Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2980

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
200.125.743-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geen reden voor volledige proceskostenvergoeding ten gunste van appellante. Voorzieningenrechter heeft - integendeel - kosten ten onrechte gecompenseerd; appellante alsnog in die kosten verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: : 200.125.743/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam): C/13/536615/KG ZA 13-228

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 september 2013

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. D. Roesink, te Naarden-Vesting,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NECKERMANN.COM B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.P.M. Mol, te Son en Breugel.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Neckermann genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 10 april 2013in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (verder: de voorzieningenrechter) van 21 maart 2013, onder voormeld zaaknummer gewezen tussen haar als eiseres en (onder anderen) Neckermann als gedaagde. De dagvaarding bevat de gronden van het beroep.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven overeenkomstig de appeldagvaarding, met producties;

- memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in het incidenteel appel, met producties;

- akte aan de zijde van [appellante], met een productie;

- akte aan de zijde van Neckermann, met een productie.

Partijen hebben de zaak ter terechtzitting van 15 augustus 2013 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities door hun hiervoor genoemde advocaten doen bepleiten. [appellante] heeft toen nog een stuk in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft - kennelijk onder wijziging van eis - geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, kort gezegd, Neckermann zal veroordelen tot betaling van € 4.595,98 wegens integrale vergoeding van door haar gemaakte kosten en van een voorschot van € 2.000,= op de door haar geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van Neckermann, een en ander met verwijzing van Neckermann in de integrale kosten van (ook) het hoger beroep, waaronder begrepen de nakosten en (verdere) executiekosten.

Neckermann heeft geconcludeerd tot, kort gezegd, verwerping van het principaal appel en - in het incidenteel appel - alsnog verwijzing van [appellante] in de kosten van de eerste aanleg, alles met veroordeling van [appellante] in de kosten van - begrijpt het hof - het principaal appel en het incidenteel appel.

[appellante] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met veroordeling van Neckermann in de integrale kosten daarvan.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( a) [appellante] heeft in november 2012 de ABN AMRO Bank N.V. (verder: de bank) verzocht een hypothecaire geldlening van € 154.000,= af te sluiten. Bij een door de bank vervolgens uitgevoerde controle bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel (verder: het BKR) bleek dat [appellante] bij het BKR stond geregistreerd omdat Neckermann op 9 februari 2006 melding had gedaan van een achterstand in de betaling door [appellante] van een geldsom die tot op het moment van navraag niet was voldaan. De bank heeft de hypothecaire lening wel aan [appellante] verstrekt, zij het volgens laatstgenoemde tegen een hogere rente dan zonder die melding het geval zou zijn geweest.

( b) [appellante] heeft Neckermann bij dagvaarding van 27 februari 2013 gedagvaard tegen de zitting van de voorzieningenrechter van 7 maart 2013. Bij deze dagvaarding vorderde zij bij wege van voorlopige voorziening de veroordeling van Neckermann tot onder meer het doen verwijderen van voormelde BKR-registratie, vergoeding van de door haar aan de bank betaalde en te betalen hogere rente vanwege die BKR-registratie en vergoeding van haar integrale proceskosten. Neckermann heeft het BKR op 5 maart 2013 schriftelijk opdracht gegeven de BKR-registratie ten laste van [appellante] te verwijderen, wat het BKR vervolgens heeft gedaan.

( c) Ter zitting in eerste aanleg van 7 maart 2013 heeft [appellante] haar vordering tot het doen verwijderen van de gewraakte BKR-registratie ingetrokken maar de overige vorderingen gehandhaafd.

( d) Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

3.2.

Grief I in het principaal appel heeft naar de letter betrekking op vordering IV uit de inleidende dagvaarding, welke in hoger beroep - naar de advocaat van [appellante] ten pleidooie ook heeft erkend - niet meer aan de orde is. De toelichting op de grief ziet echter op de onder 3.3 te bespreken vordering en in dat verband zal het hof daarmee rekening zal houden.

3.3.

Grief II in het principaal appel is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding door Neckermann van de door [appellante] aan de bank betaalde en te betalen hogere rente vanwege de registratie van [appellante] door het BKR. Thans in hoger beroep vordert [appellante] een voorschot van € 2.000,= op haar te dezen geleden en te lijden schade. De grief faalt, omdat Neckermann de vordering met tal van argumenten heeft betwist en [appellante] de gegrondheid ervan onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt om een toewijzing in kort geding te kunnen rechtvaardigen. De e-mail van[X] van de bank van 21 februari 2013 (door de rechtbank in overweging 2.4 van het bestreden vonnis geciteerd) is, zoals Neckermann terecht opmerkt, te summier om anders te kunnen oordelen.

