Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2951

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
10/00278
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1465, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na verwijzing (HR 16 december 2011, nr. 10/00601 inzake ‘soortaandelen’) komt het Hof tot het oordeel dat de inspecteur beschikt over een ‘nieuw feit’ dat navordering rechtvaardigt. Hetgeen belanghebbende ten aanzien van zijn aandelen in zijn aangifte had vermeld is niet van dien aard dat de inspecteur gehouden was tot nader onderzoek. Wat betreft de overige resterende geschilpunten komt het Hof tot hetzelfde oordeel als in het hoger beroep waarin onder nr 11/00968 op dezelfde dag uitspraak is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2599
Belastingadvies 2014/3.2
NTFR 2015/1741 met annotatie van MR. E. ALINK
NTFR 2014/2759 met annotatie van MR. E. ALINK
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00278

12 september 2013

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden, kantoor Haarlem, de inspecteur

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 07/8654 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

[X] te[Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. M.J. Hamer

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar bedrag van NLG 9.008.769 (de navorderingsaanslag).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 8 november 2007 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 1 april 2010 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd, met nevenbeslissingen als in die uitspraak vermeld.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 april 2010, aangevuld bij brief van 17 mei 2010. Vervolgens hebben partijen verzocht om aanhouding van de zaak, omdat de rechtbank nog zeven andere uitspraken heeft gedaan ten aanzien van zeven andere aandeelhouders die in dezelfde situatie verkeren als belanghebbende. Onder verwijzing naar het cassatieberoep (van de inspecteur tegen een uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage, in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank) van drie van deze aandeelhouders, verzoeken partijen aanhouding totdat de Hoge Raad op dit cassatieberoep heeft beslist. Dit eensluidend verzoek van partijen heeft het Hof ingewilligd.

1.5.

Bij arresten van 16 december 2011 (nrs. 10/00601, 10/00610 en 10/00614) heeft de Hoge Raad de beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraken van het gerechtshof ‘s-Gravenhage vernietigd, en de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.6.

De inspecteur heeft bij brief van 1 februari 2012 en de gemachtigde van genoemde drie aandeelhouders heeft bij brief van 10 februari 2012 gebruik gemaakt van de door het Hof geboden gelegenheid schriftelijk op het arrest van de Hoge Raad te reageren. Bij brief van 14 september 2012 heeft deze gemachtigde nadere stukken overgelegd. De gemachtigde van belanghebbende heeft met datum 14 september 2012 een nader stuk ingediend met bijlagen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

Tijdens de mondelinge behandeling is het onderhavige hoger beroep gelijktijdig (maar niet gevoegd) behandeld met de hogere beroepen inzake de navorderingsaanslagen die aan zeven andere aandeelhouders zijn opgelegd die in dezelfde positie verkeren als belanghebbende (procedures met kenmerknummers 11/00698, 11/00696, 10/00274, 10/00276, 10/00277, 10/00967 en 10/00968). Ter zitting is afgesproken dat al hetgeen - door de verschillende gemachtigden - ter zitting naar voren wordt gebracht en al hetgeen aan stukken in de diverse dossiers is opgenomen, geacht wordt te zijn gesteld en overgelegd in alle (overige) zaken. Belanghebbende en de andere aandeelhouders hebben kopieën ontvangen van elkaars stukken en zijn op de hoogte van elkaars zaken.

1.8.

De inspecteur heeft bij brief van 27 september 2012 een berekening gezonden aan gemachtigde en aan het Hof met daarin opgenomen (zoals ter zitting van 26 september 2012 overeengekomen) de beurskoersen van[F] US op 27 april 2000, 26 mei 2000 en 30 mei 2000 en de daarbij te hanteren wisselkoers voor Amerikaanse dollars. Een afschrift van deze brief is naar de gemachtigden van de andere aandeelhouders verzonden.

1.9.

Ter zitting heeft gemachtigde Langereis, mede namens de andere gemachtigden voor de andere aandeelhouders, een voorlopig bewijsaanbod gedaan inzake het moment van ondertekening van een akte van aandelenruil. Bij brief van 11 oktober 2012 heeft het Hof gemachtigden in de gelegenheid gesteld om dienaangaande, desgewenst, nader bewijs te leveren.

