Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2804

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2013
Datum publicatie
09-09-2013
Zaaknummer
200.123.214/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het blijk geven van duurzame bereidheid om het kind in het pleeggezin te laten opgroeien dient weliswaar in de beoordeling te worden betrokken, maar staat niet zonder meer aan gedwongen ontheffing in de weg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 juli 2013 (bij vervroeging)

Zaaknummer: 200.123.214/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 521503 / FA RK 12-5653

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. W.H. Boomstra te Amsterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Noord-Holland, locatie Alkmaar,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 7 maart 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 januari 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 521503 / FA RK 12-5653.

1.3.

De Raad heeft op 5 juni 2013 stukken van de eerste aanleg ingediend.

1.4.

De zaak is op 10 juni 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw F.L.M Huizinga, vertegenwoordiger van de Raad;

  • -

    de heer L. Berendsen namens Stichting Bureau Jeugdzorg Noord‑Holland (hierna: BJZNH);

  • -

    [x], de vader van de hierna te noemen kinderen.

1.6.

[y] en[z], de pleegouders van de hierna te noemen kinderen, zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

De kinderen zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet voor verhoor verschenen en hebben evenmin hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1997 en […] (hierna: [kind b]) [in] 1999 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De kinderen verblijven sinds 10 januari 2001 bij de pleegouders.

2.2.

[kind a] is bij beschikking van 8 september 1998 onder toezicht gesteld en [kind b] bij beschikking van 31 augustus 1999, welke ondertoezichtstellingen nadien telkens zijn verlengd. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn beide kinderen achtereenvolgens uit huis geplaatst.

2.3.

De Raad heeft op verzoek van BJZNH onderzoek verricht naar de noodzaak van een verderstrekkende maatregel met betrekking tot kinderen. De Raad heeft hieromtrent op 10 juli 2012 rapport uitgebracht.

2.4.

Er is thans geen vaste bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de moeder op verzoek van de Raad ontheven van het gezag over de kinderen, met benoeming van BJZNH tot voogd.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de Raad af te wijzen.

3.3.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

In het geval een ouder zich verzet tegen ontheffing van het gezag over een of meer van zijn kinderen, kan op grond van artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel door de ongeschiktheid of de onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.2.

De moeder stelt dat de rechtbank haar ten onrechte van het gezag over de kinderen heeft ontheven. Hiertoe voert zij aan dat zij sinds de beschikking van dit hof van 7 december 2006, waarbij het verzoek van de Raad om haar te ontheffen van het gezag is afgewezen, in het belang van de kinderen nooit meer inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de jaarlijkse verlenging van hun ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Voorts heeft zij de afgelopen jaren niet of nauwelijks contact gehad met de kinderen, zodat de bij de kinderen teweeggebrachte onrust in verband met de verlenging van hun ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet aan haar is te wijten. Hieraan doet niet af dat zij in de afgelopen periode getracht heeft contact te krijgen met de kinderen. Bovendien heeft zij recht op dit contact. Een ontheffing van het gezag over de kinderen gaat te ver, aldus de moeder.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en gesteld dat zich sinds het rapport van 10 juli 2012 geen nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan.

4.3.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de rechtbank de moeder terecht en op goede gronden heeft ontheven van het gezag over de kinderen.

Vaststaat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing inmiddels langer hebben geduurd dan de termijnen genoemd in artikel 1:268 BW. De kinderen worden thans al meer dan twaalf jaar door de pleegouders verzorgd en opgevoed. Hieruit volgt dat het toekomstperspectief van de kinderen evident bij de pleegouders ligt, hetgeen op zichzelf door de moeder wordt onderkend. Het doel van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, te weten uiteindelijk terugkeer naar de ouder(s), is om die reden in dit geval niet meer aan de orde.

Gebleken is dat de kinderen een belaste voorgeschiedenis hebben. Beide kinderen zijn verslaafd geboren wegens drugsgebruik van de moeder tijdens haar zwangerschap. De moeder heeft – onder meer vanwege haar verslavingsproblematiek – de kinderen sedert hun geboorte nimmer een veilige en stabiele opvoedingsomgeving kunnen bieden. Daarbij komt dat met name [kind a] vanwege zijn gedragsproblematiek en ADHD specifieke zorg behoeft. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om als ouder haar plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen.

Aan het belang van de kinderen bij duidelijkheid over de vraag waar zij zullen opgroeien en wie hun opvoeders zullen zijn, dient in een situatie als de onderhavige, waarin een minderjarige al vanaf zeer jeugdige leeftijd en gedurende lange tijd in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijft en thuisplaatsing niet meer aan de orde is, zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de kinderen de huidige situatie, waarin zij jaarlijks geconfronteerd worden met een verlenging van hun ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, als zeer onrustig ervaren en daarvan spanning ondervinden, ook al verzet de moeder zich thans niet meer tegen deze jaarlijkse verlengingen en accepteert zij dat de kinderen opgroeien bij de pleegouders. Hierbij hecht het hof – mede gezien hun leeftijd – belang aan de verklaringen van de kinderen hieromtrent jegens de Raad en BJZNH.

Volgens de huidige vaste jurisprudentie (vgl. HR 4 april 2008, LJN: BC5726), die dateert van na de beschikking van dit hof van 7 december 2006, dient het blijk geven van duurzame bereidheid om het kind in het pleeggezin te laten opgroeien weliswaar in de beoordeling te worden betrokken, maar staat dit niet zonder meer aan gedwongen ontheffing in de weg. Het hof overweegt dat de kinderen behoefte hebben aan rust en stabiliteit in de opvoedingssituatie. Eerst indien duidelijkheid bestaat omtrent hun opvoedings- en ontwikkelingsperspectief, kunnen de kinderen zich ongestoord hechten en ontwikkelen bij de pleegouders. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal de onzekerheid over het toekomstperspectief voortduren en wordt het belang van de kinderen bij stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie onvoldoende gediend. Onder de gegeven omstandigheden dient het belang van de moeder om niet te worden ontheven van het gezag over de kinderen minder zwaar te wegen dan het belang van de kinderen bij stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie, hoe ingrijpend een gedwongen ontheffing van het gezag ook is. Het hof acht de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing derhalve onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Het vorenstaande brengt mee dat het belang van de kinderen zich niet tegen ontheffing van het gezag verzet, temeer nu de kinderen te kennen geven dat zij de pleegouders als hun ouders beschouwen en het in hun pleeggezin erg naar hun zin hebben.

4.4.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat is voldaan aan de vereisten voor ontheffing van het gezag als bedoeld in artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a BW, gelezen in samenhang met artikel 1:266 BW.

4.5.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de bestaande informatieregeling niet goed verloopt. Het hof gaat ervan uit dat deze informatieregeling in de toekomst structureel zal worden nageleefd.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, A. van Haeringen en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2013.