Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:3081

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
200.104.650-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenleaseovereenkomst. Echtgenote van de eiser is met Dexia de vaststellingosvereenkomst "Overenekomst Dexia Aanbod" aangegaan, eiser niet. Eiser heeft op de wet van art. 1:89 BW de effectenleaseovereenkomst vernietigd en vordert hetgeen door zijn echtgenote onder die overeenkomst is betaald terug. Vordering is terecht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 2, p. 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.104.650/01

zaak-/rolnummer rechtbank : 968663 DX EXPL 08-2380

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 september 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[APPELLANTE] (voorheen [bedrijf 1]),

gevestigd te [plaats],

appellante,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonend te [GEÏNTIMEERDE],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 12 april 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 16 maart 2011, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling, met rente, van hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan alsmede [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, met rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en tot veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellante] in de kosten van de appelprocedure.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

Omtrent de juistheid van de door de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 genoemde vaststaande feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

2.2

[bedrijf 1], de vennootschap die aanvankelijk procespartij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. [appellante] is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. [appellante] is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van [bedrijf 2]., alsmede van [bedrijf 3].

2.3

Tussen de echtgenote van [geïntimeerde], [X] (hierna: [X]) en [appellante] is in januari 2000 een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen met contractnummer [getal], hierna te noemen: de leaseovereenkomst.

2.4

Voor de totstandkoming van de leaseovereenkomst heeft [geïntimeerde] geen (schriftelijke) toestemming verleend.

2.5

Bij brief van 30 januari 2005 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [geïntimeerde] met een beroep op artikel 1:89 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de nietigheid van de leaseovereenkomst ingeroepen.

2.6

[X] is akkoord gegaan met de zogenoemde Overeenkomst [appellante] Aanbod (hierna ook: de vaststellingsovereenkomst), waarbij zij – kort samengevat – afstand heeft gedaan van alle rechten uit hoofde van of verband houdende met de leaseovereenkomst. [geïntimeerde] heeft de Overeenkomst [appellante] Aanbod niet ondertekend.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft [appellante] op 7 juli 2008 gedagvaard voor de kantonrechter en gevorderd, samengevat weergegeven, dat voor recht wordt verklaard dat de leaseovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd is en dat [appellante] wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen in het kader van de leaseovereenkomst onverschuldigd is betaald, met rente en kosten.

3.2

[appellante] heeft zich, voor zover nog van belang, in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet ontvankelijk is omdat [X] de Overeenkomst [appellante] Aanbod heeft aanvaard, en in de tweede plaats dat het vernietigingsrecht van [geïntimeerde] uit hoofde van artikel 1:89 BW ten tijde van de vernietigingsbrief, wegens het verstrijken van meer dan drie jaren sedert de bekendheid van [geïntimeerde] met de leaseovereenkomst, reeds was verjaard.

3.3

Ter gelegenheid van de tussen partijen op 14 juni 2010 gehouden comparitie van partijen heeft de kantonrechter uitgesproken dat hij aan hetgeen over en weer is gesteld het bewijsvermoeden ontleent dat [geïntimeerde] eerder dan drie jaren vóór de datum van de vernietigingsbrief van 30 januari 2005 wetenschap heeft gehad van de leaseovereenkomsten en heeft hij [geïntimeerde] terstond in de gelegenheid gesteld tegen dit bewijsvermoeden tegenbewijs te leveren. Onmiddellijk daarna heeft de kantonrechter eerst [geïntimeerde] en daarna [X] als getuige gehoord. En vervolgens, nadat eerst getuige [X] was gehoord, is getuige [geïntimeerde] aanvullend gehoord.

3.4

Bij het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] erin geslaagd is tegenbewijs te leveren en dat derhalve moet worden aangenomen dat hij tijdig de nietigheid van de leaseovereenkomst heeft ingeroepen. Ook het verweer dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [X] met de Overeenkomst [appellante] Aanbod is akkoord gegaan, heeft de kantonrechter verworpen. De kantonrechter heeft vervolgens voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de leaseovereenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd en [appellante] veroordeeld om – kort gezegd – de aan haar gedane uitkeringen te restitueren, verminderd met de ontvangen uitkeringen en vermeerderd met de wettelijke rente. [appellante] is tevens veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen komt [appellante] met haar grieven op.

3.5

[appellante] voert in grief 1 aan dat de kantonrechter [geïntimeerde] niet-ontvankelijk had moeten verklaren, althans haar vorderingen had moeten afwijzen, omdat [X] de Overeenkomst [appellante] Aanbod heeft aanvaard.

