Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3097

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
12/00279
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BV9250, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is terecht aangemerkt als douaneschuldenaar op grond van artikel 201, derde lid, CDW jo. artikel 54 Douanebesluit. De stelling van belanghebbende dat artikel 54 Douanebesluit niet verbindend is faalt. Dat belanghebbende de voor de aangifte benodigde gegevens niet onmiddellijk, maar door tussenkomst van de opdrachtgever, aan de aangever heeft verstrekt staat er niet aan in de weg dat zij als schuldenaar wordt aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Douanebesluit 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2455
NTFR 2014/2771 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00279

12 september 2013

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te Rotterdam, belanghebbende,

gemachtigden: C.H. Bouwmeester en S. Kruikemeier MSc. (Loyens & Loeff N.V.)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk 10/6975 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Groningen,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 8 maart 2007 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt ten bedrage van € 827.817,53 aan douanerechten

(€ 103.432,70 ad valorum, € 724.384,83 specifiek) en € 27.644,65 aan omzetbelasting. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 16 december 2010, de UTB verminderd tot € 805.520,84 aan douanerechten (€ 90.914,24 ad valorum en € 714.606,60 specifiek) en € 27.642,20 aan omzetbelasting.

1.2.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gegaan. Bij uitspraak van 23 februari 2012 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 april 2012, aangevuld bij brief van 11 mei 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

[aangever] heeft in de periode maart 2004 tot en met november 2005 op eigen naam en voor eigen rekening 48 aangiften ten invoer voor het vrije verkeer gedaan voor goederen die op de aangiften zijn omschreven als ‘harde tarwe’ of ‘harde tarwe, andere dan zaaigoed’, van oorsprong uit Turkije. Belanghebbende heeft deze aangiften gedaan in opdracht van [opdrachtgever]. [opdrachtgever] handelde daarbij in opdracht van belanghebbende, [X] B.V., de importeur van de goederen. De goederen zijn aangegeven onder goederencode 1001 1000 (harde tarwe) van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN). Als land van oorsprong is aangegeven Turkije. Bij de aangiften is telkens een certificaat van oorsprong EUR-1, alsmede een invoercertificaat (AGRIM) van het Hoofdproductschap Akkerbouw overgelegd. Bij twee aangiften is tevens een bewijs van herkomst A.TR overgelegd.

2.2.

Van de zending die is aangegeven op 7 oktober 2005, aangiftenummer 0078.25.031/01 05 00103894, is na monsteronderzoek de aangegeven goederencode gecorrigeerd naar 1904 3000 (bulgurtarwe).

2.3.

De inspecteur heeft op de voet van artikel 78 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) een controle na invoer (hierna: CNI) uitgevoerd bij belanghebbende en bij [aangever]. In het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport van 25 februari 2007 is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

3. Onderzoek bij [X] B.V.

Controle op inkoopfacturen

(…)

Wij hebben een controle op de inkoopfacturen met betrekking tot de in punt 1 genoemde aangiften kunnen uitvoeren. Door ons zijn kopieën gemaakt van facturen waar in de goederenomschrijving staat ‘shredded wheat’, ‘Duru bulgur’ of ‘Boulgour’ en een aantal regels daaronder staat als productomschrijving ‘bulgur’. Ook hebben wij kopieën gemaakt van facturen van de transporteur van de goederen, [opdrachtgever] ten behoeve van de Vaststelling van de juiste douanewaarde.

Controle verkopen

Op donderdag 15 februari 2007 hebben wij de verkopen van [X] B.V. beoordeeld. Het besluit voor deze tweede controle is genomen nadat de aangever had gesteld dat wij het monsteronderzoek van 7-10-2005 niet op alle aangiften voor harde tarwe kunnen omslaan. Het doel van deze tweede controle is vaststellen hoeveel harde tarwe door [X] B.V. verkocht is in de controleperiode, en wat de begin- en eindvoorraad was van deze goederen. De heer [A] vertelde ons dat hij geen geautomatiseerde voorraadadministratie bijhoudt, alleen de inkoopfacturen. Hij neemt globaal de voorraad op als hij door de loods loopt. Uit de verkoopadministratie is gebleken dat er op de verkoopfacturen een artikelnummer wordt gebruikt. Wij hebben een lijst ontvangen van de productgroep ‘bulgur cesitleri’, welke komt uit de geautomatiseerde verkoopadministratie, ADBplus 2000 special van [X] B.V. (bijlage 3)

