Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3095

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
200.123.438/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2012:5362, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedwongen ontheffing van het gezag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 september 2013

Zaaknummer: 200.123.438/01

Zaaknummer eerste aanleg: 139799/FA RK 12-636

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. J.H.P.M. Verhagen te Breda,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord-Holland, locatie Alkmaar,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 13 maart 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 december 2012 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 139799/FA RK 12-636.

1.3.

De moeder heeft op 27 mei 2013 een nader stuk ingediend.

1.4.

De zaak is op 25 juli 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw A. Hogendorp, namens de Raad;

- mevrouw J.C. Rood (gezinsvoogd), vertegenwoordiger van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Hoorn (hierna: BJZNH);

- de heer [x] (hierna: de vader) en zijn partner mevrouw [y].

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader zijn [in] 1998 gehuwd. Hun huwelijk is op 27 mei 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 2000, […] (hierna: [kind b]) [in] 2001, […] (hierna: [kind c]) [in] 2005 en […] (hierna: [kind d]) [in] 2008 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De ouders zijn van rechtswege belast met het gezag over de kinderen. [kind b] en [kind c] verblijven sinds de zomer van 2010 bij de vader en zijn partner. In het gezin van de vader en zijn partner verblijven ook de twee kinderen van zijn partner. [kind a] en [kind d] verblijven thans in een pleeggezin.

2.2.

[kind b] en [kind c] zijn voor het eerst op 27 februari 2009 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling van [kind b] en [kind c] is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 27 februari 2014.

2.3.

In februari 2009 zijn [kind b] en [kind c] op vrijwillige basis bij de vader gaan wonen. In juli 2009 is [kind c] teruggeplaatst bij de moeder en in december 2009 is [kind b] teruggeplaatst bij de moeder.

2.4.

Bij beschikking van 17 maart 2010 heeft de rechtbank Breda een spoedmachtiging verleend om de kinderen van 17 maart 2010 tot uiterlijk 14 april 2010 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder.

2.5.

Bij beschikking van 9 april 2010 heeft de rechtbank Breda de beschikking van 17 maart 2010 gehandhaafd en een machtiging verleend om [kind c] (en [kind d]) uit huis te plaatsen bij een pleegouder met ingang van 14 april 2010 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 17 september 2010, en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind b] (en [kind a]) in een accommodatie van een zorgaanbieder verlengd met ingang van 14 april 2010 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 17 september 2010. Deze beschikking is bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 september 2010 bekrachtigd.

2.6.

Bij beschikking van 16 augustus 2010 heeft de rechtbank Breda een machtiging verleend om [kind b] en [kind c] uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 16 augustus 2010 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 27 februari 2011. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is nadien verlengd tot 27 februari 2012.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de Raad, de moeder ontheven van het gezag over [kind b] en [kind c].

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de Raad niet-ontvankelijk te verklaren, althans het inleidend verzoek van de Raad af te wijzen, althans een dusdanige beslissing te geven die het hof juist acht.

3.3.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter beoordeling van het hof ligt voor de vraag of de gronden voor ontheffing van de moeder van het gezag over [kind b] en [kind c] aanwezig zijn.

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 2 aanhef en sub a BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.3.

De moeder voert aan dat de ontheffing van het gezag niet nodig is. Zij heeft zich neergelegd bij het feitelijk verblijf van [kind b] en [kind c] bij de vader en zijn partner. Voorts kan zij altijd verzoeken om weer met het gezag te worden belast, zodat er sprake is van een schijnzekerheid. De moeder beaamt dat het van belang is voor [kind b] en [kind c] dat voortvarend hulpverlening kan worden ingezet en dat vlot kan worden gehandeld. Het is één maal voorgekomen dat de moeder niet onmiddellijk reageerde op een verzoek om toestemming te verlenen om hulp te vragen bij Triversum, omdat zij eerst de rapportage wilde lezen. Subsidiair ziet zij geen reden waarom als [kind b] behoefte heeft te weten waar hij aan toe is, de ontheffing ook [kind c] zou moeten betreffen. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verzocht om de Raad opnieuw een onderzoek te laten uitvoeren en een nieuw rapport naar de huidige situatie te laten opstellen.

4.4.

De Raad voert aan dat de moeder terecht van het gezag over [kind b] en [kind c] ontheven is. De moeder is, ondanks de aan haar geboden hulpverlening, niet in staat het opvoedingsklimaat te bieden dat [kind b] en [kind c] nodig hebben. Ze is cognitief beperkt, heeft onvoldoende inzicht in haar eigen beperkingen en is emotioneel niet stabiel. Ze is geneigd de hulpverlening buiten de deur te houden. Het opvoedingsperspectief van [kind b] en [kind c] ligt bij de vader en zijn partner. [kind b] en [kind c] hebben geleden onder de ingrijpende gebeurtenissen in het verleden. Het is in hun belang dat zij duidelijkheid hebben over de plaats waar zij zullen opgroeien en dat vlot en voortvarend beslissingen over hen kunnen worden genomen, aldus de Raad.