3.6

Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW voor het aangaan van de leaseovereenkomst, die moet worden aangemerkt als een overeenkomst van huurkoop, de schriftelijke toestemming van [geïntimeerde] was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt [geïntimeerde] de mogelijkheid de leaseovereenkomst te vernietigen, nu hij als echtgenoot geen toestemming voor het sluiten van de leaseovereenkomst heeft verleend.

3.7

[X] is door ondertekening van het aanmeldingsformulier op 11 april 2003 de vaststellingsovereenkomst [appellante] Aanbod aangegaan. Zij heeft blijkens artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst afstand gedaan van alle gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met de leaseovereenkomst.

3.8

Blijkens de tekst op het aanmeldingsformulier gaat de echtgeno(o)t(e) die het aanmeldingsformulier mede-ondertekent met [appellante] de vaststellingsovereenkomst aan, voor zover deze overeenkomst blijkens de bepalingen daarvan op hem/haar van toepassing is in zijn/haar hoedanigheid van echtgeno(o)t(e). [geïntimeerde] heeft het aanmeldingsformulier niet mede-ondertekend. Bij brief van 30 januari 2005 heeft [geïntimeerde] de leaseovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd.

3.9

Evenals de kantonrechter, beantwoordt het hof de voorliggende vraag of [geïntimeerde], nadat [X] de vaststellingsovereenkomst met [appellante] is aangegaan, nog bevoegd was de leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 lid 1 onder d BW buitengerechtelijk te vernietigen, bevestigend. Het hof stelt daarbij voorop dat de ratio van artikel 1:88 BW is echtgenoten in hun onderlinge verhouding, dus ten opzichte van elkaar, te beschermen. Nu [geïntimeerde] de vaststellingsovereenkomst niet met [appellante] is aangegaan, heeft hij jegens [appellante] geen afstand gedaan van genoemde vernietigingsbevoegdheid. Dat [geïntimeerde] op een andere wijze jegens [appellante] afstand van die bevoegdheid heeft gedaan, is gesteld noch gebleken.

3.10

Het hof volgt [appellante] niet in haar betoog dat, omdat de vaststellingsovereenkomst [appellante] Aanbod in stand blijft, een beroep op vernietiging van de leaseovereenkomst [geïntimeerde] niet kan baten. Daartoe overweegt het hof als volgt. [appellante] stelt in dit verband in de eerste plaats dat de Overeenkomst [appellante] Aanbod heeft te gelden als een (nieuwe) grondslag voor de betalingen door [X] die [geïntimeerde] in deze procedure terugvordert. Hiertoe betoogt [appellante] dat, doordat de Overeenkomst [appellante] Aanbod niet door een eventuele vernietiging van de leaseovereenkomst wordt aangetast, de betalingsverplichtingen van [X] ook niet worden aangetast. Bijgevolg kan er, aldus [appellante], geen beroep op de onverschuldigdheid van de reeds door [geïntimeerde] gedane betalingen worden gedaan. Naar het oordeel van het hof snijdt dit betoog evenwel geen hout. Immers, ook als met [appellante] zou worden aangenomen dat de vernietiging van de leaseovereenkomst geen gevolgen heeft voor de Overeenkomst [appellante] Aanbod, ziet [appellante] eraan voorbij dat [geïntimeerde] geen vordering instelt tot restitutie van de aflossingen op de renteloze lening die door de Overeenkomst [appellante] Aanbod verschuldigd zijn geworden, maar een vordering tot restitutie van de betalingen aan [appellante] die op grond van de leaseovereenkomst zijn verricht. Het betoog van [appellante] dat nu [X] door de aanvaarding van de Overeenkomst [appellante] Aanbod geen vordering uit onverschuldigde betaling kan instellen, [geïntimeerde] dat ook niet kan doen, gaat evenmin op. De omstandigheid dat [X], indien zij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd, haar huwelijksvermogen zou zien toenemen indien de vordering van [geïntimeerde] uit onverschuldigde betaling op [appellante] wordt toegewezen, laat onverlet dat [geïntimeerde] een eigen vordering uit onverschuldigde betaling op [appellante] heeft, ongeacht het huwelijksgoederenregime dat tussen zijn echtgenote en hem van toepassing is en ongeacht of [X] jegens [appellante] afstand van de vordering uit onverschuldigde betaling heeft gedaan. Een andere uitleg valt niet te rijmen met de strekking van artikel 1:88 BW om de andere echtgenoot te beschermen tegen het zonder zijn toestemming aangaan van de daarin bedoelde rechtshandelingen. Tot slot slaagt [appellante] evenmin in haar betoog dat zelfs als [geïntimeerde] de afspraken tussen [appellante] en [X] in de Overeenkomst [appellante] Aanbod in beginsel niet tegen zich zou hoeven te laten gelden, [X] dan garanties heeft geschonden en schadeplichtig is jegens [appellante], zodat [appellante] kan verrekenen. Concreet komt hetgeen [appellante] stelt erop neer dat zij de vordering van [geïntimeerde] (die voortvloeit uit artikel 1:89 lid 5 BW) tot restitutie van hetgeen op grond van de leaseovereenkomst is betaald, kan verrekenen met de schadevergoedingsvordering die [appellante] meent te hebben op [X] wegens de schending van de door haar bij de Overeenkomst [appellante] Aanbod gegeven garanties. Het hof is van oordeel dat de vordering die [appellante] op [X] stelt te hebben in het geheel niet vaststaat. Of de vernietiging van de leaseovereenkomst meebrengt dat de garanties van de Overeenkomst [appellante] Aanbod zijn geschonden, vergt een nader onderzoek. Daar komt bij dat [X] geen partij is in de onderhavige procedure en dat [appellante] niet duidelijk maakt hoe in de onderhavige procedure zou moeten worden vastgesteld of zij wel een vordering op [X] geldend kan maken. Ook overigens kan niet eenvoudig worden vastgesteld of [appellante] deze beweerde vordering op [X], onder andere gezien de strekking van de artikelen 1:88 en 1:89 BW, wel kan verrekenen met de vordering die [geïntimeerde] op [appellante] heeft. Het beroep op verrekening is aldus niet voor dadelijke toewijzing vatbaar, zodat het hof daaraan gelet op het bepaalde in artikel 6:136 BW voorbij gaat.