In de productgroep ‘bulgur cesitleri’ komen de volgende goederen voor:

Figuur 1. Overzicht productgroep ‘bulgur cesitleri’

Artikelnummer Omschrijving

50001 Bulgur Pilavlik 1/1 (Duru) Tarwe

50002 Bulgur Koftelik 1/1 (Duru) / Tarwe

50003 Mis Bulgur / Tarwe 25 kg

50004 Mis Bulgur / Tarwe 25 kg

50006 Bulgur Koftelik 1/5 (Duru) Tarwe

50007 Bulgur Cigcoftelik 1/1 (Duru) / Tarwe

50008 Asurelik Bugday 1/1 (Duru) / Tarwe

50012 Bulgur Iri Pilavlik (duru) Tarwe 1 kg

50013 Bulgur Iri Pilavlik (duru) Tarwe 5 kg

50014 Bulgur Koftelik 2500gr (Tarwe)

50015 Bulgur Pilavlik 2500gr (Tarwe)

50016 Bulgur Midyat (Duru) Tarwe 1/1

50017 Bulgur Esmer Koftelik (Duru) Tarwe

50018 Bulgur Cigkoftelik 2,5 kg

Van artikelnummer 50008, met artikelomschrijving ‘Asurelik Bugday 1/1 (Duru) / Tarwe’ is vastgesteld dat dit harde tarwe betreft, welke moet worden aangegeven onder de goederencode 1001.1000.1825.50. Van de andere genoemde artikelnummers is uit het monsteronderzoek naar aanleiding van de monstername op 07-10-2005 door het laboratorium van Financiën vastgesteld dat dit bulgur betreft. In punt 5 van dit rapport motiveren wij de indeling van bulgur onder de goederencode 1904.3000.00.

Wij hebben de verkoopmutaties van artikelnummer 50008 over de periode 1 januari 2004 tot en met december 2006 berekend aan de hand van de gegevens uit de genoemde verkoopadministratie, en deze steeksproefgewijs vergeleken met de verkoopfactuur van de genoemde mutatiedatum. Hierbij zijn door ons geen afwijkingen bevonden. Wij hebben de periode tot december 2006 gebruikt, om een eventuele voorraad welke nog over zou zijn van de inkopen in 2005 ook in onze berekening mee te nemen. Dit is in het voordeel van de importeur.

Uit dit onderzoek blijkt dat over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006 er van artikelnummer 50008, met de omschrijving ‘Asurelik Bugday 1/1 (Duru) / Tarwe’, 52.114 kg is verkocht. De heer [A] verklaarde geen grote voorraad Asurelik Bugday 1/1 (Duru) / Tarwe te hebben; enkel één pallet met dozen, elk met 10 zakken Asurelik Bugday van 1 kg. Uit de aangiftegegevens blijkt dat er in de controleperiode voor een gewicht van 2.870.732 kg aan harde tarwe is aangegeven. Voor het verschil van 2.818.618 kg heeft de heer [A] geen verklaring.

Conclusie vergelijking invoer en verkopen

Uit de totalen van de andere in figuur 1 genoemde artikelnummers blijkt dat er over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 voor 3.121.233 kg aan bulgur is verkocht. Wij kunnen uit deze bevindingen niet anders concluderen dan dat de hiervoor genoemde 2.818.618 kg ten invoer aangegeven zogenaamde harde tarwe in werkelijkheid bulgur is geweest. Het verschil tussen de verkochte hoeveelheid van 3.121.233 kg en de ingekochte hoeveelheid van 2.818.618 kg kan zijn gelegen in ongelijke voorraadposities aan het begin en eind van de controleperiode, danwel aan inkopen binnen de EU. Wij hebben dit niet nader uitgezocht, omdat dat voor onze conclusie verder niet relevant is. Ook deze mutaties zijn steekproefsgewijs door ons vergeleken met de verkoopfacturen van de respectievelijke mutatiedatum. Bij deze vergelijking zijn geen afwijkingen gevonden.

