Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3083

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
200.107.982-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zie tussenarrest 16 april 2013. Het hof blijft bij het eerdere oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.107.982/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 492792 / HA ZA11-1920

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 september 2013

inzake

mr. Jeroen Alfons STAL Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant] (NL) B.V.,

kantoorhoudende te [woonplaats ],

appellant,

advocaat: mr. R.M. Berendsen te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [woonplaats ],

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom de curator en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 16 april 2013 een tussenarrest uitgesproken. Voor het eerdere verloop van het geding wordt naar dit tussenarrest verwezen.

De curator heeft een akte na tussenarrest genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

In het tussenarrest heeft het hof onder 3.4 onder meer als volgt overwogen:

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de curator onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de akte van 31 juli 2009, met de inhoud en ondertekening zoals blijkt uit de door [geïntimeerde] als productie 15 bij de conclusie van antwoord in het geding gebrachte akte, op 31 juli 2009 is tot stand gekomen en ten grondslag heeft gelegen aan de verpandingen op 2/5 augustus 2009 en op het 2/7 april 2010. In de beide laatstgenoemde pandlijsten (waarbij het hof – uiteraard - de meeste waarde toekent aan de op 5 augustus 2009, in directe aansluiting op de akte van 31 juli 2009, geregistreerde pandlijst) wordt immers naar de akte van 31 juli 2009 verwezen. De curator heeft geen enkele reden aangevoerd waarom aan de authenticiteit van de akte getwijfeld zou moeten worden. Daarbij komt nog dat, zoals ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep naar voren is gekomen, de pandlijst van augustus 2009 is gevolgd door pandlijsten in alle daaropvolgende maanden, steeds met verwijzing naar de akte van 31 juli 2009. Door [geïntimeerde] zijn de desbetreffende pandlijsten gedeponeerd ter griffie van het hof. Dit is pas na het pleidooi in hoger beroep gebeurd, zodat de curator van de gedeponeerde stukken nog geen kennis heeft kunnen nemen. Het hof zal om die reden nog geen eindarrest wijzen maar de zaak verwijzen naar de rolzitting van dit hof van 7 mei 2013 opdat de curator, indien hij dat wenst, bij akte nog kan reageren op de ten pleidooie gestelde feiten en de na het pleidooi door [geïntimeerde] gedeponeerde stukken. Het hof zal van die stukken pas kennisnemen nadat de curator daarop zijn commentaar heeft kunnen geven.

2.2.

Uit deze overweging blijkt dat het hof op de stukken van het geding reeds had beslist dat de akte van 31 juli 2009 op die datum tot stand gekomen is en ten grondslag heeft gelegen aan de verpanding op 2/5 augustus 2009. De aan de curator geboden mogelijkheid diende slechts om, indien de curator van het gelijk van [geïntimeerde] niet overtuigd zou zijn, hem in staat te stellen kennis te nemen van de door [geïntimeerde] gestelde - en ten bewijzen daarvan ter griffie gedeponeerde - stukken kennis te nemen. Omdat mogelijk de curator aan die stukken nog enig argument zou kunnen ontlenen, heeft het hof, zoals onder 3.6 is verwoord, overwogen dat het ervan uitgaat dat grief 1 geen doel zal treffen.

2.3.

De stukken zijn op 25 januari 2013 door mr. Veerman ter griffie van het hof gedeponeerd. Er is een akte van depot is opgemaakt met nummer 3/2013. Een kopie van deze akte is bij brief van de griffier van 1 februari 2013 aan de beide advocaten verzonden.

2.4.

De curator stelt niet dat hij de gedeponeerde stukken niet heeft kunnen inzien. Uit de gegevens van het hof blijkt dat de ter griffie van het hof gedeponeerde stukken op 14 mei 2013 door de raadsman van de curator zijn ingezien. Enig argument waarom de aldus geraadpleegde stukken de in de procedure door [geïntimeerde] ingenomen – en door het hof gevolgde – stellingen niet zouden ondersteunen (en die tot nader onderzoek aanleiding zouden geven) is vervolgens door de curator niet aangevoerd. Het hof zal daarom blijven bij hetgeen in het tussenarrest reeds, met het voornoemde voorbehoud, is beslist, te weten dat grief 1 geen doel treft. Hetgeen anders of in strijd hiermee door de curator is aangevoerd, kan, omdat het berust op een onjuiste lezing van het tussenarrest, niet tot een ander oordeel leiden.

2.5.

Het hof zal het vonnis daarom bekrachtigen. De curator zal in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld. Anders dan de curator heeft aangevoerd is van het achterhouden van bewijs door [geïntimeerde] geen sprake geweest.

3 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot deze uitspraak begroot op € 666,- aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris.

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.P. van Achterberg en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 september 2013.