Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2775

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/00321
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:16
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een WAO-uitkering genoten, alsmede loon uit dienstbetrekking. In geschil is de hoogte van het loon uit dienstbetrekking alsmede of belanghebbende recht heeft op toepassing van de arbeidskorting over de WAO-uitkering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Besluit proceskosten bestuursrecht
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2546
FutD 2013-2874
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00321

5 september 2013

uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/3114 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 1 oktober 2010 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.602.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 21 april 2011, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.035.

Bij uitspraak van 13 maart 2012 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 23 april 2012 en is aangevuld bij brief van 21 mei 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 9 juli 2013 en 11 juli 2013 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. De zaak is daar gelijktijdig met een drietal andere hogerberoepszaken van belanghebbende behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in onderdeel 2 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als eiser.

“Eiser, geboren [geboortedatum], was in het jaar 2008 in loondienst werkzaam bij [A] C.V. (hierna: [A]) te [Z]. Ook ontving eiser van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).”

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3.

Het Hof stelt op basis van de gedingstukken in eerste aanleg nog de volgende feiten vast:

2.3.1.

Belanghebbende heeft zijn werkzaamheden voor [A] verricht tot medio 2008. [A] verkeerde toen reeds in problemen. Op 20 januari 2009 is het faillissement van [A] uitgesproken.

2.3.2.

Volgens de door [A] aan de Belastingdienst aangeleverde jaarloongegevens heeft belanghebbende in het jaar 2008 een loon genoten van € 4.107 en bedroeg de ingehouden loonheffing € 71.

2.3.3.

In zijn aangifte voor het onderhavige jaar, die op 25 mei 2010 bij de Belastingdienst is ingekomen, heeft belanghebbende een bedrag van € 2.540 als van [A] genoten loon aangegeven.

2.3.4.

De aanslag is opgelegd met dagtekening 1 oktober 2010. De inspecteur is daarbij uitgegaan van het loon volgens de jaaropgave van [A].

2.3.5.

Tijdens de bezwaarfase heeft belanghebbende een salarisspecificatie overgelegd van periode 5/2008 waarop een cumulatief loon uit dienstbetrekking staat vermeld van € 2.540 een bedrag van € 97 aan ingehouden loonheffing. Bij de uitspraak op bezwaar is de inspecteur van die (nadere) gegevens uitgegaan.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is voor het Hof in geschil welk bedrag aan loon belanghebbende in het onderhavige jaar heeft genoten uit zijn dienstbetrekking met [A] c.v. (hierna [A]).

Daarnaast is in geschil of belanghebbende, al dan niet op basis van het gelijkheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel, naast de arbeidskorting over het loon uit dienstbetrekking van [A] c.v., recht heeft op toepassing van de arbeidskorting over de door hem van het UWV ontvangen WAO-uitkering.

Tenslotte is in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding op basis van de werkelijk gemaakte kosten en op een vergoeding van zijn (overige) schade.

Ter zitting heeft de inspecteur het in zijn verweerschrift in hoger beroep opgenomen incidentele hoger beroep uitdrukkelijk ingetrokken.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1.1.

Belanghebbende heeft bij pleidooi een aantal preliminaire grieven van formeelrechtelijke aard aangevoerd. Als hier ingelast heeft te gelden hetgeen omtrent die grieven is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.2 in de heden gedane uitspraak in de zaak met kenmerknummer 09/00242, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, met dien verstande dat voor “ontvanger” telkens gelezen moet worden “inspecteur”.

4.1.2.

Als ingelast geldt hier tevens hetgeen met betrekking tot de gestelde schending van de hoorplicht is overwogen onder 4.4 in de uitspraak met kenmerknummer 09/00242, met dien verstande dat voor “ontvanger” telkens gelezen moet worden “inspecteur”.

4.1.3.

In zijn hogerberoepschrift heeft belanghebbende een afzonderlijke grief geformuleerd met de strekking dat hij bij de rechtbank geen inzage heeft gehad in het griffiedossier. Het Hof is van oordeel dat deze grief niet kan leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, nu belanghebbende door het gestelde verzuim niet is benadeeld reeds doordat hij voorafgaande aan de zitting van het Hof inzage heeft kunnen nemen in het dossier, hem op zijn verzoek kopieën van door hem aangewezen stukken zijn verstekt, en hij ter zitting van het Hof heeft verklaard geen stukken (meer) te missen.

4.1.4.

Het Hof komt aldus toe aan beoordeling van de materiële geschilpunten.

4.2.1.

Met betrekking tot het geschilpunt inzake de omvang van het van [A] genoten loon heeft de rechtbank het volgende overwogen.

“4.2. Verweerder heeft zich bij de vaststelling van het door eiser van [A] ontvangen loon aanvankelijk gebaseerd op de door de werkgever verstrekte gegevens, zijnde een loon van € 4.107 en een ingehouden loonheffing van € 71. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de door eiser overgelegde salarisspecificatie (genummerd 5/2008) bij de vaststelling betrokken. Hierop is een cumulatief aan loon vermeld van € 2.540 en een ingehouden loonheffing van € 97. Verweerder gaat er daarbij van uit dat eiser het verschil in salaris in verband met het faillissement van [A] feitelijk niet heeft genoten. Deze loonsom stemt overeen met het door eiser aangegeven inkomen uit werk en woning.