Aanwijzing importeur als mede-schuldenaar

Naast de aangever merken wij de importeur aan als schuldenaar volgens artikel 201 lid 3 2e alinea van het CDW, omdat deze wist of had kunnen weten dat de goederenomschrijving op de genoemde aangiften onjuist is.

(…)

4 Onderzoek bij de aangever [aangever]

Wij hebben op 15 december 2006 een controle verricht bij de aangever [aangever] Wij hebben een controle op de dossiers met betrekking tot de in punt 1 genoemde aangiften kunnen uitvoeren. Van de facturen, oorsprongsbescheiden en correspondentie met de opdrachtgevers zijn door ons kopieën meegenomen. Uit deze stukken blijkt dat [aangever] de opdracht voor het inklaren van de goederen krijgt van de importeur [X] B.V. via [opdrachtgever] Een van de declaranten hebben wij gevraagd waarom er harde tarwe is aangegeven in plaats van bulgur. Op de facturen staat ‘shredded wheat’, ‘Duru bulgur’ of ‘Boulgour’ en een aantal regels daaronder staat als productomschrijving ‘bulgur’. Hij verklaarde aan ons dat er bij medewerkers van [aangever] in het verleden is getwijfeld of de aangegeven goederenomschrijving harde tarwe wel juist was, omdat op de facturen ook staat dat het hier bulgur betreft. Bij navraag bij de importeur heeft deze volgens de aangever hierop geantwoord dat in Turkije bulgur een andere naam is voor harde tarwe, en dat de goederen als harde tarwe moeten worden aangegeven.

(...)

13. Standpunt [X] B.V.

De uitslag van de controle is besproken met de heer [A]. Hij heeft geen commentaar.

(...)”

2.4.

Naar aanleiding van de bevindingen van de douane is de FIOD-ECD in september 2007 een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen onder meer belanghebbende. Van dit onderzoek is een overzichtsprocesverbaal (nr. 41248) met bijlagen opgemaakt, dat gedeeltelijk tot de stukken van het geding behoort.

2.5.

De inspecteur heeft op grond van de bevonden onjuistheden de bestreden UTB opgelegd, welke betrekking heeft op 47 van de 48 gecontroleerde aangiften. De aangifte (zie hiervoor onder 2.2) van 7 oktober 2005, nr. 0078.25.031/01 05 00103894, is niet in de UTB begrepen, omdat deze aangifte naar aanleiding van de verificatie reeds is gecorrigeerd door de inspecteur van de Douane/Rotterdam.

2.6.

Tot de stukken van het geding behoort een e-mailbericht van belanghebbende aan mw. [B], werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken. Dit bericht, dat op 5 juli 2005 is aangemaakt, houdt onder meer in:

“(…) en wij zijn disbiruteur in benelux landen de boven vermelde bulgur tarwe en deze product produceert in europa helemal niet. Bulgur tarwe is een product special voor turkse keuken meestal gebruiken turkse mensen. Bulgar tarwe mogen niet vinden als in nederland of belgie in de supermarkten. Als gaan bulgur importeren uit turkije hoge invoer tarief moeten betalen. (…)”

2.7.

Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van belanghebbende aan de heer [C], werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken. Dit bericht is gedateerd 4 januari 2005, aangemaakt op 22 november 2005 en verzonden op 4 januari 2006 en houdt onder meer in:

“Wij hadden telefon gesproken over bulgur tarwe Gn code 19043000

Dit product zullen wij importeren maar heeft hogen invoer tarief. Daarvoor wij hebben problemen en deze product produceert hele europa Niet daarom vragen wij voor importeren bijzondere invoer tarief.”

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij – voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende heeft overwogen:

“4.1. Uit artikel 201, derde lid, van het CDW volgt dat wanneer een douaneaangifte voor een van de in het eerste lid bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar kunnen worden beschouwd.

