Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2985

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
200.083.275-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Vordering tot vernietiging van een leaseovereenkomst. Aanvangsmoment van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 sub d BW in samenhang met artikel 1:89 BW. Bewijslastverdeling. Bewijsoordeel. Afnemer is geslaagd in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.083.275/01

zaak- en rolnummer rechtbank: 1110411 DX EXPL 09-657

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 september 2013

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, te Bleiswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 23 februari 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 november 2010, gewezen tussen hem als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

De volgende stukken zijn ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord;

- een akte van [appellant].

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad zijn vorderingen zoals geformuleerd in de memorie van grieven zal toewijzen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten, met nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof in hoger beroep daarvan zal uitgaan.

2.2

Het gaat in deze zaak om het volgende. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna ook: Dexia).

2.3

[appellant] heeft in 2000 een effectenleaseovereenkomst gesloten met Dexia. De leaseovereenkomst is genaamd “Pensioen Effect” en heeft contractnummer […] (hierna: de leaseovereenkomst).

2.4

Op grond van de leaseovereenkomst heeft [appellant] een bedrag van Dexia geleend. Daarmee zijn effecten gekocht die [appellant] van Dexia heeft geleased. Over het geleende bedrag was [appellant] rente verschuldigd.

2.5

De leaseovereenkomst is inmiddels beëindigd. Na de verkoop van de effecten bleef een restschuld over van € 3.478,61.

2.6

Ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten was [appellant] gehuwd met[X]. Voor de totstandkoming van de leaseovereenkomsten heeft[X] geen (schriftelijke) toestemming verleend.

2.7

Bij brief van 12 december 2005 heeft[X] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de nietigheid van de leaseovereenkomst ingeroepen.

2.8

Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde.[appellant] heeft door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW tijdig laten weten dat hij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst − de zogeheten “Duisenberg-regeling” – gebonden wil zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de overeenkomst ten aanzien van hem geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst hem niet bindt.

3 Beoordeling

3.1

De vorderingen van[appellant] in hoger beroep strekken, zakelijk weergegeven, primair tot terugbetaling van hetgeen onder de leaseovereenkomst aan Dexia is betaald uitgaande van de vernietiging daarvan door[X]. Subsidiair vordert[appellant] dat voor recht wordt verklaard dat de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld slechts tot een derde deel daarvan toewijsbaar is.

3.2

De in eerste aanleg in reconventie ingestelde vordering van Dexia strekt tot betaling door[appellant] van een derde deel van de op grond van de leaseovereenkomst ontstane restschuld.

3.3

De kantonrechter heeft het beroep van Dexia op de verjaring van de rechtsvordering van[X] tot vernietiging van de leaseovereenkomst aanvaard en daarvan uitgaande de conventionele vordering van[appellant] afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter[appellant] veroordeeld € 1.885,58 aan Dexia te betalen. Het betreft een derde deel van de restschuld, vermeerderd met achterstallige termijnbedragen.

3.4

De eerste grief ziet op het door de kantonrechter geformuleerde bewijsvermoeden en het toelaten van[appellant] tot het leveren van tegenbewijs. Deze grief zal het hof hierna gezamenlijk met de derde grief behandelen.

3.5

De tweede grief betreft het moment waarop met betrekking tot de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst de verjaringstermijn aanvangt.

3.6

Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van de leaseovereenkomst, die moet worden aangemerkt als overeenkomst van huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de leaseovereenkomst te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten daarvan is verleend.

3.7

Uit artikel 3:52, eerste lid, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW volgt dat de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan.