4.3.

Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt niet dat het door eiser van [A] ontvangen loon lager is geweest.”

4.2.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende zijn stellingen herhaald en uitgebreid. Het Hof overweegt daaromtrent als volgt.

4.2.3.1. De stelling dat de inspecteur geen gebruik mocht maken van gegevens die hij heeft verkregen van de werkgever kan - wat er overigens van die stelling zij - buiten beschouwing blijven omdat de inspecteur zich bij het doen van uitspraak op bezwaar heeft gebaseerd op de door belanghebbende overgelegde salarisspecificatie. Ook overigens vermag het Hof niet in te zien dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.2.3.2. Anders dan belanghebbende verdedigt, valt geen rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan de inspecteur in de onderhavige situatie gehouden zou zijn tot nader onderzoek in de administratie van de voormalige, gefailleerde, werkgever. De rechtbank heeft de bewijslast niet onjuist verdeeld door aan belanghebbende het bewijs op te dragen van de stelling dat de door hemzelf aan de inspecteur aangereikte - gegevens op die salarisspecificatie onjuist zouden zijn. Dat die gegevens wegens het faillissement van [A] niet betrouwbaar zouden zijn, heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt, en is te minder aannemelijk nu die specificatie dateert van mei 2008 en belanghebbende nog tot medio 2008 bij [A] heeft gewerkt.

4.2.3.3. Met de enkele stelling dat hij in het onderhavige jaar niet meer dan € 1.248 (netto) loon van de voormalige werkgever heeft genoten, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof het van hem te eisen bewijs niet geleverd. Voor zover belanghebbende heeft verzocht toegelaten te worden tot nader bewijs, passeert het Hof dat bewijsaanbod omdat hij relevant bewijs al veel eerder had kunnen leveren, bijvoorbeeld aan de hand van een volledig en controleerbaar overzicht van zijn betaalrekening(en), en omdat het bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd is.

4.2.4.

Nu alle stellingen van belanghebbende falen, komt het Hof tot hetzelfde oordeel als de rechtbank.

4.3.1.

Met betrekking tot het geschilpunt inzake de omvang van de arbeidskorting heeft de rechtbank het volgende overwogen.

“4.4. In artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2008; hierna Wet IB 2001) is bepaald dat de arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid winst uit een onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet. In artikel 1.7a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 wordt voor de toepassing van voormelde bepaling met inkomen uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. In het tweede lid, aanhef en onder b, van deze bepaling is bepaald dat onder inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid niet worden begrepen uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

4.5.

Uit de hierboven aangehaalde bepaling vloeit voort dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de arbeidskorting niet van toepassing is op de WAO-uitkering die eiser heeft ontvangen. Dat eiser deze regelgeving als discriminerend ervaart brengt nog niet met zich dat het verweerder vrijstaat daarvan af te wijken. Teneinde die mogelijkheid te openen dient eiser zich tot de wetgever te wenden. Ook de rechtbank kan verweerder daartoe niet verplichten. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn conclusie dat de betreffende bepaling als strijdig met enige een ieder verbindende verdragsbepaling onverbindend moet worden geacht. De door eiser geschetste feiten en omstandigheden bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat in het onderhavige geval sprake is van een door verweerder gemaakt bij verdrag verboden onderscheid tussen groepen belastingplichtigen. Voor zover uit eisers grieven moet worden begrepen dat hij van mening is dat in het kader van zijn re-integratie in het arbeidsproces door het UWV en zijn werkgever toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van zijn recht op arbeidskorting is verweerder daaraan niet gebonden. Voorts zij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 14 februari 2009 (AWB 08/1289) inzake het beroep van eiser met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2005, waarin eisers grieven op dit punt uitgebreid zijn besproken.

4.6.

De overige door eiser naar voren gebrachte grieven hebben betrekking op handelingen van het UWV en [A]. Deze kunnen niet leiden tot een vermindering van de door eiser te betalen belasting. De rechtbank gaat daarom aan deze grieven voorbij.”

4.3.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende zijn stellingen herhaald en uitgebreid. Het Hof overweegt daaromtrent als volgt.

4.3.3.1. Ook als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van belanghebbende dat het UWV en/of zijn voormalige werkgever tegenover belanghebbende
- op grond van welke bepaling van nationaal recht, gemeenschapsrecht of ander internationaal recht dan ook - te kort zijn geschoten waar het diens rechten op reïntegratie en betaald werk betreft, en dat hij in zoverre met recht stelt dat hij - zo het UWV en de werkgever volledig hadden voldaan aan hun desbetreffende verplichtingen - in het onderhavige jaar geen WAO-uitkering zou hebben genoten doch in staat zijn geweest loon uit tegenwoordige arbeid te genieten, dan nog staat het de inspecteur niet vrij voor de toepassing van de bepalingen inzake het belastbaar inkomen uit werk en woning van iets anders uit te gaan dan van de feitelijke toestand zoals die zich in het onderhavige jaar heeft voorgedaan. Hiervan uitgaande, kon de inspecteur niet anders dan de door belanghebbende genoten WAO-uitkering ingevolge artikel 1.7a, tweede lid, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 uitsluiten van de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting.