4.2.

Tot 1 augustus 2008 was in artikel 54 van het Douanebesluit, zoals deze bepaling ten tijde van de onderhavige aangiften luidde, bepaald dat indien een douaneaangifte als bedoeld in artikel 201, derde lid, van het CDW is opgesteld op basis van gegevens die er toe leiden dat de verschuldigde rechten bij invoer gedeeltelijk niet worden geheven, de persoon die de voor de opstelling van die aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren, eveneens schuldenaar is voor de verschuldigde rechten bij invoer.

4.3.

Sinds 1 augustus 2008 is in artikel 7:4 van de Algemene douanewet onder meer bepaald dat wanneer een douaneaangifte voor het plaatsen van goederen onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, eveneens schuldenaar zijn de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens onmiddellijk of middellijk hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.

4.4.

Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat ook op grond van artikel 54 van het Douanebesluit de persoon die middellijk de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens verstrekt, terwijl hij weet of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens verkeerd waren als douaneschuldenaar kan worden aangemerkt. Anders zou degene die weet of redelijkerwijs had moeten weten dat hij onjuiste gegevens verstrekt het schuldenaarschap kunnen ontlopen door via een ander die gegevens aan de opsteller van de aangifte te laten verstrekken. De door eiseres aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis van de Algemene douanewet geeft geen steun aan haar opvatting dat vanaf 1 augustus 2008 het douaneschuldenaarschap is uitgebreid tot degene die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegeven middellijk heeft verstrekt, terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens verkeerd waren. De wetgever heeft slechts bedoeld om de reeds bestaande situatie duidelijker tot uitdrukking te brengen in de wettekst. Voorts heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd erkend dat de tekst van artikel 54 van het Douanebesluit zich niet verzet tegen een lezing waarbij ook de middellijke verstrekker van de gegevens als schuldenaar wordt aangemerkt. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres middellijk de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens via [opdrachtgever] aan [aangever] heeft verstrekt, dient de rechtbank enkel nog te beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.

4.5.

Uit het rapport dat naar aanleiding van de CNI is opgemaakt, uit het overzichtsproces-verbaal van de FIOD-ECD en uit de van eiseres afkomstige e-mailberichten, zoals hiervoor onder 2.11 en 2.13 tot en met 2.15 weergegeven, blijkt dat:

- eiseres volgens haar verkoopadministratie in 2004 en 2005 in totaal 3.121.233 kg bulgur en nauwelijks harde tarwe heeft verkocht, terwijl ze volgens haar inkoopadministratie geen bulgur maar juist 2.818.618 kg harde tarwe zou hebben ingekocht;

- eiseres voor dit zeer aanzienlijke verschil tussen in- en verkopen geen enkele verklaring heeft kunnen geven;

- eiseres ervan op de hoogte was dat Duru Bulgur, producent van de door haar ingevoerde goederen, bulgurtarwe produceert;

- eiseres wist dat voor bulgurtarwe een hoog tarief verschuldigd is indien dit in het vrije verkeer wordt gebracht;

- toen bij medewerkers van [aangever] twijfels waren gerezen over de juistheid van de aangegeven goederenomschrijving harde tarwe, omdat op de facturen ook staat dat het bulgur betreft, eiseres op vragen daarover heeft geantwoord dat in Turkije ‘bulgur’ een andere naam is voor harde tarwe, en dat de goederen als harde tarwe moeten worden aangegeven;

- de stelling van eiseres dat er twee soorten bulgur bestaan, te weten harde tarwe en bulgurtarwe elke grondslag ontbeert;

- in de administratie van eiseres steeds pro forma facturen en paklijsten zijn aangetroffen waarin de goederen staan omschreven als ‘pilavlik bulgur’, ‘köftelik bulgur’en ‘cigköftelik bulgur’, terwijl in de administratie van [aangever] met betrekking tot die goederen steeds verkoopfacturen zijn aangetroffen met als omschrijving ‘shredded wheat’ of ‘shred wheat’. In twee gevallen is de toevoeging ‘bulgur’ op de verkoopfactuur weggelakt terwijl vanaf 8 september 2004 een verwijzing naar ‘bulger’ op de verkoopfacturen ontbreekt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overleggen van genoemde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres wist dan wel redelijkerwijs had moeten weten dat de door haar verstrekte gegevens voor het doen van de aangiften ten invoer verkeerd waren. Gelet op voorgaande is eiseres op grond van artikel 201, derde lid, van het CDW terecht als schuldenaar aangemerkt.”

