Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2868

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
200.110.894-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheid. Uit operatieverslag kan niet met zekerheid worden opgemaakt dat een bepaalde handeling is verricht. Dat levert nog geen bewijs op dat deze handeling niet is verricht. Deskundige geeft, op grond van operatieverslag, als zijn mening dat waarschijnlijk is gehandeld zoals dat behoorde ten tijde van de operatie. Hof concludeert: geen fout bij operatie, maar complicatie. De operatie is verricht door een chirurg met onvoldoende ervaring. Dat heeft echter tot een zodanig geringe vergroting van de kans op de complicatie geleid, dat niet kan worden geoordeeld dat de complicatie is te wijten aan die onervarenheid en zich niet zou hebben voorgedaan bij een in dit opzicht meer ervaren chirurg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 453
Burgerlijk Wetboek Boek 7 454
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2014/13
JA 2014/5
GJ 2014/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.110.894/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 430824 / HA ZA 09-1950

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 september 2013

inzake

[appellante] ,

wonend te[woonplaats],

appellante,

tevens voorwaardelijk incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. S. Kökbugur te Almere,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon ACADEMISCH MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

tevens voorwaardelijk incidenteel appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en het AMC genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 23 juli 2012, hersteld bij exploot van 16 augustus 2012, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2012, gewezen tussen [appellante] als eiseres en het AMC als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel;

- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft in het principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vordering zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, en voorts in het incidenteel appel tot verwerping ervan, eveneens met beslissing over de kosten.

Het AMC heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal hoger beroep en in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden (eind-) vonnis met aanpassing van de gronden en met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Het AMC heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 11 augustus 2010 onder 2.1. tot en met 2.13. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

[appellante] is op 21 juli 2006, op verdenking van schildklierkanker, geopereerd in het AMC. Daarbij is een totale thyreoïdectomie (schildklierverwijdering) uitgevoerd. De operatie werd verricht door[X], vaatchirurg, en [Y], chirurg in opleiding, onder supervisie van [X]. Tijdens deze operatie is de rechter stembandzenuw van [appellante] onherstelbaar beschadigd. Voorafgaand aan de operatie had zij geen stembandproblemen. [appellante] heeft het AMC bij brief van 18 juni 2008 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden naar aanleiding van de operatie.

3.2.

In de eerste aanleg van deze procedure heeft [appellante] gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat het AMC aansprakelijk is voor alle door haar ten gevolge van de operatie geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met rente, alsmede het AMC zal veroordelen tot betaling van de proceskosten. Zij heeft daartoe – voor zover in hoger beroep van

belang – gesteld dat de stembandzenuwbeschadiging is veroorzaakt door (een) verwijtbare fout(en) van [Y] en/of [X] en dat [X] ten tijde van de operatie onvoldoende ervaring had opgedaan om bekwaam te worden geacht om deze procedure (onder zijn supervisie) uit te (doen) voeren.

3.3.

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen, na het inwinnen van een deskundigenbericht opgesteld door de daartoe benoemde prof. dr J.F. Hamming (vaat)chirurg. Tegen deze beslissing komt [appellante] met haar grieven op.

3.4.

De grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep betreffen de vraag of de beschadiging van de rechter stembandzenuw is veroorzaakt door een medische fout bij de uitvoering van de operatie. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4.1.

Volgens [appellante] bestaat de medische fout hieruit dat tijdens de operatie geen dissectie (het vrij prepareren) van de rechter stembandzenuw heeft plaatsgevonden, hetgeen ook volgens de destijds geldende professionele standaard diende te gebeuren. [appellante] wijst daartoe op het operatieverslag waarin het vrij prepareren van de rechter stembandzenuw niet expliciet wordt vermeld, terwijl die informatie wel wordt gegeven met betrekking tot de linker stembandzenuw. Zij leidt uit de inhoud van het operatieverslag af dat [X] en [Y] de rechter stembandzenuw tijdens de operatie uit het oog hebben verloren. De verwijtbaarheid van het AMC was en is hiermee een gegeven, aldus [appellante], en de rechtbank heeft hieraan volgens haar ten onrechte geen beslissende betekenis gehecht.

3.4.2.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de omstandigheid dat in het operatieverslag niet expliciet staat vermeld dat dissectie van de rechter stembandzenuw heeft plaatsgevonden nog niet het bewijs oplevert dat géén dissectie van die zenuw heeft plaatsgevonden, zoals [appellante] heeft gesteld. Terecht heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat een operatieverslag niet wordt bijgehouden om tot bewijs in een juridische procedure te strekken. Een operatieverslag wordt bijgehouden voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is. Op grond van het operatieverslag kan dan ook niet worden geoordeeld dat [appellante] het bewijs van haar stelling (voorshands) heeft geleverd.

3.4.3.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het bewijs ook met het door haar gelaste deskundigenbericht niet is geleverd. Het hof stelt hierbij voorop dat [appellante] geen bezwaren heeft geuit met betrekking tot de deskundigheid van Hamming, de wijze waarop hij zijn onderzoek heeft verricht en de wijze waarop hij daarvan verslag heeft gedaan. Het deskundigenbericht strekt derhalve ook het hof tot voorlichting bij de beoordeling van de grieven.

3.4.4.