Bij brieven van 16 oktober 2012, 19 oktober 2012, 25 oktober 2012, 23 november 2012, 3 december 2012, 4 december 2012, 5 december 2012, 12 december 2012, 24 januari 2013 en 25 februari 2013 hebben (de verschillende) gemachtigden het Hof dienaangaande nader bericht en in dat kader zijn diverse stukken en een CD-ROM overgelegd. Afschriften van de stukken en een kopie van de CD-ROM zijn aan de inspecteur toegezonden.

Bij brieven van 22 november 2012, 12 december 2012, 7 januari 2013 en 11 maart 2013 heeft de inspecteur dienaangaande gereageerd. Afschriften hiervan zijn aan de verschillende gemachtigden toegezonden.

In laatstgenoemde brief geeft de inspecteur toestemming om zonder nadere zitting op het hoger beroep te beslissen. Bij faxberichten van 2 april 2013 en 3 april 2013 geven de verschillende gemachtigden van alle aandeelhouders waaronder belanghebbende, het Hof eveneens toestemming om zonder nadere zitting op het hoger beroep te beslissen.

2 Feiten

2.1.

In 1993 zijn negen personen een onderneming gestart. Het doel van de onderneming was het ontwikkelen en fabriceren van draadloze netwerkapparatuur. De onderneming is in 1994 ingebracht in de besloten vennootschap '[AA]' (hierna: [AA]) tegen uitreiking van aandelen aan de negen oprichters.

Belanghebbende is op 20 juli 1998 benoemd tot directeur van [AA]. Na zijn benoeming heeft hij in hetzelfde jaar 1.000 aandelen verkregen ad NLG 500 per stuk, de verkrijgingsprijs bedraagt derhalve NLG 500.000.

2.2.

Op 20 juli 1999 zijn de statuten van [AA] gewijzigd. De aandelen zijn gesplitst in stukken van NLG 0,05 nominaal en zijn verdeeld in gewone aandelen A (hierna: aandelen A) en non-cumulatief converteerbare preferente aandelen B (hierna: aandelen B).

2.3.

In het najaar van 1998 heeft [AA] opties toegekend aan diverse werknemers. Belanghebbende kreeg 160.000 opties op aandelen A met een uitoefenprijs van NLG 2,75 per aandeel.

2.4.

Op 20 juli 1999 zijn de statuten van [AA] gewijzigd. De aandelen zijn gesplitst in stukken van NLG 0,05 nominaal en zijn verdeeld in gewone aandelen A (hierna: aandelen A) en non-cumulatief converteerbare preferente aandelen B (hierna: aandelen B).

2.5

Per 20 juli 1999 bezit belanghebbende na de splitsing 200.000 aandelen A en 160.000 opties op aandelen A. Zijn aandelenbelang bedroeg na emissie (200.000/2.441.837 * 100%) 8,20% van het geplaatste aandelenkapitaal van aandelen A en (200.000/3.714.565 * 100%) 5,38% van het totale geplaatst aandelenkapitaal (A en B).

2.6.

Bij notariële akte van 29 oktober 1999 zijn aandelen A, opties op aandelen A en aandelen B uitgegeven. Belanghebbende heeft deelgenomen aan deze emissie en verkreeg 30.000 aandelen B tegen betaling van NLG 150.000.

Na deze emissie bezat belanghebbende 200.000 aandelen A en 30.000 aandelen B met een totale verkrijgingsprijs van NLG 650.000 (NLG 500.000 plus NLG 150.000) en voorts 160.000 opties op aandelen A. Belanghebbende had afgerond, na deze laatste emissie 3,9% van het totale geplaatste aandelenkapitaal.

2.7.