3.11

Uit het vorenstaande volgt dat grief 1 geen doel treft.

3.12

Grief 2 strekt ten betoge dat de vernietigingsbevoegdheid van [geïntimeerde], anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, is verjaard, althans dat zijn beroep op zijn vernietigingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel door rechtsverwerking is teniet gegaan.

3.13

Voor de beoordeling van de grief is het volgende van belang.

3.13.1

[geïntimeerde] heeft als getuige, onder meer en voor zover van belang, verklaard:

- dat er tussen hem en zijn vrouw een duidelijke taakverdeling bestaat waarbij zij alle financiën doet en hij daar niets aan doet;

- dat dit altijd zo tussen hem en zijn vrouw is geweest;

- dat hij niet weet of zij meer dan één bankrekening hebben;

- dat hij geen pinpas heeft;

- dat hij, als hij geld nodig heeft, dit van zijn vrouw krijgt;

- dat zijn vrouw de post uit de brievenbus haalt;

- dat hij nooit post openmaakt;

- dat zijn vrouw in 2004 huilend bij hem kwam en over[appellante] vertelde;

- dat hij zulke dingen stom vindt;

- dat hij toen kwaad is geworden.

3.13.2

[X] heeft als getuige, onder meer en voor zover van belang, verklaard:

- dat zij drie rekeningen hebben; een betaalrekening bij de ING waarop de salarissen van haar en haar man worden gestort, een rekening bij Reaal waarop zij maandelijks een bedrag spaart en nog een andere rekening bij een bank waarvan de naam haar niet meteen te binnen schiet;

- dat de ING rekeningen een en/of-rekening is, de andere twee rekeningen mogelijk ook;

- dat ze denkt dat haar man niet weet dat ze maandelijks spaart;

- dat zij dat soort dingen allemaal regelt, al vanaf dat ze getrouwd zijn;

- dat, als haar man geld nodig heeft, hetgeen niet vaak het geval is, zij dat contant aan hem geeft;

- dat zij grote uitgaven bespreken, maar dat zij voor de financiële kant zorgt;

- dat zij ongeveer iedere drie weken een afschrift van de ING-rekening krijgt, die zij opbergt in een map;

- dat zij zeker weet dat haar man niet naar de bankafschriften kijkt;

- dat zij de leaseovereenkomst is aangegaan, omdat zij gebeld werd door een persoon van [bedrijf 4]; dat er daarna tweemaal iemand overdag langs is geweest, toen haar man niet thuis was;

- dat zij als doel met de leaseovereenkomst had om een spaarbedrag te krijgen;

- dat zij het op een gegeven moment tijd vond worden om haar man op de hoogte te brengen van de overeenkomst;

- dat zij hem toen gezegd heeft dat ze iets doms had gedaan;

- dat zijn reactie was dat hij vond dat ze iets stoms had gedaan; dat hij boos was.

3.13.3

In een in de procedure overgelegde schriftelijke verklaring van [Y], dochter van [geïntimeerde], staat onder meer:

‘Ik kan me vanaf kinds af aan niet herinneren dat mijn vader zich ooit met financiële zaken heeft bemoeid. In ons gezin was mijn moeder degene die de financiële zaken regelde en heeft mijn vader zich daar niet of nauwelijks mee bemoeid, bankafschriften e.d. acceptgiro’s was iets wat hij niet open maakte en niet uitschreef.’

