Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3182

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
200.093.327-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zie tussenarrest 18 december 2012. Verweer is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.093.327/01

zaaknummer rechtbank: 1137435 CV EXPL 10-10036 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 oktober 2013

inzake

de stichting STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR HET SCHOONMAAK- EN GLAZENWASSERSBEDRIJF,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. J.A. Trimbach te Utrecht,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats], gemeente [gemeente],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. R.P.M. Janse van Mantgem te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna BPF en [geïntimeerde] genoemd.

1.2

Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar het daaromtrent overwogene in het tussenarrest van 18 december 2012 (hierna:het tussenarrest).

1.3

Overeenkomstig het in het tussenarrest bepaalde heeft BPF ter rolle van 12 februari een akte uitlating genomen, waarop [geïntimeerde] bij ter rolle van 12 maart 2013 genomen antwoord-akte heeft gereageerd.

1.4

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest is BPF in de gelegenheid gesteld uit een te zetten op grond waarvan (ingevolge een wettelijke bepaling of anderszins) zij de betalingen van [geïntimeerde] die blijkens die betalingen betrekking hadden op premies verschuldigd over een specifieke periode, aan andere schulden heeft mogen toerekenen dan die welke [geïntimeerde] bij de betaling heeft aangewezen.

2.2

In haar na het tussenarrest nog genomen akte heeft BPF aangevoerd dat zij met voorschotnota’s werkt en dat zij vervolgens binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar de door een werkgever definitief verschuldigde premie over dat jaar vast- stelde op basis van de door de werkgever aangeleverde loongegevens. Omdat [geïntimeerde] bij haar betalingen geen factuurkenmerken (datum, nummer, soort factuur en tijdvak)) vermeldde maar alleen haar aansluitnummer en een maand, heeft BPF, zo stelt zij, nu zij niet op basis van een afzonderlijke maand factureerde, hetgeen zo door de sociale partners is bepaald, de desbetreffende betalingen mogen afboeken zoals zij heeft gedaan. De door [geïntimeerde] in 2004 en 2005 gedane betalingen heeft BPF blijkens het door haar in de memorie van grieven onder 15 gegeven overzicht afgeboekt op facturen die betrekking hadden op premies over de jaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005. Als [geïntimeerde] had gewenst dat haar betalingen op een specifieke maand of periode dienden te worden afgeboekt, dan had het op haar weg gelegen om het desbetreffende factuurnummer als referentie van die periode te gebruiken, hetgeen [geïntimeerde] echter heeft nagelaten, aldus nog steeds BPF.

2.3

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij in de jaren 2004 en 2005 iedere vier weken een overzicht van haar loonadministratie (digitaal) aan [geïntimeerde] heeft gestuurd, waaruit bleek hoeveel premie zij over de desbetreffende periode aan [geïntimeerde] verschuldigd was. Het aldus verschuldigde bedrag betaalde zij dan direct aan BPF. Bij de betalingen werd vermeld op welke maand de desbetreffende betaling betrekking had. [geïntimeerde] voert voorts aan dat BPF op grond van de in de periodieke overzichten vermelde gegevens ook de jaarlijkse eindafrekeningen heeft opgesteld. De bedragen die op grond van die eindafrekeningen verschuldigd waren, had [geïntimeerde] door middel van haar periodieke betalingen al voldaan. [geïntimeerde] betwist dat BPF niet wist en niet kon weten waarop de betalingen van [geïntimeerde] betrekking hadden, zoals BPF heeft gesteld. BPF heeft niet betwist dat zij de periodieke opgave door [geïntimeerde] van de door [geïntimeerde] verschuldigde premies heeft ontvangen en moest dus weten op welk tijdvak de met die opgaven corresponderende betalingen betrekking hadden, aldus [geïntimeerde].