Het Hof verwijst voorts naar de feiten met nummers 2.6 t/m 2.18, 2.20 t/m 2.26 en 2.28 zoals vastgesteld in zijn uitspraak van heden in de zaak met kenmerk 11/00968 betreffende een aan [Bb] opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV voor (eveneens) het jaar 2000. Het hoger beroep van [Bb] is, op verzoek van partijen, gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van belanghebbende. Een afschrift van de uitspraak inzake het hoger beroep van [Bb] is aan deze uitspraak gehecht. Het Hof merkt daarbij op dat het onderhavige hoger beroep - met wederzijdse toestemming - gelijktijdig (maar niet gevoegd) is behandeld met het hoger beroep van [Bb], en belanghebbende en [Bb] kopieën hebben ontvangen van elkaars stukken en op de hoogte zijn van elkaars zaken.

2.8.

Belanghebbende heeft in ruil voor zijn 200.000 aandelen A en 30.000 aandelen B en 160.000 opties op aandelen A verkregen: 116.251 aandelen en 80.870 opties[F] US.

2.9.

In de ‘Share Purchase Agreement’ (zowel in de versie SPA-6 als de versie SPA-54) is onder article 5.2 een ‘Lock-up’ bepaling opgenomen. Op grond van deze lock-up bepaling mag na de aandelenruil gedurende een zekere periode nog niet vrij worden gehandeld in de nieuw verkregen opties en aandelen[F] US.

De beperking houdt in dat belanghebbende tot 23 augustus 2000 niet mag handelen, vanaf 23 augustus 2000 maximaal 50% van de aandelen mag verhandelen, vanaf 23 augustus 2001 nog eens 25% van de aandelen en dat vanaf 23 augustus 2002 de resterende 25% van de aandelen zodat dan alle aandelen vrij verhandelbaar zijn.

2.10.

In het rapport van[S] van 4 november 2008 wordt ten aanzien van de voor [Bb] geldende lock-up geconcludeerd tot een waardevermindering van 33,23% voor de aandelen met een lock-up van drie maanden (23 augustus 2000), een waardevermindering van 80,17% voor de aandelen met een lock-up van 15 maanden (23 augustus 2001) en een waardevermindering van 91,52% voor de aandelen met een lock-up van 27 maanden (23 augustus 2002). Voor belanghebbende gelden dezelfde data en percentages.

2.11.

Aan belanghebbende is een aanslag IB/PVV 2000 opgelegd, conform de ingediende aangifte.

2.12.

Op 30 december 2005 schrijft de inspecteur aan belanghebbende onder meer:

"Uit recent opgekomen informatie is mij gebleken dat u in 2000 winst uit aanmerkelijk belang hebt genoten in de zin van artikel 20a, lid 1 Wet IB 1964 en dat u dit niet hebt opgegeven in uw aangifte inkomstenbelasting 2000.

Volgens mijn gegevens had u een belang van circa 9,1% in het geplaatst aandelenkapitaal van een soort aandelen in [[AA]]. Dit betekent dat u een aanmerkelijk belang had in de zin van artikel 20a, lid 3 Wet IB 1964. (…).

Aan de hand van mij ter beschikking gestelde informatie heb ik de verkrijgingsprijs van de door u in 2000 vervreemde aandelen vastgesteld op f 650.000. Volgens mijn inschatting moet u minimaal 116.250 aandelen in [F] US] verkregen als tegenprestatie. De waarde van deze aandelen bedroeg op verkoopdatum $ 33,22 (f 78,40) per stuk. De overdrachtsprijs moet derhalve minimaal f 9.114.000 hebben bedragen.

Resumerend betekent dit dat u volgens mijn inschatting een winst uit aanmerkelijk belang moet hebben genoten van f 8.464.000. Ter behoud van rechten leg ik een navorderingsaanslag op uitgaande van een winst uit aanmerkelijk belang van f 9.000.000."

2.13.

Met dagtekening 31 december 2005 is de navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag bedrag van NLG 9.008.769, op basis van een bijtelling/correctie winst uit aanmerkelijk belang, van NLG 9.000.000.

2.14.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2007 wordt het bezwaar afgewezen en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

3 Geschil in hoger beroep na verwijzing

In hoger beroep is, na het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2011, nr. 10/00610, niet langer in geschil dat belanghebbende in 2000 aandelen heeft vervreemd die tot een aanmerkelijk belang behoorden.