4 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is tussen partijen enkel nog in geschil of belanghebbende op goede gronden als douaneschuldenaar is aangemerkt.

Primair is tussen partijen in geschil of artikel 54 Douanebesluit verbindend is, hetgeen de inspecteur verdedigt, doch belanghebbende betwist.

Zo het gelijk ten aanzien van het primaire geschilpunt aan de inspecteur is houdt partijen verdeeld of de omstandigheid dat belanghebbende de onjuiste gegevens niet rechtstreeks aan de aangever heeft verstrekt, er aan in de weg staat dat belanghebbende als douaneschuldenaar wordt aangemerkt, hetgeen belanghebbende stelt, doch de inspecteur betwist.

5 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6 Beoordeling van het geschil

Verbindendheid artikel 54 Douanebesluit

6.1.

Belanghebbende stelt dat zij niet op grond van artikel 54 van het Douanebesluit kan worden aangemerkt als douaneschuldenaar. Zij stelt in dit verband primair dat artikel 54 van het Douanebesluit niet verbindend is, omdat dit artikel niet gebaseerd is op een wettelijke bepaling. Belanghebbende meent dat een wettelijke basis onontbeerlijk is. Dienaangaande geldt het volgende.

6.2.

Ingevolge artikel 201, derde lid, van het CDW kunnen personen die de gegevens hebben verstrekt voor het doen van de aangifte onder voorwaarden, overeenkomstig de nationale bepalingen worden aangemerkt als douaneschuldenaar. In Nederland is dit als volgt geregeld.

Artikel 1, vierde lid, van de Douanewet voorziet in de heffing van een belasting onder de naam van douanerechten. In artikel 2 van deze wet is opgenomen dat de bepalingen van het CDW voor de toepassing van de Douanewet worden aangemerkt als wettelijke bepalingen. In artikel 3 van de Douanewet is vervolgens geregeld dat indien in wettelijke bepalingen is voorzien dat, voor zover hier van belang, nationale voorschriften van toepassing zijn, die voorschriften kunnen worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Het Hof concludeert dat artikel 3 van de Douanewet, bezien in samenhang met de artikelen 1 en 2 van deze wet voldoende basis biedt om de in artikel 201, derde lid van het CDW genoemde nationale bepalingen op te nemen in artikel 54 van het Douanebesluit. Dat de regeling van principiële betekenis is doet hier niet aan af.

6.3.

Steun voor dit oordeel vindt het Hof in de parlementaire geschiedenis van artikel 3 van de Douanewet (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 716) waarin is vermeld dat ook regelingen van principiële betekenis bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. In de Memorie van Toelichting staat, voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“Artikel 3

(…)Het gaat hierbij voornamelijk om toepassingsbepalingen die zich naar hun aard minder lenen voor een regeling bij wet in formele zin. Het artikel voorziet in de mogelijkheid dat de nadere uitwerking bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling geschiedt. Regelingen die van meer principiële betekenis zijn zullen - voor zover dit niet bij wet geschiedt – bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.”

In de nota naar aanleiding van het verslag is, onder meer, het volgende vermeld.

“5. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3

(…)

De nationale bepalingen zullen in het algemeen geen principiële aangelegenheden omvatten. Voor zover bij de opstelling van het onderhavige wetsvoorstel bepalingen van meer of minder principiële aard konden worden onderkend, zijn deze hierin opgenomen dan wel in het ontwerp-Douanebesluit.”

6.4.

Het Hof concludeert dat de stelling van belanghebbende inzake het niet verbindend zijn van artikel 54 van het Douanebesluit faalt.