4.3.3.2. Anders dan belanghebbende verdedigt, kan naar 's Hofs oordeel niet worden gezegd dat de wetgever, door in artikel 1.7a van de Wet IB 2001 een scheidslijn te trekken tussen enerzijds loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en bepaalde inkomsten uit tijdelijke arbeidsongeschiktheid (wel arbeidskorting) en anderzijds - onder meer - WAO-uitkeringen (geen arbeidskorting), de hem bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsgrondrecht van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM toekomende ruime beoordelingsmarge heeft overschreden. Het Hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat het gemaakte onderscheid, respectievelijk de wettelijke grondslag voor (hogere) belastingheffing, worden gerechtvaardigd door het met de wettelijke regeling beoogde doel, te weten stimulering van de arbeidsparticipatie. Het Hof acht de regeling daartoe in het algemeen geschikt, en dat is in dit kader voldoende. Niet noodzakelijk is dat de regeling ook in het individuele geval van belanghebbende daartoe geschikt is.

4.3.3.3. Ook overigens vermag het Hof niet in te zien dat de wettelijke regeling inzake de arbeidskorting in strijd komt met enige bovenwettelijke rechtsnorm. Met name kan van het ten aanzien van belanghebbende niet-toepassen van deze fiscale regeling niet worden gezegd dat een in Richtlijn 2000/78/EG vervatte norm inzake recht op reïntegratie en gelijke behandeling van gehandicapte werknemers is geschonden, nog daargelaten dat gegeven het zeer indirecte verband en het geringe financiële belang hoe dan ook geen sprake zou kunnen zijn van een gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht die grondslag zou kunnen vormen voor aansprakelijkheid van de overheid.

4.3.3.4. Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel: bij de aanslagregeling voor de jaren 2002 tot en met 2004, alsmede in de jaren 2006 en 2007, is het standpunt van belanghebbende op het punt van de arbeidskorting gevolgd, en daaruit leidt hij af dat sprake is van een hem tegemoetkomend beleid dat dan ook voor de jaren 2005 en 2008 dient te worden gevolgd. De inspecteur heeft deze stelling gemotiveerd bestreden. Wat de jaren 2002 tot en met 2004 betreft: toen was nog geen sprake van een WAO-uitkering die aan belanghebbende zelf werd uitbetaald en werd de (aan de werkgever als loonsubsidie uitbetaalde) uitkering begrepen in het door de werkgever betaalde loon en als zodanig aangegeven in de aangiften loonbelasting van de werkgever en in de aangiften IB/PVV van belanghebbende. De door de inspecteur voor die jaren gevolgde gedragslijn kan geen vertrouwen wekken voor de jaren 2005 en 2008, omdat de feitelijke situatie toen anders was. Voor de jaren 2006 en 2007 is de aangifte zonder nader onderzoek gevolgd. Er is dus geen sprake geweest van een bewuste standpuntbepaling waaraan voor de aanslagregeling in de jaren 2005 en 2008 vertrouwen zou kunnen worden ontleend. Aldus de inspecteur. Het Hof volgt het standpunt van de inspecteur nu diens gemotiveerde stellingen onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

4.3.4.

Nu alle stellingen van belanghebbende falen, komt het Hof tot hetzelfde oordeel als de rechtbank.

4.4.

Nu geen sprake is van een gegrond beroep, is aan een noodzakelijke voorwaarde voor toekenning van een schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet voldaan. Voor zoveel nodig overweegt het Hof dat geen feitelijke grondslag is komen vast te staan voor de constatering van een schending (laat staan een gekwalificeerde schending) door de inspecteur van enige gemeenschapsrechtelijke of andere bovenwettelijke rechtsnorm.

4.5.1.

Voor de proceskosten in bezwaar en beroep bieden artikel 7:15 Awb respectievelijk artikel 8:75 Awb en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht een exclusieve en beperkte vergoedingsregeling (hierna tezamen ook: de Nederlandse proceskostenvergoedingsregeling).

4.5.2.

Voor zover belanghebbende zich hiertegen keert, falen zijn stellingen (nog daargelaten of bij een ongegrond beroep als het onderhavige überhaupt zou kunnen worden toegekomen aan een proceskostenvergoeding). Ter motivering verwijst het Hof naar hetgeen is overwogen onder 4.7.3 van zijn uitspraak met kenmerknummer 09/00242.

4.6.

Al hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het Hof passeert daarbij tevens het door belanghebbende in algemene zin gedane bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd. Het Hof merkt nog op dat belanghebbende geen verzoek heeft gedaan tot vergoeding van immateriële schade op grond van overschrijding van de redelijke termijn.

5 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding een partij op de voet van art. 8:75 Awb te veroordelen in de kosten van het geding.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. J. den Boer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier. De beslissing is op 5 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.