Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2896

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
23-001297-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2067, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne. Hof veroordeelt verdachte tot gevangenisstraf van 7 maanden, overeenkomst oriëntatiepunten LOVS, op basis van brutogewicht (766,2 gram), omdat mengsel van shampoo en cocaïne een middel (preparaat) is i.d.z.v. artikel 1, lid 1, sub d Opiumwet. Rechtbank en openbaar ministerie baseerden straf ten onrechte op nettogewicht (70 gram) en kwamen uit op 39 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001297-12

datum uitspraak: 13 september 2013

VERSTEK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 9 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-801666-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

adres: Thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 augustus 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

In de appelschriftuur van de raadsman d.d. 22 maart 2012 wordt aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het NFI onterecht de in beslag genomen fles shampoo heeft vernietigd. Volgens de raadsman is daardoor sprake van een onherstelbaar vormverzuim, waardoor geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is aan de orde indien met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.1 Weliswaar had in deze zaak het NFI conform zijn eigen richtlijn de fles shampoo niet mogen vernietigen en is er daardoor sprake van een onherstelbaar vormverzuim, maar dat levert niet op een zo grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 december 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 december 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking bewijsverweer

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte de opzet heeft gehad om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Naar het oordeel van het hof is niet vast te stellen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in de shampoofles. Het hof is echter van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat vanuit Curaçao cocaïne (afkomstig uit één van de in nabijheid gelegen bronlanden) naar Nederland wordt vervoerd en dat de verdachte, door van een onbekend persoon in Curaçao gratis een fles shampoo aan te nemen en deze in zijn bagage mee te nemen naar Nederland, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor drugs, zijnde cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. Daarmee acht het hof voorwaardelijk opzet bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 39 dagen, met aftrek van voorarrest

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 39 dagen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk invoeren van materiaal bevatten cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 augustus 2013 is de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof zal, overeenkomstig de oriëntatiepunten straftoemeting van de LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) en in tegenstelling tot de rechtbank, uitgaan van het brutogewicht van de cocaïne, te weten 766,2 gram(nettogewicht: 70 gram), omdat een mengsel van shampoo waaraan cocaïne is toegevoegd een middel is (preparaat) in de zin van artikel 1, eerste lid, sub d van de Opiumwet, namelijk cocaïne.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur dan ook passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel en mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Veldheer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 september 2013.

mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 19-12-1995, NJ 1996, 249