In hoger beroep is - na verwijzing door de Hoge Raad - nog in geschil:

a. of de inspecteur beschikt over een ‘nieuw feit’ dat navordering rechtvaardigt, danwel of belanghebbende te kwader trouw was;

b. of de inspecteur met het opleggen van de navorderingsaanslag handelt in strijd met

algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel;
c. of de ruil van aandelen [AA] tegen aandelen[F] US kan worden aangemerkt als aandelenfusie in de zin van artikel 14b, Wet IB 1964, op grond waarvan belanghebbende het vervreemdingsvoordeel in het onderhavige jaar op grond van artikel 20f van de Wet IB 1964 niet in aanmerking behoeft te nemen;
d. of het moment waarop de aandelen [AA] zijn vervreemd is gelegen op 27 april

2000 (standpunt belanghebbende) of op 29 mei 2000 (standpunt de inspecteur);
e. op welk bedrag de verkrijgingsprijs alsmede de vervreemdingprijs van de aandelen [AA] gesteld moet worden, waarbij mede bepaald moet worden wat de invloed van de 'lock-up-clausule' op de waarde van de verkregen aandelen[F] US is.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en die zij ter zitting hebben aangevoerd.



De inspecteur concludeert tot gegrond verklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag.

4 Beoordeling van het geschil

nieuw feit

4.1.1.

Belanghebbende is van opvatting dat de inspecteur geen beroep kan doen op de aanwezigheid van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Bij het beoordelen van deze stelling geldt als uitgangspunt, dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld, maar dit neemt niet weg dat de inspecteur, indien hij, na met

een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen, is gehouden daarnaar onderzoek te doen (zie onder meer HR 13 november 2009, BNB 2010/25 en HR 12 maart 2010, BNB 2010/155). Belanghebbende stelt dat de inspecteur tekort is geschoten in voornoemde onderzoeksplicht.

4.1.2.

Belanghebbende beroept zich om te beginnen op de toelichting bij de aangifte IB/PVV 2000. Die toelichting luidt, voor zover hier van belang:

"In de eerst helft van 2000 heb ik [AA] bv (het bedrijf waar ik alg. directeur van was) verkocht aan het Amerikaanse[F] BV. De aandelen en opties die ik (en 59 andere aandeelhouders) in [AA] had zijn geconverteerd naar[F] (mmv inspectie Amersfoort). Per 18-12-2000 heb ik een nieuw huis in [P] gekocht en de rente tot 1 juli 2001 vooruit betaald. Het oude huis was per 31-12-00 nog niet verkocht.

Per saldo is zowel mijn vermogen als mijn hypotheek enorm vergroot, hetgeen tot de in deze aangifte zichtbare bedragen heeft geleid".

In de aangifte IB/PVV 1999 tevens aangifte Vermogensbelasting 2000 had belanghebbende zijn aandelen [AA] vermeld onder het kopje ‘Privé-bezittingen’ met de volgende toelichting:

“Effecten’bezit

Binnenlands aandelenbezit (niet aanmerkelijk belang) f. 1.387.691”

4.1.3.

Belanghebbende stelt, dat nu hij in de aangifte heeft vermeld 'ik heb het bedrijf verkocht' onder vermelding van het feit dat hij van het bedrijf algemeen directeur was, en onder vermelding van het feit dat zowel aandelen als opties werden geconverteerd naar[F] (hetgeen aangaf, aldus belanghebbende, dat er een bijzondere situatie was, namelijk geen verkoop tegen cash), terwijl hij tevens uitdrukkelijk de inspectie Amersfoort noemde, en voorts zijn vermogen in een tijdsbestek van één jaar bijna vertienvoudigd was, dat voor de inspecteur reden had moeten zijn nadere informatie te vragen. Door dat niet te doen, en zonder nader onderzoek de aanslag op te leggen, heeft de inspecteur, aldus nog steeds belanghebbende, zijn onderzoeksplicht verzaakt. Daarom kan de inspecteur zich niet beroepen op een nieuw feit en moet de navorderingsaanslag worden vernietigd.

