de rechtbank de dato negentien oktober tweeduizendelf.” Onder de slotbepalingen is opgenomen: “Tenslotte verklaarden de partijen: (..) dat partijen ter zake van deze verdeling niet meer van elkander te vorderen hebben en elkaar volledige kwijting verlenen zonder enig voorbehoud;”

Op 16 december 2011 heeft klager de kandidaat-notaris drie e-mailberichten gezonden betreffende de conceptakte van 14 december 2011: “Ik hecht eraan dat de waarde van

€ 970.000, - verwijderd wordt, daar in hoger beroep deze kan veranderen.” En: “Ook onder: Waarde Woning De waarde van de woning is op basis van gemeld vonnis van de rechtbank bepaald op negenhonderdzeventigduizend (€ 970.000,00), een en ander blijkens het – in kopie aan deze akte te hechten vonnis van de rechtbank de dato negentien oktober tweeduizendelf dient te worden toegevoegd: “Onder voorbehoud uitspraak in hoger beroep”.” En: “De zinsnede in Slotbepalingen “- dat partijen ter zake van deze verdeling niet meer van elkander te vorderen hebben en elkaar volledige kwijting verlenen zonder enig voorbehoud” maak ik bezwaar tegen in zoverre toegevoegd wordt: “onder voorbehoud uitspraak in van hoger beroep” Met als toevoeging: “onder voorbehoud uitspraak in van hoger beroep”.

Vervolgens heeft ook mr. Gevaerts, raadsvrouwe van klager de kandidaat-notaris op

16 december 2011 gemeld dat zij dergelijke aanpassingen gewenst vond: “De grond gedachte is dat alle bestanddelen van het vonnis ook als zodanig benoemd worden zodat cliënt nog in hoger beroep kan gaan tegen dit vonnis zonder tegen geworpen te krijgen dat hij bij de verdelingsakte afstand van enig recht heeft gedaan. Indien de koppeling wat betreft de waarde en peildatum e.d. wordt gelegd met het vonnis lijkt mij dat voldoende. In elk geval dienen geen standpunten te worden ingenomen of rechten te worden prijsgegeven”. Vervolgens heeft de kandidaat-notaris met toestemming van klager de gewenste aanpassingen aan [ X ] voorgelegd.

[ X ] heeft de kandidaat-notaris op 16 december 2011 laten weten niet akkoord te gaan met de aanpassingen, aangezien het naar haar mening in strijd was met het vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2011 en omdat zij stelde dat klager de intentie had uitgesproken dat hij zich zou neerleggen bij dat vonnis: “Indien [ klager ] in hoger beroep wil – in tegenstelling tot de op zondag 30 oktober 2011 uitgesproken intentie tussen [ klager ], mij en mijn man – dan moet hij dat maar doen. Daar hoef ik de akte van verdeling niet voor te tekenen. (..) De waarde van de woning weglaten is in dit kader al helemaal onacceptabel. Om te verdelen is er een waarde nodig. Deze waarde is overigens door een onafhankelijke door de rechtbank aangewezen taxateur bepaald. (..)”

Bij e-mailbericht van 17 december 2011 heeft klager de kandidaat-notaris verzocht de akte, voorzien van zijn aanpassingen gereed te maken, zodat hij kon tekenen: “Ik kom aanstaande maandagochtend de acte ondertekenen zoals die voorgesteld is door mevrouw Gevaerts, advocaat. Het is dan aan [ X ] of ze deze acte ondertekent of niet. Zoals u weet is maandag de laatste dag tekening zonder dwangsom kan geschieden. Het heeft er alle schijn van dat [ X ] niet zal tekenen zodat ze de dwangsom van 1000 euro per dag kan eisen. Kan ik vervolgens aan de rechter laten zien dat ik wel heb getekend en zij de zaak frustreert. Dus graag de acte in orde maken.”

De kandidaat-notaris heeft vervolgens de conceptakte aangepast conform de wijzigingsvoorstellen van klager. Klager heeft de volmacht tot ondertekening van de akte in het bijzijn van notaris [ Y ] en de kandidaat-notaris op maandag 19 december 2011 getekend.

Bij e-mailbericht van 20 december 2011 heeft [ X ] nogmaals laten weten niet akkoord te gaan met de hiervoor gemelde aanpassingen in de akte.

Bij e-mail van 23 december 2011 heeft klager aan de kandidaat-notaris geschreven “Ik heb u niet geïnstrueerd zoals [ X ] stelt om het door u gehanteerde concept akte van verdeling te gebruiken. U heeft het mij wel voorgelegd maar heb nooit akkoord gegeven op de akte. Ik heb akkoord gegeven op de door mij ondertekende akte. (..)”

In een e-mailbericht van 2 januari 2012 heeft klager aan de kandidaat-notaris geschreven: “”(..) Verder stel ik prijs op uw bemoeienis gelet complicaties mede veroorzaakt is door de inhoud van uw conceptakte, welke, hoe vervelend ook, voor mevrouw [ X ] aanleiding is tot traineren en deurwaardersdrift. (..)”