3.8

Op grond van de totstandkomingsgeschiedenis en uit de redactie van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW is naar het oordeel van het hof met de maatstaf ‘ten dienste is komen te staan’ tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene de bevoegdheid tot vernietiging daadwerkelijk moet kunnen uitoefenen. Van een ‘ten dienste komen te staan’ is onder andere geen sprake als de tot vernietiging bevoegde niet op de hoogte was van het feit dat de desbetreffende rechtshandeling is verricht (en dus ook niet dat een vernietigingsgrond bestaat). De rechtshandeling moet ter kennis van de tot vernietiging bevoegde zijn gekomen, zodat de betrokkene de nietigheid kan inroepen tegenover degenen die partij zijn bij de rechtshandeling. Anders dan[appellant] stelt, is voor de aanvang van de verjaringstermijn niet vereist dat[X] bekend was met de feiten waaruit kon worden geconcludeerd dat het om een overeenkomst van huurkoop ging. Bekendheid met de juridische kwalificatie van de rechtshandeling is geen voorwaarde voor de aanvang van de verjaringstermijn.

3.9

Voor het hof is aldus uitgangspunt – en dat is in eerdere rechtspraak van het hof ook tot uitdrukking gebracht – dat voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en daarmee voor de aanvang van de verjaringstermijn, bepalend is wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de betreffende overeenkomst bekend is geworden. Het komt er daarmee op aan wanneer[X] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomsten waarvan zij bij brief van 12 december 2005 de nietigheid heeft ingeroepen (zie ook de arresten van de Hoge Raad van 28 januari 2011, NJ 2012, 603; LJN: BO6106 en 17 februari 2012, RvdW 2012, 319; LJN: BU6506). In het laatstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof, dat in beginsel met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift van de en/of-rekening waarop de betalingen op grond van de leaseovereenkomst staan vermeld kan worden aangenomen dat de echtgenote bekend was met de betrokken overeenkomst, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd geacht. Ook daaruit volgt dat voor de aanvang van de verjaringstermijn niet (tevens) is vereist dat de betrokkene (reeds) bekend was met de feiten en omstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat het om een huurkoopovereenkomst ging. Bekendheid met het bestaan van de overeenkomst (kenbaar door de betalingen vanaf een bankrekening) is voor de aanvang van de verjaringstermijn voldoende.

3.10

Met het voorgaande is grief 2 vergeefs voorgesteld.

3.11

De grieven 1 en 3 richten zich tegen het bewijsvermoeden dat de kantonrechter heeft ontleend aan het feit dat de betalingen op grond van de leaseovereenkomst werden verricht vanaf een en/of-rekening. Deze grieven richten zich daarmee tegen het mondelinge tussenvonnis zoals dat door de kantonrechter op 14 juli 2010 tijdens de comparitie van partijen is gewezen en in het proces-verbaal van deze comparitie is opgetekend.

3.12

Dexia is degene die zich beroept op de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de leaseovereenkomst. Dexia dient daarom in beginsel de feiten en omstandigheden te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen.

3.13

De betalingen aan Dexia op grond van de leaseovereenkomst hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke bankrekening van[appellant] en[X], de afschriften van die rekening waren mede aan[X] gericht en het bestaan van de leaseovereenkomst was daardoor kenbaar uit de bankafschriften van de betrokken rekening. Dit samenstel van gegevens houdt een sterke aanwijzing in dat[X] van de betalingen moet hebben geweten en daardoor ook van het bestaan van de leaseovereenkomst op de hoogte was. Dit alles rechtvaardigt om voorshands aan te nemen dat Dexia is geslaagd in het bewijs van de stelling dat de rechtsvordering van[X] tot vernietiging van de leaseovereenkomst was verjaard voordat zij de nietigheid daarvan heeft ingeroepen. Daarvan uitgaande heeft de kantonrechter onder verwijzing naar de in het proces-verbaal weergegeven samenvatting van de stellingen van partijen op goede gronden, die het hof onderschrijft,[appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands aangenomen feit.

3.14

De grieven 1 en 3 hebben geen succes.

