Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3187

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
23-003150-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplichting Belastingdienst door het indienen van valselijk opgemaakte aanvragen Kinderopvangtoeslag. Oplegging van een hogere straf dan geëist door het openbaar ministerie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003150-12

datum uitspraak: 2 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2012 in de strafzaak onder parketnummer 81-291995-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 15 oktober 2010 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) - ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten (een) valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvra(a)g(en) Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvra(a)g(en) (A-135-D-01 en/of A-135-D-03) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat

[naam 1] (vanaf 1 maart 2010) kinderopvang geniet bij [kinderopvang] (gedurende 110 uur per maand) (A-135-D-01) en/of

[naam 2] en/of [naam 1] (beiden vanaf 1 januari 2009) kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang] (beiden gedurende 110 uur per maand) (A-135-D-03),

waardoor verdachte en/of haar mededader(s) de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraagrecht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) ten bedrage van 22.547 euro, althans enig geldbedrag;

1

subsidiair:
NN-man John en/of een of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 15 oktober 2010 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, elektronische) aanvra(a)g(en) Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvra(a)g(en) (A-135-D-01 en/of A-135-D-03) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat

[naam 1] (vanaf 1 maart 2010) kinderopvang geniet bij [kinderopvang] (gedurende 110 uur per maand) (A-135-D-01) en/of

[naam 2] en/of [naam 1] (beiden vanaf 1 januari 2009) kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang] (beiden gedurende 110 uur per maand) (A-135-D-03),

waardoor verdachte en/of haar mededader(s) de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) ten bedrage van 22.547 euro, althans enig geldbedrag, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 maart 2010 te Amsterdam Zuidoost, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft zij, verdachte, aan NN-man John en/of een of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en) (onder meer) verstrekt: - de namen en sofi-nummers van haar kinderen; - een papier van haar werk (vermoedelijk omtrent haar inkomen); - haar belastingnummer; - de gegevens en code van haar DigiD;

2:
zij in of omstreeks de periode van 15 april 2012 tot en met 14 juli 2011 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) en/of omgezet,althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddelijk of middelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte circa 5000 euro betaald aan "John" en/of een (vakantie) reis naar de Dominicaanse Republiek betaald en/of de operatie van haar moeder betaald en/of een of meer schuld(en) afbetaald en/of een of meer geldbedragen(en) voor haar onderhoud gebruikt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, zo begrijpt het hof, dat de verdachte geen opzet had op (het medeplegen van) oplichting van de Belastingdienst en dientengevolge het witwassen van de door die oplichting verkregen geldbedragen. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat zij € 5.000,00 heeft betaald aan de man, John genaamd, die voor haar de aanvraag Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst heeft verricht. Dit bedrag heeft zij contant bij hem op kantoor voldaan, nadat er € 12.000,00 op haar rekening was gestort. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij het aanvankelijk vreemd vond dat zij dit bedrag moest betalen, dat zij John heeft gevraagd of hij niet gewoon salaris ontving voor zijn werk en dat zij eerst ook niet wilde betalen (proces-verbaal van verhoor van verdachte van 14 juli 2011, p. 10 en 11).

Naar het oordeel van het hof had het op de weg van verdachte gelegen gevolgen te verbinden aan de bij haar gerezen twijfel. Door dit na te laten en het geldelijk gewin te laten prevaleren heeft verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet gehad op het medeplegen van oplichting van de Belastingdienst. Voorts leidt het hof uit de verklaring van de verdachte, inhoudende -zakelijk weergegeven- dat zij de geldbedragen van de Belastingdienst heeft uitgegeven (proces-verbaal van verhoor van verdachte van 14 juli 2011, p. 16), af dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van die geldbedragen.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht stukken aan het dossier toe te voegen met betrekking tot het strafrechtelijk onderzoek ‘Triple L’, waarvan de onderhavige zaak deel uitmaakt, indien het hof de verdachte niet volgt in haar verklaring, in het bijzonder met betrekking tot hetgeen de verdachte heeft verklaard over voornoemde John. Nu het hof bij de bewezenverklaring uitgaat van de verklaring van de verdachte, zal het hof geen beslissing nemen op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman. Ook overigens is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat toevoeging aan het dossier van stukken uit het onderzoek ‘Triple L’ noodzakelijk is.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
zij in de periode van 25 maart 2010 tot en met 15 oktober 2010 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, immers hebben verdachte en haar mededader - ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten valselijk opgemaakte elektronische aanvragen Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende onder meer dat

[naam 1] (vanaf 1 maart 2010) kinderopvang geniet bij [kinderopvang] (gedurende 110 uur per maand) en

[naam 2] en [naam 1] (beiden vanaf 1 januari 2009) kinderopvang genieten bij [kinderopvang] (beiden gedurende 110 uur per maand),

waardoor verdachte en haar mededader de suggestie hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslag ten bedrage van € 22.547,00;

2:
zij in de periode van 15 april 2010 tot en met 14 juli 2011 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, van geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf van 75 uren, subsidiair 37 dagen vervangende hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander oplichten van de Belastingdienst door aanvragen Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst in te dienen, terwijl zij geen recht had op die toeslag. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de door die oplichting verkregen geldbedragen. Het hof rekent de verdachte in het bijzonder aan dat zij de Belastingdienst, en daarmee ook de samenleving, aanzienlijk (financieel) nadeel heeft toegebracht door belastinggelden, waarop zij geen recht had, naar eigen inzicht te besteden.

Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 september 2013, waaruit blijkt enerzijds dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en anderzijds dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Het hof neemt, gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS), als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden, dan wel een taakstraf van overeenkomstige duur.

Het hof is van oordeel dat de (beperktere) rol van de verdachte ten opzichte van de mededader bij het onder 1 primair bewezen verklaarde, het feit dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en de vorderingen van het openbaar ministerie in eerste aanleg en in hoger beroep tot oplegging van een taakstraf, in dit specifieke geval, aanleiding vormen te volstaan met oplegging van een taakstraf in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is evenwel van oordeel dat de door het openbaar ministerie in eerste en tweede aanleg gevorderde en door de rechtbank opgelegde taakstraf van 75 uren onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Het hof zal een hogere taakstraf opleggen.

Alles afwegende acht het hof een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. E. de Greeve en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. C. Beuze, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 oktober 2013.