Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
23-000707-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:1291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak "Passage". Is het hoger beroep in de strafzaak door het openbaar ministerie in strijd met het recht ingesteld? Beoordeling van de betekenis van de positie van de verdachte in het licht van een met hem gemaakte afspraak (art. 226g Wetboek van Strafvordering) en in de sleutel van het door het openbaar ministerie gepretendeerde vervolgingsbelang in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

Gerechtshof Amsterdam

Sector strafrecht

Namens de verdachte is een verweer gevoerd dat door het hof als van preliminaire aard zal worden geduid.

Het verweer strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het op 11 februari 2013 door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. Daartoe is door de raadsman -samengevat- het volgende aangevoerd.

In de schriftuur, zoals die door de officier van justitie op 25 februari 2013 is ingediend

zijn de gronden voor het ingestelde hoger beroep uiteengezet en gerubriceerd als volgt:

  1. redenen met betrekking tot de bijzondere positie van de verdachte ;

  2. de overwegingen van de rechtbank over (de betrouwbaarheid van) de verklaringen van de verdachte en die van anderen over de zaak [slachtoffer 1] (dossier Boeddha);

  3. de overwegingen van de rechtbank over (de betrouwbaarheid van) de verklaringen van de verdachte over de rolverdeling op de plaats delict in de zaak [slachtoffer 2] (zaaksdossier Agenda);

  4. de conclusie over de aan het bewijs te stellen eisen die de rechtbank aan de onder 2. en 3. genoemde onderdelen verbindt.

Deze gronden zijn – noch afzonderlijk noch in samenhang beoordeeld - relevant voor de door de rechter op de voet van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de strafzaak tegen de verdachte door het hof te beantwoorden vragen, zodat door het hof geen rechtens te respecteren belang kan worden aangenomen dat is gediend met de voortgezette strafvervolging van de verdachte, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hoger beroep is door de officier van justitie tijdig ingesteld overeenkomstig de in het Wetboek van Strafvordering opgenomen regeling van het hoger beroep, in het bijzonder artikel 404 van dat wetboek.

Het hof ontleent aan vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat het openbaar ministerie onder omstandigheden in een, overeenkomstig de wettelijke regeling door de officier van justitie ingesteld hoger beroep, tóch niet kan worden ontvangen. Die situatie doet zich voor in het geval komt vast te staan dat het openbaar ministerie geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn ingestelde beroep dan wel handelt in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde, misbruik van procesrecht daaronder begrepen. Uit de enkele omstandigheid dat de rechtbank heeft beslist geheel overeenkomstig de vordering van het openbaar ministerie volgt niet zonder meer dat het openbaar ministerie dat evenbedoelde belang niet heeft noch dat daarmee het ingestelde beroep als onbehoorlijk dient te worden beoordeeld.

Uit de inhoud van de door de officier van justitie ingediende schriftuur (beroepsgrond 1.), en de daarop door de advocaat-generaal ter terechtzitting gegeven toelichting volgt, dat het openbaar ministerie een bijzondere betekenis toekent aan de positie van de verdachte.

Het hof begrijpt die betekenis en positie als volgt.

De vervolging en berechting van de verdachte vindt plaats gelijktijdig met die van een aantal andere personen. Blijkens de stukken in het strafdossier heeft de Staat der Nederlanden met de verdachte een overeenkomst, inhoudend o.m. een afspraak zoals bedoeld en geregeld in artikel 226g Sv, de zogenoemde Wet Toezeggingen aan getuigen in Strafzaken. Tot die evenbedoelde personen moeten blijkens de op schrift gestelde afspraak gerekend worden personen die gelijktijdig met de verdachte worden berecht, in eerste aanleg en thans in hoger beroep.