Verstrekken van voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens

6.5.

Belanghebbende is door de inspecteur als schuldenaar aangemerkt op de voet van artikel 201, derde lid, van het CDW juncto artikel 54 van het Douanebesluit, omdat de desbetreffende douaneaangiften zijn opgesteld op basis van gegevens, verstrekt door belanghebbende, terwijl zij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat deze onjuist waren. Belanghebbende bestrijdt niet dat zij op de hoogte was van de onjuistheid van de door haar ten behoeve van de aangiften ter beschikking gestelde gegevens, doch stelt zich op het standpunt dat zij deze gegevens niet heeft ‘verstrekt’ in vorenbedoeld zin, omdat zij de gegevens in alle gevallen ter hand heeft gesteld aan de tussenpersoon [opdrachtgever]. [opdrachtgever] heeft de desbetreffende gegevens vervolgens aan de aangever [aangever] verstrekt. Belanghebbende bepleit dat een dergelijke ‘middellijke’ verstrekking geen verstrekking in de zin van artikel 54 van het Douanebesluit is. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

6.6.

Zoals uiteengezet onder 6.2 geeft artikel 54 Douanebesluit uitvoering aan de in artikel 201, derde lid, van het CDW voorziene keuzemogelijkheid om personen die de gegevens hebben verstrekt voor het doen van de aangifte onder voorwaarden eveneens aan te merken als douaneschuldenaar. De bewoordingen van artikel 54 Douanebesluit sluiten nauw aan bij de bewoordingen van artikel 201, derde lid, van het CDW, zodat geen grond aanwezig is om aan te nemen dat artikel 54 Douanebesluit beoogt af te wijken van artikel 201, derde lid, van het CDW. Naar ’s Hofs oordeel dient het er daarom voor te worden gehouden dat de term ‘verstrekt’ in artikel 54 Douanebesluit geen andere betekenis heeft dan diezelfde term in artikel 201, derde lid, van het CDW.

6.7.

Naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is beoogt artikel 201, derde lid, van het CDW de lidstaten van de Europese Unie de mogelijkheid te bieden om – naast de aangever – ook de personen als douaneschuldenaar aan te merken die er voor verantwoordelijk zijn dat een onjuiste aangifte is gedaan (‘intellectueel dader’). Artikel 201, derde lid, stelt geen eisen aan de wijze waarop de onjuiste gegevens van deze personen bij de aangever terecht zijn gekomen. Voor het schuldenaarschap volstaat dat de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens door de desbetreffende persoon ter beschikking zijn gesteld ten behoeve van de aangifte.

6.8.

Gelet op het vorenoverwogene staat de omstandigheid dat belanghebbende de onjuiste gegevens door tussenkomst van [opdrachtgever] aan de aangever heeft verstrekt er niet aan in de weg dat zij als schuldenaar wordt aangemerkt. De stelling van belanghebbende dat van ‘verstrekken’ in de zin van artikel 201, derde lid van het CDW en artikel 54 Douanebesluit eerst sprake is indien zij de onjuiste gegevens zelf rechtstreeks aan de aangever heeft verstrekt dient te worden verworpen, nu een dergelijke beperkte uitleg geen steun vindt in de bewoordingen van genoemde artikelen en evenmin in de strekking daarvan.

6.9.

De omstandigheid dat met ingang van 1 oktober 2008 in artikel 7:4 van de Algemene douanewet uitdrukkelijk is verwoord dat het verstrekken “onmiddellijk of middellijk” kan hebben plaatsgevonden, noopt niet tot een ander oordeel. Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.7 en 6.8 houdt het Hof het ervoor dat deze wijziging slechts als een verduidelijking is bedoeld.

6.10.

Gelet op het vorenoverwogene behoeft de stelling van de inspecteur, dat uit de getuigenverklaring van mw. [getuige] zou volgen dat belanghebbende de onjuiste gegevens geheel of gedeeltelijk onmiddellijk aan de aangever heeft verstrekt, geen behandeling meer.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en D.B. Bijl, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 12 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.