3.15

[appellant] heeft ten overstaan van de kantonrechter in het kader van het door hem te leveren tegenbewijs zichzelf en[X] als getuigen doen horen. De belangrijkste elementen uit de afgelegde verklaringen zijn door de kantonrechter weergegeven in r.o. 3.12 van het vonnis waarvan beroep. De kantonrechter heeft vervolgens, kort gezegd, overwogen dat hij het onwaarschijnlijk acht dat[X] geen weet heeft gehad van de leaseovereenkomst. Hij acht het moeilijk voorstelbaar dat[X] in de gegeven omstandigheden slechts globaal op de hoogte was van een door[appellant] getroffen oudedagsvoorziening en niet bekend was met de leaseovereenkomst als zodanig. De kantonrechter is, alles afwegende, tot het oordeel gekomen dat[appellant] er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Grief 4 heeft betrekking op de waardering van het bewijs door de kantonrechter.

3.16

Uit de getuigenverklaring van[X] komt, voor zover van belang, het volgende naar voren:
-[appellant] heeft[X] niet verteld over het aangaan van de leaseovereenkomsten. Tussen het moment dat hij haar over het contract vertelde en[appellant] en[X] belangenbehartiger Leaseproces hebben ingeschakeld, was ongeveer twee maanden gelegen.
-[appellant] deed de financiële zaken.[X] zorgde voor de kinderen en deed meestal de boodschappen. De boodschappen betaalde[X] vanaf een en/of-betaalrekening.
- De eerste betaling aan Dexia werd verricht vanaf een en/of-spaarrekening.[X] heeft deze overschrijving van ƒ 19.200 aan Bank Labouchère niet gezien.
- De betaling is gedaan van de overwaarde van het vorige huis.[appellant] wilde met dat geld iets doen en[X] heeft hem daarin de vrije hand gelaten. Ze wist op dat moment niet dat het om ongeveer ƒ 20.000 ging.
- -[X] wist niet dat iemand van Spaarselect, de tussenpersoon die bij de totstandkoming van de leaseovereenkomst was betrokken, bij hen thuis zou komen. Zij kende de naam Spaarselect wel van de reclame.
-[X] heeft in de belastingaangifte van[appellant] niet gezien dat rente in verband met de leaseovereenkomst werd afgetrokken.[appellant] heeft van die mogelijkheid ook geen gebruik gemaakt, omdat hij niet wist dat het om een lening ging.
-[X] kan zich niet bewust herinneren ooit post van Legio-Lease of Dexia te hebben gezien.

3.17

[appellant] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:
- In 2000 hadden[appellant] en[X] twee en/of-rekeningen. Op de ene ontving[X] haar salaris en daarvan werden de boodschappen en dergelijke betaald. Op de andere rekening kwam het salaris van[appellant] binnen en daarvan werden de vaste lasten betaald.
-[appellant] hield de afschriften van beide rekeningen bij en ook van de spaarrekening.
- Naar aanleiding van een advertentie is[appellant] in contact gekomen met Spaarselect. Er is toen iemand bij hem thuis geweest.[X] was daar niet bij.
-[appellant] regelde in het huishouden de financiële zaken.
- De leaseovereenkomst was bedoeld voor de pensioenopbouw van[appellant]. Hij heeft zijn vrouw in algemene termen gezegd dat hij iets ging doen als appeltje voor de dorst. Zijn vrouw wist niet om welk bedrag het ging.
-[appellant] heeft[X] in november 2005 over het contract ingelicht nadat hij een brief van Dexia had gekregen dat hij een restschuld had.
-[appellant] heeft steeds jaaropgaven van Dexia ontvangen. Hij las deze niet en heeft daarvan ook geen opgave gedaan bij de belastingdienst. Hij wist namelijk niet dat hij een schuld had.

3.18

Met[appellant] is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte in zijn oordeel heeft betrokken dat[X] bekend was met Spaarselect. Uit haar verklaring, en ook overigens, blijkt slechts dat zij deze naam kende van de reclame. Dat zij ermee bekend was dat haar man met Spaarselect in zee was gegaan, vindt geen grond in de processtukken.
Verder heeft de kantonrechter het ‘onwaarschijnlijk’ en ‘moeilijk voorstelbaar’ gevonden dat de echtelieden, die beiden ongeveer 30 jaar oud zijn en een Hbo-opleiding hebben, niet over de door[appellant] te treffen oudedagsvoorziening hebben gesproken, althans dat[X] daarvan inhoudelijk niet op de hoogte was. Het hof is van oordeel dat het er slechts op aankomt of partijen daadwerkelijk inhoudelijk over de oudedagsvoorziening hebben gesproken, zodat[X] daardoor daadwerkelijk met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend is geworden. Voor die conclusie bieden de processtukken evenwel geen steun. De kantonrechter kon zijn oordeel, in plaats daarvan, niet baseren op ‘(on)waarschijnlijkheden’.