De deskundige heeft zich bij de beantwoording van de hem gestelde vragen in het bijzonder gebaseerd op het operatieverslag, ter zake waarvan hij constateert dat het een cruciale rol speelt omdat alle vragen betrekking hebben op de operatie. Hij heeft in zijn rapport ook onderkend dat uit de tekst van het operatieverslag niet met zekerheid kan worden opgemaakt dat gehele dissectie van de rechter stembandzenuw heeft plaatsgevonden, zoals met betrekking tot de linker stembandzenuw. Dat heeft hem er niet van weerhouden om desgevraagd te antwoorden dat zijns inziens bij de operatie ‘waarschijnlijk wel’ is gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mocht worden verlangd, gegeven de in 2006 heersende opvattingen. In zijn antwoord op de desbetreffende vraag heeft de deskundige voorts opgenomen dat uit het operatieverslag blijkt dat de operatie volgens de standaardprocedure is uitgevoerd, maar dat de zenuw per ongeluk/bij vergissing is doorgenomen en dat in de literatuur in een dergelijk geval wordt gesproken over een accidenteel letsel. De deskundige heeft zijn antwoord ook uitvoerig toegelicht. Daarbij heeft hij er onder meer op gewezen dat het bij sommige patiënten lastig kan zijn de zenuw over het gehele verloop goed te vervolgen en dat ‘zoals ook in deze casus’ een complicerende factor is dat soms een uitloper van de schildklier bestaat bij het kritische punt ter hoogte van de ophangband van de schildklier aan de luchtpijp (ligament van Berry), waardoor het overzicht van het verloop van de zenuw beperkt kan zijn. Verder staat in de toelichting: ‘In dit gebied lopen ook een aantal bloedvaatjes, die zorgvuldig verzorgd moeten worden met onderbindingsdraden. De vergissing dat de zenuw hier wordt aangezien voor een bloedvaatje is voorstelbaar. Tijdens de operatie wordt een evident onbedoeld letsel van de zenuw geconstateerd: er worden 2 uiteinden van de zenuw gevonden met knoop van naar ik aanneem een onderbindingsdraad. De enige anatomische structuur in dat gebied, die onderbonden dient te worden, is een bloedvat. Geconcludeerd kan dus worden dat de zenuw ter plaatse abusievelijk is aangezien voor een bloedvat.’

3.4.5.

De deskundige heeft aldus met zijn specifieke kennis en kunde van de (vaat-) chirurgie de inhoud van het operatieverslag geanalyseerd op een consistente en inzichtelijke wijze. Zijn hiervoor besproken antwoord is gemotiveerd en vloeit logisch voort uit de toelichting die hij heeft gegeven. Dat de deskundige in zijn antwoord de bewoordingen ‘waarschijnlijk wel’ heeft gebezigd doet geen afbreuk aan de conclusie van de rechtbank dat [appellante] met dit deskundigenbericht niet het bewijs heeft geleverd van haar stelling dat geen dissectie van de rechter stembandzenuw heeft plaatsgevonden. De deskundige is niet aanwezig geweest bij de operatie en kan niet anders dan op basis van de hem ter beschikking gestelde stukken een waarschijnlijkheidsoordeel geven. De stellingen van [appellante] in het kader van de grieven 1 tot en met 4 stuiten hierop af. Een contra-expertise is niet in het geding gebracht. De grieven falen.

3.5.

Met grief 5 heeft [appellante] haar stelling dat [X] onvoldoende ervaring had om de operatie uit te voeren en [Y] daarbij te begeleiden, opnieuw aan de orde gesteld. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.5.1.

Voor zover [appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ervaring van [X] toereikend was, berust deze stelling op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft immers juist tot uitgangspunt genomen dat [X], overeenkomstig de stellingen van [appellante], ten tijde van de operatie niet aan de toen geldende ervaringseisen voldeed.

3.5.2.

De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de complicatie die bij de operatie is opgetreden, is veroorzaakt doordat [X] onvoldoende ervaring had en deze complicatie zich dus niet zou hebben voorgedaan bij een in dit opzicht meer ervaren chirurg. Ook daarover was een vraag gesteld aan de deskundige, die op die vraag heeft geantwoord dat ook in ervaren handen een onbedoeld letsel van de zenuw kan ontstaan en dat dit slechts zeer zelden gebeurt, maar helaas voorkomt. Op grond van de cijfers die de deskundige daarbij heeft genoemd, heeft de rechtbank overwogen dat deze complicatie zich in 98,5% van de gevallen bij een onervaren chirurg evenmin voordoet en dat de kans dat een complicatie zoals hier aan de orde zich voordoet (het hof leest:) een procentpunt groter is bij een onervaren chirurg ten opzichte van een voldoende ervaren chirurg. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de kansvergroting op de onderhavige complicatie aldus dermate gering is, dat op basis daarvan niet kan worden geoordeeld dat de complicatie is te wijten aan onervarenheid van [X] en dat deze zich niet zou hebben voorgedaan als de operatie zou zijn uitgevoerd door een in dit opzicht meer ervaren chirurg.

3.5.3.

In de toelichting op deze grief heeft [appellante] aangevoerd dat een kans van 1,5% ten opzichte van een kans van 0,5% een kans is die een factor 3 groter is. Dat is volgens [appellante] een heel groot verschil. Als [X] voldoende ervaring had gehad was de kans op schade drie keer zo klein geweest, aldus [appellante].

3.5.4.

Het hof is evenwel van oordeel dat dit geen afbreuk doet aan de overweging van de rechtbank en dat een kansvergroting van een procentpunt te gering is om daaraan consequenties te verbinden. Het hof neemt de overweging van de rechtbank dan ook over en maakt deze tot de zijne. Grief 5 faalt.

3.6.

De slotsom is dat de grieven in principaal hoger beroep falen. Bij deze stand van zaken behoeven de grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geen bespreking. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het principale hoger beroep te dragen. Er bestaat geen grond voor een kostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van het AMC begroot op € 666,= aan verschotten en € 984,= voor salaris;

verklaart dit arrest met betrekking tot deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, C. Uriot en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 september 2013.