Bij exploten van 10 januari 2012 heeft [ X ] voor een bedrag van € 14.423,78 aan verbeurde dwangsommen ten laste van klager (executoriaal) beslag doen leggen, onder de ABN Amro Bank, op het zakelijk pand van klager in [ plaats ] en op de woning. Bij exploten van 13 januari 2012 is klager aangezegd dat hij ook de sinds 30 december 2011 verbeurde dwangsommen, een bedrag van € 11.000, - dient te voldoen en zijn de beslagen aan hem betekend.

Klager heeft vervolgens bij de voorzieningenrechter in kort geding, rechtbank Amsterdam, gevorderd dat de gelegde beslagen worden opgeheven en dat [ X ] veroordeeld wordt mee te werken aan het passeren van de door hem reeds ondertekende akte van verdeling van de woning. De voorzieningenrechter heeft op 9 februari 2012 beslist: “6.1 heft op de op 10 januari 2012 ten laste van [ klager ] gelegde en op 13 januari 2012 aan hem betekende beslagen (..) 6.2 veroordeelt [ X ] tot het volledig meewerken aan het passeren van de akte van verdeling van het appartement aan de [ adres ] overeenkomstig de conceptakte van verdeling van 19 december 2011 (..) binnen een week na betekening van dit vonnis. (..) 6.4 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; (..)” In overweging 5.5. van het voornoemd vonnis in kort geding heeft de voorzieningenrechter overwogen: “Niet in geschil is dat [ klager ] de notaris opdracht heeft gegeven een akte van verdeling op te stellen. Aanvankelijk is dat de akte van 14 december 2011 geworden. Vervolgens heeft [ klager ] (en diens raadsvrouw) de notaris verzocht tot het aanbrengen van enige wijzigingen in de akte, met name omdat hij de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis van 19 oktober 2011 wilde openhouden. Op zichzelf kan het recht om hoger beroep in te stellen – wat er ook zij van de kans van slagen daarvan – aan [ klager ] niet ontnomen worden. Noch het vonnis zelf, noch het proces-verbaal van de comparitie bieden een grond om daarover anders te oordelen. Als [ klager ] de akte van 14 december 2011 met daarin de bepaling inzake de finale kwijting zonder voorbehoud zou ondertekenen, zou het instellen van hoger beroep daarmee echter strijdig zijn. Dat hij de akte op dit punt wilde laten aanpassen kan [ klager ] dan ook niet worden tegengeworpen en vormt geen aantasting van het vonnis van 19 oktober 2011.”

Dit vonnis is op 10 februari 2012 aan [ X ] betekend. [ X ] heeft de akte van 19 december 2012 vervolgens ondertekend ten overstaan van notaris [ Y ].

2 De klacht

Klager verwijt de kandidaat-notaris – kort samengevat – dat hij aan klager en [ X ] op 6 december 2011 een conceptakte van verdeling heeft voorgelegd waarin was bepaald dat partijen over en weer “niet meer van elkander te vorderen hebben en elkaar volledige kwijting verlenen zonder enig voorbehoud”. Volgens klager was de kandidaat-notaris op de hoogte van het vonnis van 19 oktober 2011, toen hij op 9 november 2011 het eerste concept aan klager zond. Ook zou hij hebben geweten dat klager het recht van hoger beroep tegen dit vonnis wenste voor te behouden.

De kandidaat-notaris had een dergelijke bepaling daarom dus nooit op mogen nemen. Volgens klager is de kandidaat-notaris medeverantwoordelijk voor de nadien gevolgde, daaruit voorvloeiende problemen met [ X ], die beslag liet leggen op grond van het vonnis van 19 oktober 2011, waarvan klager vervolgens in kort geding opheffing moest vorderen.

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 februari 2012 worden volgens klager de daden van [ X ], en daarmee ook de conceptakten van 6 en 14 december 2011 van de kandidaat-notaris veroordeeld.

Klager wil compensatie voor de door hem geleden financiële schade, te weten de door hem gemaakte proceskosten in kort geding ten bedrage van € 9.990,73.

3 Het verweer

De kandidaat-notaris betwist dat hij klachtwaardig heeft gehandeld bij het opstellen van de conceptakten van verdeling en de toezending daarvan aan partijen. Hij heeft de opdracht zorgvuldig uitgevoerd. De kandidaat-notaris heeft zorgvuldig aan klager en [ X ] alle conceptakten voorgelegd. Voor elk van deze akten geldt dat het concepten waren, waarmee nog niets definitiefs aan partijen werd voorgelegd. Dat [ X ] heeft geprobeerd klager te dwingen de conceptakte van 6 december 2011 te tekenen kan niet aan de kandidaat-notaris worden verweten.