4.1.4.

De inspecteur heeft belanghebbendes stelling bestreden, aanvoerende dat het dossier van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de (definitieve) aanslag geen informatie over de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang bevatte en in de daaraan voorafgaande aangifte vermogensbelasting 2000 expliciet de stelling werd ingenomen dat de aandelen niet tot een aanmerkelijk belang behoorden. Voorts maakte de aangifte IB/PVV 2000, evenals de aangiften over voorgaande jaren, een verzorgde en betrouwbare indruk. Hij is daarom afgegaan - en mocht ook redelijkerwijs afgaan - op de juistheid van de aangifte en op het daarin door belanghebbende (door het niet-aangeven van winst uit aanmerkelijk belang) ingenomen standpunt, dat geen sprake was van een (soort) aanmerkelijk belang en dat de vermogenstoename niet belast was op grond van de aanmerkelijkbelangregeling.

4.1.5.

Op grond van de in 4.1.1. weergegeven rechtsregel dient het Hof de vraag te beantwoorden of de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte van belanghebbende, waartoe behoort de door belanghebbende gegeven (in 4.1.2 geciteerde) toelichting, in redelijkheid had behoren te twijfelen aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven.

4.1.6.

Aan belanghebbende zij toegegeven dat het niet een alledaagse aangifte betrof. Een ruil van aandelen en opties, de gesuggereerde bemoeienis van de inspectie Amersfoort en de vertienvoudiging van het vermogen, zijn inderdaad opvallende elementen. "Opvallend" en

"niet-alledaags" zijn echter niet de relevante criteria. Het relevante criterium is, of in redelijkheid aanleiding bestond voor de inspecteur om te twijfelen aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven. De Hoge Raad heeft dit criterium als volgt nader gepreciseerd: voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (Hoge Raad 31 mei 2013, nrs.

11/03452 en 11/03456, LJN BX7184).

4.1.7.

Belanghebbende vermeldde in de toelichting bij de aangifte dat er 60 aandeelhouders waren (hijzelf en 59 andere). Bij een dergelijk aantal aandeelhouders bestaat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat belanghebbende geen aanmerkelijk belang bezit. Belanghebbende vermeldde voorts dat de transactie heeft plaatsgevonden met medewerking van de inspectie Amersfoort en hij gaf geen winst uit aanmerkelijk belang aan. Anders dan belanghebbende betoogt, versterken deze omstandigheden nu juist de stelling van de inspecteur dat de aangifte geen aanleiding vormde voor het verrichten van nader onderzoek; de vermelde omstandigheden maken het juist meer aannemelijk dat de in de aangifte vermelde gegevens juist zijn.

4.1.8.

Het Hof verwerpt daarom belanghebbendes stelling dat de inspecteur zijn onderzoeksplicht zou hebben verzaakt door geen nadere vragen te stellen na kennisneming van belanghebbendes aangifte.


4.1.9. Belanghebbende voert nog een tweede argument aan ter onderbouwing van zijn stelling dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit. Hij verwijst naar schermprints van de afdeling Registratie en Successie te Amsterdam en een bij deze eenheid van de belastingdienst binnengekomen notariële akte van 5 juni 2000, de informatie waarover de inspecteur loonbelasting in Amersfoort in april 2000 over beschikte, en een kopie van de akte zoals deze op 16 april 2002 op verzoek van de inspecteur door de gemachtigde van [Cc] is gezonden aan de Belastingdienst/Ondernemingen Utrecht.

Het Hof verwijst naar de overwegingen als gehanteerd in het (ter zitting gelijktijdig behandelde) hoger beroep van de inspecteur inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2000 ten laste van [Bb] met kenmerk 11/00968 (waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gevoegd). Op grond van dezelfde overwegingen komt het Hof tot hetzelfde oordeel dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit dat het opleggen van de navorderingsaanslag rechtvaardigt, en dat de inspecteur met het opleggen van de navorderingsaanslag niet heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.1.10.