2.4

Het hof overweegt met betrekking tot dit geschilpunt als volgt. De verplichting van [geïntimeerde] premies af te dragen aan BPF ontstond, anders dan BPF suggereert, niet op het moment dat BPF [geïntimeerde] een factuur zond, maar op het moment dat [geïntimeerde] aan haar werknemers loon verschuldigd werd ter zake van door hen verrichte arbeid. Het stond [geïntimeerde] vrij zelf te berekenen hoeveel premie zij aan BPF verschuldigd was en het desbetreffende bedrag aan BPF te betalen voordat BPF [geïntimeerde] ter zake factureerde. Nu BPF niet heeft betwist dat [geïntimeerde] haar periodiek opgave deed van hetgeen zij in haar visie verschuldigd was, is de stelling van BPF dat zij niet wist op welke facturen de diverse betalingen van [geïntimeerde], die naar [geïntimeerde] eveneens onweersproken heeft gesteld overeenkwamen met haar opgaven, betrekking hadden, niet houdbaar. Bij de betaling was immers de periode van het overzicht dat overeen kwam met de betaling vermeld. Nu [geïntimeerde] bij de betaling had vermeld op welke verplichting die betrekking had (de over een bij die betaling genoemde specifieke periode verschuldigde premie), stond het BPF, zoals [geïntimeerde] ook heeft gesteld, niet vrij die betaling toe te rekenen aan een andere periode zoals zij heeft gedaan. Dat zou mogelijk anders zijn indien BPF met [geïntimeerde] was overeengekomen dat BPF, ook als [geïntimeerde] bij haar betaling had vermeld dat die betaling op een specifieke verplichting betrekking had, gerechtigd zou zijn de betaling op een andere factuur af te boeken of indien dat recht uit een wettelijke bepaling zou voortvloeien. Dat een dergelijke overeenkomst of wettelijke bepaling bestaat heeft BPF evenwel, hoewel zij daartoe bij het tussenarrest uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, niet aangevoerd. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat door de sociale partners is bepaald dat BPF “destijds niet op basis van een afzonderlijke maand” factureerde, doet aan het voorgaande niet af.

2.5

De vordering van BPF heeft betrekking op door [geïntimeerde] verschuldigde premies over de jaren 2004 en 2005. In het tussenarrest is (onder 3.3) reeds vast gesteld dat [geïntimeerde] in die jaren respectievelijk € 64.595,52 en € 46.453,39 heeft betaald. Nu [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat bij de betalingen steeds was vermeld op welke maanden van die jaren de betalingen betrekking hadden, moeten alle betalingen dus ook aan die jaren worden toegerekend.

BPF heeft nog aangevoerd (in de memorie van grieven onder 11 en 12) dat de kantonrechter in ieder geval een bedrag van € 4.765,70 had dienen toe te wijzen, het verschil tussen de door haar aan [geïntimeerde] over 2004 en 2005 in rekening gebrachte bedragen (respectievelijk € 66.250,23 en € 49.564,34) en de door [geïntimeerde] in die jaren betaalde bedragen. Ook hierin wordt BPF niet gevolgd. In haar ter rolle van 23 december 2010 genomen akte heeft [geïntimeerde] (onderaan pagina 3, bovenaan pagina 4) uiteengezet dat het verschil tussen de door BPF over de desbetreffende jaren in rekening gebrachte bedragen en de door haar berekende en betaalde bedragen schuilde in het feit dat BPF premies berekende voor – door [geïntimeerde] met name genoemde - werknemers die niet meer bij haar in dienst waren of voor wie anderszins geen premie verschuldigd was. Anders dan op haar weg gelegen had, heeft BPF op de desbetreffende stellingen van [geïntimeerde] niet gereageerd. Daaruit mag worden afgeleid dat er voor de desbetreffende werknemers inderdaad geen premie verschuldigd was en dat de vordering van BPF over de jaren 2004 en 2005 niet hoger was dan de door [geïntimeerde] over die jaren betaalde bedragen. Dat brengt mee dat [geïntimeerde] bij het bestreden vonnis terecht is ontheven van haar uit het dwangbevel van 10 februari 2010 voortvloeiende betalingsverplichting. Dat dwangbevel had immers betrekking op premies over de jaren 2004 en 2005.

2.6

De conclusie van het vooroverwogene is dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Dit zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij, wordt BPF veroordeeld in de kosten van de procedure in appel.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt BPF in de kosten van de procedure in hoger beroep tot aan deze uitspraak begroot op € 649,-- aan verschotten en op € 1.341,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, L.A.J. Dun en J.E. Molenaar en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013.