4.5.

Het hof acht zich aan de hand van de stukken – waaronder het raadsrapport van 9 augustus 2012 – en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, voldoende voorgelicht om de zaak te beoordelen. De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het raadsrapport van 9 augustus 2012 onjuistheden bevat, dan wel dat het daaraan ten grondslag liggende raadsonderzoek niet op de juiste wijze is verricht. Het hof ziet derhalve geen aanleiding een nader onderzoek door de Raad te gelasten, zoals door de moeder ter zitting in hoger beroep is verzocht.

4.6.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat [kind b] en [kind c] een traumatische voorgeschiedenis hebben. Begin 2008 heeft het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling gezinsbegeleiding geadviseerd en hulp van de GGZ. De moeder houdt echter de hulpverlening af. Vervolgens zijn er signalen vanuit schoolmaatschappelijk werk dat de kinderen slecht gekleed zijn en onvoldoende eten hebben. Vanaf 27 februari 2009 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De kinderen hebben op verschillende plekken gewoond en op verschillende scholen gezeten, omdat de moeder geen veilige en stabiele opvoedsituatie kon bieden. De terugplaatsing van de kinderen van de vader naar de moeder in 2009 heeft grote indruk op [kind b] gemaakt. [kind b] is erg boos dat hij in 2009 niet bij de vader mocht blijven en richt deze boosheidgevoelens op de moeder. Vanaf de zomer van 2010 verblijven [kind b] en [kind c] bij de vader en zijn partner. Gebleken is dat de moeder onvoldoende in staat is aan de primaire levensbehoeften van [kind b] en [kind c] te voldoen. Haar cognitieve capaciteiten zijn beperkt en zij is emotioneel niet stabiel. De hulpverlening die vanaf 2008 aan de moeder is geboden, zoals opvoedingsondersteuning en hulp vanuit de GGZ, heeft onvoldoende resultaat gehad. De moeder is onvoldoende leerbaar en zij kan de aan haar geboden hulpverlening onvoldoende aanvaarden. Gelet op het voorgaande is de moeder naar het oordeel van het hof dan ook ongeschikt dan wel onmachtig om de plicht tot verzorging en opvoeding van [kind b] en [kind c] te vervullen. Gebleken is dat [kind b] en [kind c] bij de vader en zijn partner een stabiele en veilige opvoedsituatie hebben, welke ook tegemoet komt aan hun specifieke behoeften. Omtrent het gedrag van [kind b] bestaan nog wel zorgen. Hij is hiervoor onder behandeling bij Triversum. [kind c] heeft zich mede dankzij begeleiding positief ontwikkeld bij de vader en zijn partner en zij functioneert thans goed. De belangen van [kind b] en [kind c] verzetten zich dan ook niet tegen een ontheffing.

4.7.

In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat voor [kind b] en [kind c] geen perspectief meer op terugplaatsing bij de moeder bestaat. Het ontbreken van dit perspectief brengt mee dat het doel van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, te weten het tijdelijk voorzien in een opvoedsituatie buiten het gezin van de moeder met uiteindelijk weer thuisplaatsing in het gezin, met deze maatregelen niet langer wordt gediend. Bij een jaarlijkse verlenging van deze maatregelen zal de onzekerheid en verwarring van [kind b] en [kind c] over hun toekomstperspectief voortduren. Uit het raadsrapport blijkt dat [kind b] heeft aangegeven dat als de moeder geen beslissingen meer kan nemen over hem of waar hij gaat wonen, hij zich rustiger zou voelen tijdens de omgang en hij niet meer bang zou zijn dat de moeder wil dat hij bij haar komt wonen. Dat de moeder zich heeft neergelegd bij het verblijf van [kind b] en [kind c] bij de vader en zijn partner, zoals door haar is gesteld, doet aan het vorenstaande niet af. Aan het belang van [kind b] en [kind c] bij stabiliteit en continuïteit van de huidige opvoedingssituatie dient zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van de moeder om betrokken te blijven bij gezagsbeslissingen over [kind b] en [kind c]. De stelling van de moeder dat zij slechts eenmalig niet onmiddellijk reageerde op een verzoek om toestemming te verlenen om hulp te vragen bij Triversum, maakt het voorgaande niet anders. Ontheffing is in het belang van [kind b] en [kind c], omdat ontheffing rust geeft en hen duidelijkheid verschaft over hun opvoedingsperspectief. Dit zal hun ontwikkeling en hechting in het gezin van de vader en zijn partner ten goede komen en daarmee hun basisveiligheid. Het hof acht de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing derhalve onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.8.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat aan de wettelijke vereisten voor ontheffing van de moeder van het gezag over [kind b] en [kind c] is voldaan. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, M.F.G.H. Beckers en J.Th.L. Brouwer in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. van Boheemen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2013.