Daarnaast heeft de kantonrechter ten onrechte in zijn overwegingen betrokken dat het ‘niet uitgesloten is’ dat[X] de overschrijving van ƒ 19.200 aan Dexia heeft gezien. Uit de getuigenverklaringen en de overige processtukken zijn geen aanwijzingen te putten dat[X] die overschrijving daadwerkelijk heeft gezien. De kantonrechter diende daarvan dan ook uit te gaan. De kantonrechter heeft overigens ook niet vastgesteld dat hij de getuigenverklaringen ongeloofwaardig acht.

Korringa heeft als getuige verklaard niet te weten hoeveel er op de gezamenlijke spaarrekening staat. Op zijn beurt heeft[appellant] verklaard dat zijn vrouw inzicht heeft in het spaartegoed omdat zij dat via internetbankieren wel eens bekijkt. Het hof acht dit, anders dan de kantonrechter, geen tegenstrijdige verklaringen. Dat[X] de spaarrekening wel eens bekijkt, hoeft nog niet mee te brengen dat zij het spaarsaldo steeds paraat heeft. Het betreft bovendien een verklaring over de tegenwoordige gang van zaken binnen het huishouden van de echtelieden. Hieruit valt niet af te leiden wat[X] vóór 12 december 2002 wist over de leaseovereenkomst. Dit element heeft de kantonrechter daarmee ten onrechte in zijn afweging betrokken.

3.19

Het hof komt tot een ander eindoordeel dan de kantonrechter. Het hof acht[appellant] geslaagd in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden. De beide getuigenverklaringen, die op de relevante onderdelen met elkaar overeenstemmen en die het hof niet ongeloofwaardig voorkomen, brengen mee dat niet kan worden vastgesteld dat[X] voor 12 december 2002 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomst. Bij deze stand van zaken is Dexia niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de rechtsvordering van[X] tot vernietiging van de leaseovereenkomst was verjaard voordat zij de nietigheid daarvan heeft ingeroepen.

3.20

Met het voorgaande is grief 4 terecht voorgesteld. Dat brengt mee dat het vonnis van de kantonrechter vernietigd dient te worden en de primaire vordering van[appellant] toewijsbaar is. Grief 5 heeft betrekking op de subsidiaire vordering en kan buiten behandeling blijven.

3.21

De conclusie is dat het hoger beroep succes heeft. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De primaire in hoger beroep ingestelde vordering van[appellant] zal worden toegewezen en de in eerste aanleg door Dexia in reconventie ingestelde vordering zal alsnog worden afgewezen. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties. In eerste aanleg in reconventie zullen de kosten op nihil worden begroot, omdat het debat in reconventie nagenoeg geheel is samengevallen met dat in conventie.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de door partijen gesloten leaseovereenkomsten genaamd “Pensioen Effect” met contractnummer […] rechtsgeldig op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW is vernietigd en veroordeelt Dexia aan[appellant] te voldoen al hetgeen door[appellant] aan Dexia op grond van deze leaseovereenkomst is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling aan Dexia tot de dag van algehele betaling door Dexia;

wijst de in eerste aanleg door Dexia in reconventie ingestelde vordering alsnog af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg in conventie aan de zijde van[appellant] begroot op € 243,98 aan verschotten en € 375,00 voor salaris en in reconventie op nihil en in hoger beroep tot op heden op € 374,81 aan verschotten en € 894,00 voor salaris en op € 131,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, C. Uriot en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.