3.4.

Bij deze stand van zaken heeft Neckermann geen belang bij een bespreking van grief II in het incidenteel appel, die inhoudt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [appellante] bij de onder 3.3 besproken vordering een spoedeisend belang heeft.

3.5.

Grief III in het principaal appel strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering van [appellante] tot integrale vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten heeft afgewezen en de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd. Tegen deze beslissing is ook grief I in het incidenteel appel gericht. Volgens Neckermann had de voorzieningenrechter [appellante] in de proceskosten moeten veroordelen. Het hof acht de laatste grief gegrond en de eerste (dus) onterecht voorgesteld. Hiertoe diene het volgende. [appellante] heeft erkend dat zij vóór de mondelinge behandeling van het kort geding op 7 maart 2013 te 14.00 uur ervan op de hoogte was dat de BKR-registratie was verwijderd. Zij heeft echter niet gesteld - noch is aannemelijk geworden - dat het haar toen in redelijkheid niet meer mogelijk was de dagvaarding in te trekken. Integendeel, uit haar stellingen (vgl. memorie van antwoord in incidenteel appel, sub 9) volgt dat [appellante] er met het oog op de vergoeding van de reeds door haar gemaakte kosten bewust voor heeft gekozen het kort geding door te zetten teneinde een integrale kostenveroordeling te verkrijgen. Voor een dergelijke veroordeling was echter, gelet op het feit dat de overige gevraagde voorzieningen werden geweigerd, geen plaats. Dit betekent dat de voorzieningenrechter [appellante], als de in dit kort geding in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten had moeten verwijzen. Hieraan doet niet af dat - zoals het hof het ten pleidooie in het kader van een poging tot een minnelijke regeling heeft verwoord - ten aanzien van de communicatie door Intrum Justitia en BSR Incasso & Gerechtsdeurwaarders met [appellante] en met betrekking tot de mededeling aan [appellante] van de door Neckermann gestelde cessie van haar (beweerde) vordering sprake is geweest van “geklungel”. Die vordering was immers in dit kort geding niet aan de orde. In dit verband merkt het hof, ten slotte, nog op dat de voorzieningenrechter in de vordering tot vergoeding van de integrale proceskosten terecht geen vordering tot vergoeding van de in art. 6:96 lid 2 onder c BW bedoelde kosten heeft verstaan en dat een dergelijke vordering ook thans in de stellingen van [appellante] niet valt te lezen.

3.6.

Grief VI in het principaal appel (er zijn in dat appel geen als IV en V genummerde grieven) mist zelfstandige betekenis en zal om die reden niet worden besproken.

3.7.

De conclusie van al het voorgaande is dat het bestreden vonnis ten aanzien van de weigering van de door [appellante] gevraagde voorzieningen (dictum onder 5.7) - onder weigering van de gevraagde voorzieningen, zoals in hoger beroep gewijzigd - zal worden bekrachtigd en ten aanzien van de kostencompensatie (dictum onder 5.8) zal worden vernietigd, alsmede dat [appellante], als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de eerste aanleg, het principaal appel en het incidenteel appel zal worden verwezen. Met betrekking tot dit laatste overweegt het hof nog dat de door Neckermann met haar tweede grief in het incidenteel appel aan de orde gestelde kwestie van het spoedeisend belang, ingeval van slagen van grief II in het principaal appel, ook aan de orde had moeten komen zonder dat te dien aanzien een grief was aangevoerd (devolutieve werking van het hoger beroep). Om die reden heeft de omstandigheid dat het hof in overweging 3.4 heeft geoordeeld dat Neckermann bij grief II in incidenteel appel geen belang heeft geen invloed op de proceskosten-veroordeling in het incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor wat betreft het dictum onder 5.7 en weigert de gevraagde voorzieningen, zoals in hoger beroep gewijzigd;

vernietigt het bestreden vonnis voor wat betreft het dictum onder 5.8 en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het geding in eerste instantie, aan de zijde van Neckermann gevallen en begroot op € 589,= wegens verschotten en € 1.632,= wegens salaris van de advocaat;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van Neckermann gevallen en tot op heden begroot op € 683,= wegens verschotten en € 2.682,= wegens salaris van de advocaat;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van Neckermann gevallen en tot op heden begroot op € 447,= wegens salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, L.A.J. Dun en J.F.M. Strijbos, en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013 door de rolraadsheer.