In genoemd hoger beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2000 ten laste van [Bb], is het Hof voorts tot het oordeel gekomen dat:

  • -

    de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing is en;

  • -

    moet worden uitgegaan van 29 mei 2000 als datum van vervreemding van de aandelen [AA].

In het onderhavige hoger beroep komt het Hof, op grond van dezelfde overwegingen als bij [Bb], tot hetzelfde oordeel.

omvang AB-winst

4.2.

Ten aanzien van de omvang van de AB-winst (waarbij het Hof begrijpt, nu een afzonderlijke berekening voor belanghebbende ontbreekt, dat belanghebbende bepleit dat onder toepassing van het rapport[S] voor hem dezelfde afwaardering van toepassing is als voor [Bb]) verwijst het Hof naar de overwegingen onder nrs 4.5.1 t/m 4.5.4.8 van bovengenoemde uitspraak inzake het hoger beroep van [Bb].

4.3.

Belanghebbende heeft bij de aandelenruil 116.251 aandelen en 80.870 opties[F] US verkregen, in ruil voor zijn 200.000 aandelen A en 30.000 aandelen B en 160.000 opties op aandelen A.

4.4.

De vervreemdingsprijs van de pakketten aandelen [AA] (uitgaande van de koers van € 38,82 per aandeel[F] US op 29 mei 2000) en de bij de ruil gerealiseerde AB-winst is dan als volgt te berekenen:

tranche

% van de aandelen

aantal aandelen

waarde druk

waarde per tranche

een

50%

58.125

5%

2.143.593

twee

25%

29.063

20%

902.580

drie

25%

29.063

35%

733.346

100%

116.251

vervreemdingsprijs totaal

€ 3.779.519

vervreemdingsprijs totaal in guldens

NLG 8.328.964

af: verkrijgingsprijs

NLG 650.000

het verschil: de AB-winst

NLG 7.678.964

De verkrijgingsprijs van het pakket aandelen [AA] bedroeg, zo is tussen partijen niet in geschil, NLG 650.000 (NLG 500.000 plus NLG 150.000).

4.5.

In het najaar van 1998 zijn belanghebbende 160.000 opties toegekend, met een uitoefenprijs van NLG 2,75 per aandeel. Voor deze [AA]-opties zijn bij de aandelenruil 80.870 opties verkregen die recht geven op een even groot aantal aandelen[F] US. Voor deze opties geldt dezelfde lock-up bepaling als voor de aandelen[F] US (zie de onder 2.20 omschreven ‘Management lock-up agreement’ in de uitspraak van [Bb]).

4.6.

Ten aanzien van de waardevermindering van de opties als gevolg van een (inkomsten)belastingclaim en/of de van toepassing zijnde lock-up bepaling, verwijst het Hof naar de overwegingen onder nrs 4.5.8.1 t/m 4.5.9 van bovengenoemde uitspraak inzake het hoger beroep van [Bb].

4.7.

De vervreemdingsprijs van het pakket opties [AA] (uitgaande van de koers van € 38,82 per aandeel[F] US op 29 mei 2000) en de bij de ruil gerealiseerde AB-winst is dan als volgt te berekenen:

tranche

% van de opties

aantal opties

waarde druk

waarde per tranche

een

50%

40.435

5%

1.491.202

twee

25%

20.217

20%

627.859

drie

25%

20.218

35%

510.161

100%

80.870

vervreemdingsprijs totaal

2.629.222

vervreemdingsprijs totaal in guldens

5.794.043

af: uitoefenprijs

NLG 440.000

af: verkrijgingsprijs

NLG 88.000

het verschil: de AB-winst

NLG 5.266.043

Tussen partijen is niet in geschil dat de uitoefenprijs NLG 6.875 bedraagt (160.000 aandelen tegen NLG 2,75 per aandeel) en de verkrijgingsprijs NLG 88.800 bedraagt.

4.8.

De som van de AB-winst op aandelen en op opties bedraagt:

AB-winst op aandelen

7.678.964

AB-winst op opties

5.266.043

totale AB-winst

12.945.007

Belanghebbende heeft derhalve bij de aandelenruil een AB-winst gerealiseerd van NLG 12.945.007.