De kandidaat-notaris wist steeds niet beter dan dat klager tot spoedige afwikkeling wenste te komen. Van het vonnis van 19 oktober 2011 heeft de kandidaat-notaris pas vernomen op 30 november 2011, via een medewerker van de ABN Amro Bank. Klager heeft hem daarvan niet op de hoogte gesteld, toen hij de kandidaat-notaris op 9 november 2011 verzocht om afronding van de verdeling. Klager heeft de kandidaat-notaris gemeld dat hij de conceptakte van 23 januari 2009 kwijt was en daarom heeft de kandidaat-notaris aan klager een nieuwe kopie toegezonden. Klager heeft de kandidaat-notaris niet gemeld dat hij het hoger beroep tegen het voormelde vonnis wilde voorbehouden. Maar zelfs al had klager dat wel gedaan, dan had de kandidaat-notaris het geschil tussen klager en [ X ] niet kunnen voorkomen. De wens van klager om in hoger beroep te gaan correspondeerde niet met de wens van [ X ] om de strijdbijl definitief te begraven.

Toen klager liet weten zich het recht op hoger beroep te willen voorbehouden, heeft de kandidaat-notaris daar het juiste gevolg aan gegeven door aanpassing van het concept voor de akte.

Het is volgens de kandidaat-notaris niet zo, dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat de kandidaat-notaris een onjuiste akte heeft opgesteld. De voorzieningenrechter heeft met zoveel woorden geoordeeld dat [ X ] klager niet kan dwingen afstand te doen van zijn recht op hoger beroep.

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 98, eerste lid, Wet op het notarisambt, zoals dat luidde vóór 1 januari 2013, zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de kandidaat-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2

Door de kamer kan niet worden vastgesteld dat klager eerder dan op 16 december 2011 aan de kandidaat-notaris heeft gemeld dat hij het recht op hoger beroep wilde voorbehouden. Hoewel de kamer van oordeel is dat de kandidaat-notaris er beter aan had gedaan, toen hij op de hoogte raakte van het vonnis van 19 oktober 2011, bij klager te informeren of hij al dan niet tegen die beslissing in hoger beroep wilde gaan, is het nalaten daarvan niet zodanig verwijtbaar dat kan worden gesproken van klachtwaardig handelen in de zin van de Wna. Immers: klager had aan de kandidaat-notaris gemeld dat hij de verdeling wilde afronden. Nu klager aanvankelijk niet kenbaar gemaakt heeft dat hij de mogelijkheid van appel tegen het voormelde vonnis wilde open houden, valt te begrijpen dat de kandidaat-notaris de bepaling omtrent de finale kwijting uit de conceptakten van 6 en 14 december 2011 heeft gehandhaafd. Toen hij van de ABN Amro het vonnis van 19 oktober 2011 kreeg toegestuurd, mocht de kandidaat-notaris ervan uitgaan dat klager zich liet bijstaan door een advocaat en dat hij het verzoek tot afhandeling over te gaan met zijn advocaat had besproken.

4.3

Klager heeft niet weersproken dat hij in het telefoongesprek met de kandidaat-notaris op 9 november 2011, naar aanleiding van het vonnis van 19 oktober 2011, de kandidaat-notaris opdracht heeft gegeven om de verdeling spoedig af te ronden. Niet is gebleken dat klager de kandidaat-notaris toen heeft gemeld dat er een vonnis was, laat staan dat hij heeft gemeld dat hij het plan had daartegen in hoger beroep te gaan. Ter zitting heeft klager verklaard dat hij op dat moment geen advocaat meer had die hem bijstond en dat hij meende dat de kandidaat-notaris zelf de noodzakelijke informatie diende op te vragen. De kamer verwerpt dat standpunt van klager. Gelet op het feit dat klager de kandidaat-notaris daarover geen informatie heeft verschaft, valt het niet aan de kandidaat-notaris te wijten dat klager zijn eerdere standpunt om vaart te zetten achter de verdeling heeft gewijzigd door eventueel toch van het vonnis van 19 oktober 2011 in beroep te gaan.

Overigens is het niet zo, zoals klager meent, dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 9 februari 2012 de conceptakten van de kandidaat-notaris heeft “veroordeeld”.

De voorzieningenrechter heeft - kort samengevat - geoordeeld (in overweging 5.5, hiervoor onder 1x. van de feiten genoemd), dat het vanuit het standpunt van klager begrijpelijk was dat hij het concept van 14 december 2011 niet wilde tekenen, aangezien een hoger beroep daarmee in strijd zou zijn.

Uiteindelijk heeft de kandidaat-notaris de akte van 19 december 2011 opgesteld. Het is niet aan de kandidaat-notaris te wijten dat [ X ] die akte niet wilde tekenen. De kandidaat-notaris heeft zich naar het oordeel van de kamer gehouden aan de opdracht die hem door klager was gegeven.

4.4

Dat leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De kamer van toezicht:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.A.J. Peeters, voorzitter, E.R.S.M. Marres,

M. Bijkerk, R.H. Meppelink en A.J.H.M. Janssen, leden, in tegenwoordigheid van

mr. E.B.T. Kienhuis, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2013.

mr. E.B.T. Kienhuis, mr. J.A.J. Peeters,

Secretaris. Voorzitter.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden kennisgeving.