3.13.4

[Z], de zus van [geïntimeerde], verklaart in een in de procedure overgelegde schriftelijke verklaring onder meer als volgt:

‘Mijn schoonzuster heeft mij gevraagd om te verklaren dat mijn broer zich absoluut niet met financiën bemoeide. Dat is ook zo. Het komt voort uit onze opvoeding, het was bij ons heel normaal dat mijn vader er blindelings op vertrouwde dat mijn moeder de financiën goed regelde, hij bemoeide zich nooit met bankzaken. Bij mijn schoonzuster en mijn broer is het precies zo. Mijn schoonzuster doet de financiën en mijn broer bemoeit zich nooit met financiën, hij heeft zelfs geen bankpas.’

3.13.5

Het vonnis, waarin de bewijswaardering heeft plaatsgevonden, is gewezen door de kantonrechter die ook de getuigen heeft gehoord.

3.14

Het hof stelt bij de beoordeling van grief 2 voorop dat de kantonrechter terecht als uitgangspunt heeft genomen dat op [appellante] de stelplicht en de bewijslast rust ten aanzien van het beroep op verjaring. De verjaringstermijn voor een beroep op het vernietigingsrecht uit hoofde van artikel 1:89 BW is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst. Op [appellante] rust aldus de bewijslast en het bewijsrisico van haar stelling dan [geïntimeerde] op 30 januari 2005 drie jaren of langer bekend was met de onderhavige leaseovereenkomst.

3.15

Naar het oordeel van het hof kan gezien de voldoende duidelijke, consistente en overeenstemmende verklaringen van [geïntimeerde] en [X], ondersteund door de verklaringen van de dochter en de zus van [geïntimeerde], niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat [geïntimeerde] eerder dan drie jaren voor de vernietigingsverklaringen met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend is geweest. De enkele omstandigheden dat de bankrekening waarvan de leasetermijnen werden betaald mede op naam van [geïntimeerde] stond, dat de afschriften van die rekening mede aan [geïntimeerde] waren gericht en dat het bestaan van de leaseovereenkomsten daardoor kenbaar was uit de bankafschriften van de betrokken rekening, zijn daarvoor onvoldoende. Hetgeen [appellante] overigens (in algemene bewoordingen) heeft aangevoerd, waaronder de stelling dat de bekendheid van [geïntimeerde] uit de belastingaangiften kan worden afgeleid, leidt, gezien de inhoud van de afgelegde verklaringen, niet tot een ander oordeel. Er is geen reden [appellante] tot verdere bewijslevering toe te laten, nog daargelaten dat zij in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan.

3.16

De stelling van [appellante] dat zelfs wanneer het juist is dat [geïntimeerde] niet eerder dan drie jaren vóór het inroepen van de vernietigbaarheid van de leaseovereenkomst bekend was geworden met deze overeenkomst, hem desalniettemin geen beroep toekomt op de vernietigingsgrond, omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, verdient geen navolging. Bij toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW dient terughoudendheid te worden betracht en gelet op het voorgaande is het resultaat niet naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het beroep op die onaanvaardbaarheid is ook onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] er willens en wetens voor heeft gekozen om niets van de financiële gang van zaken in het eigen huishouden te weten, brengt, anders dan [appellante] aanvoert, niet mee dat hij de bevoegdheid tot vernietiging wegens het ontbreken van zijn toestemming, heeft verspeeld. Voor zover [appellante] in dit verband een beroep doet op rechtsverwerking, gaat het hof hieraan voorbij, omdat [appellante] dit standpunt niet, althans onvoldoende onderbouwt. Voor het intreden van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop onvoldoende, en [appellante] heeft geen (bijzondere) omstandigheden gesteld die de gevolgtrekking zouden kunnen dragen dat zij door de houding van [geïntimeerde] in het gerechtvaardigde vertrouwen zou zijn gebracht dat deze ervan af zou zien, zijn vernietigingsbevoegdheid geldend te maken, dan wel in haar positie van schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard doordat [geïntimeerde] zijn aanspraak alsnog geldend maakt.

3.17

De conclusie van het vorengaande is dat grief 2 faalt. Terecht heeft de kantonrechter geoordeeld dat de leaseovereenkomst als gevolg van de brief van 30 januari 2005 is vernietigd.

3.18

Slotsom is dat geen van de grieven slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 284,00 aan verschotten en € 894,00 aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, J.W. Hoekzema en A.L.M. Keirse en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 september 2013.