4.9.

De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar bedrag van NLG 9.008.768 op basis van een AB-winst van NLG 9.000.000. Bij de uitspraak op bezwaar is de navorderingsaanslag gehandhaafd.

4.10.

Uitgaande van een AB-winst van NLG 12.945.007 is de navorderingsaanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd.

Slotsom

Gelet op het vooroverwogene is het Hof van oordeel dat de inspecteur terecht een navorderingsaanslag IB/PVV over 2000 heeft opgelegd, zij het dat deze navorderingsaanslag eerder te laag dan te hoog is.

De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Immateriële schadevergoeding

Ten aanzien van het verzoek om toekenning van een immateriële schadevergoeding, overweegt het Hof als volgt.

De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep gezamenlijk bedraagt in beginsel twee jaren, ingaande op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur, zijnde 17 januari 2006. Deze termijn wordt onderverdeeld in een half jaar voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar voor de beroepsfase bij de rechtbank. Het Hof ziet echter aanleiding om, vanwege de ingewikkeldheid van de zaak, in afwijking van eerdergenoemd uitgangspunt voor de bezwaarfase een termijn te hanteren van 12 maanden.

De inspecteur doet op 8 november 2007 uitspraak op bezwaar. Alsdan heeft de behandeling van het bezwaar 22 maanden in beslag genomen zodat de redelijke termijn van 12 maanden met 10 maanden is overschreden.

De rechtbank doet op 1 april 2010 uitspraak in het beroep van belanghebbende. Alsdan heeft de behandeling van het beroep 2 jaar en 5 maanden in beslag genomen zodat de redelijke termijn van 18 maanden met 9 maanden is overschreden.

Belanghebbendes gemachtigde heeft het Hof bij schrijven van 18 juni 2010 meegedeeld dat hij het wenselijk vindt de behandeling van het hoger beroep aan te houden totdat de Hoge Raad, in een soortgelijke zaak van drie mede-aandeelhouders, heeft beslist of sprake is van soortaandelen. Het Hof heeft dit verzoek ingewilligd. Gerekend vanaf de datum van uitspraak door de rechtbank waarvan beroep (zijnde 1 april 2010) heeft het hoger beroep weliswaar ruim drie jaar in beslag genomen, maar deze overschrijding is veroorzaakt door het wachten op het hoger beroep en cassatie van de drie mede-aandeelhouders.

Een en ander heeft voor belanghebbende geleid tot een tijdsverloop van ongeveer drie jaar sedert de uitspraak door de rechtbank waarvan beroep, maar deze overschrijding is veroorzaakt door het ‘stilzitten’ in afwachting van het hoger beroep en cassatie van genoemde drie mede-aandeelhouders. Op grond van bovenomschreven verzoek van belanghebbende wordt het tijdsbeslag dat is gemoeid de rechtsgang van de drie medeaandeelhouders mede aan belanghebbende toegerekend, zodat in het hoger beroep van belanghebbende geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling.

Gelet op bovenstaande opsomming heeft (alleen) de behandeling van bezwaar en beroep gezamenlijk langer geduurd dan de twee jaar die daarvoor in beginsel wordt gehanteerd. De schade die toerekenbaar is aan de eerste overschrijding, dient te worden vergoed door de inspecteur. Voor de overschrijding van de redelijke termijn met (afgerond) twee maal een half jaar ad € 500 kent het Hof belanghebbende een bedrag toe van € 1.000 als immateriële schadevergoeding.

De schade die toerekenbaar is aan de tweede overschrijding (door de rechtbank) dient te worden vergoed door de Staat. Het Hof zal het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van belanghebbende. Het Hof zal alsdan de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.000 aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    heropent het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de immateriële schadevergoeding voor zover deze is toe te rekenen aan de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.M. van Amsterdam, voorzitter, A.P.M. van Rijn en W.E.M. Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E. van der Laan als griffier. De beslissing is op 12 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.