De verdachte heeft zich uit hoofde van de evenbedoelde overeenkomst verplicht tot -kort gezegd- het verlenen van medewerking aan het als getuige afleggen van (nadere) verklaringen, betrekking hebbend op nader genoemde misdrijven. Die verplichting houdt in o.m. het afleggen van getuigenverklaringen in het kader van de strafvervolging van andere verdachten, ook ten overstaan van dit hof. Tegenover die verplichting heeft –voor zover hier van belang- de officier van justitie verklaard zijn strafeis in de strafzaak tegen de verdachte voor diens aandeel in strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd te stellen op 8 jaren gevangenisstraf in plaats van 16 jaren gevangenisstraf.

In het bestek van die overeenkomst heeft de verdachte in de strafzaken van die andere personen getuigenverklaringen afgelegd en heeft de officier van justitie in de strafzaak in eerste aanleg van de verdachte, kennelijk omdat tot dan toe van nakoming van de zijde van de verdachte sprake was geweest, gevorderd overeenkomstig de in de overeenkomst genoemde verminderde strafeis. De rechtbank heeft overeenkomstig die vordering en op de voet van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte in plaats van een gevangenisstraf van 16 jaren strafkorting verleend tot de helft, en aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 8 jaren.

De advocaat-generaal heeft aangekondigd dat hij de verdachte als getuige zal oproepen met het oog op zijn verhoor als getuige ten overstaan van het hof in de strafzaken tegen de hiervoor bedoelde personen. Zoals hiervoor is overwogen vloeit uit de hiervoor weergegeven overeenkomst voor de verdachte een verplichting voort, met gevolg dat het voor de hand ligt dat in het geval het openbaar ministerie in de strafzaak tegen de verdachte ook in hoger beroep tot oplegging van gevangenisstraf rekwireert, de duur van die door het openbaar ministerie te vorderen straf mede wordt bepaald door het antwoord op de vraag of, en zo ja, op welke wijze de verdachte in zijn hoedanigheid van getuige ook in hoger beroep inhoud heeft gegeven aan zijn uit de voor hem uit die afspraak voortvloeiende verplichtingen. Daarmee is het domein van de vierde hoofdvraag van artikel 350 Sv zoals deze ook in de zaak van de verdachte dient te worden beantwoord, betreden.

Zo bezien is er naar het oordeel van het hof voor het openbaar ministerie met het instellen van hoger beroep in de strafzaak tegen de verdachte een zodanig belang gesteld, dat niet kan worden gezegd dat het beroep een rechtens te respecteren belang ontbeert.

Aan dit oordeel doet niet af de waardering van de zijde van het openbaar ministerie en/of van de (raadsman van de) verdachte over de wijze waarop de verdachte tot nog toe inhoud heeft gegeven aan zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, noch de meer of minder stellig geformuleerde prognose dat de verdachte ook in de toekomst zich aan zijn verplichtingen behoorlijk zal voldoen. Evenmin doet aan dit oordeel af dat het opzettelijk niet-voldoen van de getuige aan zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting tot verklaren in het Wetboek van Strafrecht als misdrijf strafbaar is gesteld en met een gevangenisstraf of geldboete is bedreigd.

Ook de omstandigheid dat het openbaar ministerie de vervolging van de verdachte heeft aangevangen in een fase waarin ook de zaken tegen de andere verdachten aanhangig werden gemaakt maakt dit, ondanks het beleidsuitgangspunt consecutief te vervolgen, niet anders. In het bestek van de beoordeling van het gevoerde verweer - dat zich immers niet keert tegen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, maar wél tegen die van het door dat ministerie ingestelde hoger beroep – valt niet in te zien dat deze enkele afwijking, meebrengt dat daardoor het hierboven door het hof vastgestelde rechtens te respecteren belang alsnog aan het ingestelde beroep komt te ontvallen.

Bij deze stand van zaken verwerpt het hof het gevoerde verweer, strekkend tot de niet-ontvankelijkverklaring van het door het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep. De overige, door de raadsman bestreden, in de grievenschriftuur onder 2. tot en met 4. vervatte gronden voor het ingestelde hoger beroep behoeven reeds daarom geen bespreking.

Deze beslissing is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mrs. M. Rasterhoff en A. Binken, griffiers, en is gegeven op de openbare terechtzitting van 27 september 2013.