Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2774

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/00012
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:18
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende geniet een WAO-uitkering. Deze kan niet gelijk worden gesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Belanghebbende heeft geen recht op arbeidskorting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Besluit proceskosten bestuursrecht
Grondwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2558
FutD 2013-2874
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00012

5 september 2013

uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/1289 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 6 februari 2007 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.466, met toepassing van een arbeidskorting van € 273. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft de inspecteur € 6 heffingsrente vergoed.

Na tegen de aanslag en de beschikking heffingsrente gemaakt bezwaar, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2007 de aanslag en de beschikking hefffingsrente gehandhaafd.

Bij uitspraak van 14 februari 2009, verzonden op 2 maart 2009, heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep - naar het Hof verstaat - ongegrond verklaard. (Het Hof merkt hierbij op dat in de tweede dictumregel abusievelijk het kenmerknummer 08/1288 is vermeld, waar onmiskenbaar het kenmerknummer 08/1289 is bedoeld).

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 april 2009, en is door het Hof abusievelijk aangemerkt als een gedingstuk in de hogerberoepszaak met kenmerknummer 09/00263 inzake de uitspraak van de rechtbank met kenmerk 08/1288. Nadat dit abuis was onderkend, is aan de onderhavige zaak het kenmerknummer 12/00012 toegekend en is daarvoor een afzonderlijk dossier gevormd. Belanghebbende heeft het hoger beroep aangevuld bij brief van 7 februari 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 9 juli 2013 en 11 juli 2013 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. De zaak is daar gelijktijdig met een drietal andere hogerberoepszaken van belanghebbende behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1.

Belanghebbende heeft in zijn op 24 april 2006 ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2005 in de rubriek “3a Loon, uitkering Ziektewet en andere inkomsten van uzelf uit tegenwoordige dienstbetrekking” een bedrag van € 7.741 als van [A] te [Z] genoten “Loon” vermeld. In de rubriek “5a Pensioen, AOW, WAO, WW, Anw, bijstand of een andere uitkering van uzelf uit vroegere dienstbetrekking (…)” heeft hij een bedrag van € 3.838 als van UWV te Heerlen genoten “Pensioen en dergelijke” vermeld. Dit betreft een WAO-uitkering die tot maart 2005 aan de werkgever is uitbetaald en vanaf die datum rechtstreeks aan belanghebbende.

2.2.

Op 11 mei 2006 heeft belanghebbende € 330 betaald waarbij hij heeft aangegeven die betaling te willen doen op de (voorlopige) aanslag IB/PVV 2005. Een belastingaanslag voor dat jaar was toen nog niet opgelegd.

2.3.

Met dagtekening 6 februari 2007 heeft de inspecteur de (definitieve) aanslag voor het onderhavige jaar opgelegd. Daarbij heeft hij een arbeidskorting van € 273 toegepast.

2.4.

In het tegen die aanslag ingediende bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht de arbeidskorting op € 557 te stellen. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de WAO-uitkering in zijn geval op één lijn moet worden gesteld met tot de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting te rekenen uitkeringen wegens tijdelijke werkloosheid.

2.5.

In zijn uitspraak op dit bezwaar heeft de inspecteur onder meer geschreven:

“U bent van mening dat er geen sprake is van een gedeeltelijke WAO-uitkering en dat u over betreffende inkomsten recht heeft op arbeidskorting. U verzoekt tevens om kostenvergoeding (…)

Ik ben van mening dat de aanslag juist is (…).

In uw bezwaar geeft u te kennen dat bij de voorlopige aanslag een lager bedrag aan arbeidskorting is verleend dan bij de definitieve aanslag.

Bij het opleggen van een voorlopige aanslag wordt de aangifte niet inhoudelijk beoordeeld. U heeft de rubriek arbeidskorting niet ingevuld, zodat automatisch over uw inkomsten uit tegenwoordige arbeid de arbeidskorting wordt berekend, in casu dus € 138.

Bij het afhandelen van de aangifte heeft de behandelend ambtenaar geconstateerd dat een hogere arbeidskorting door uw werkgever werd gehanteerd, nl. € 273. Aangezien het toepassen van een hogere arbeidskorting in de loonsfeer niet aan u te wijten is, wordt de hogere arbeidskorting verleend nl. € 273.

De door u [gegeven] toelichting (…) is wel begrijpelijk, doch helaas niet relevant in de beoordeling of er in casu wel/geen WAO-uitkering wordt genoten.

(…)

Aangezien het bezwaar tegen de voorlopige aanslag overruled is door een definitieve aanslag en de inhoud van uw bezwaar gelijkluidend is, wordt volstaan met een uitspraak op de definitieve aanslag. Uw rechtsmiddelen zijn gelijk.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is voor het Hof in geschil of belanghebbende, al dan niet op basis van het gelijkheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel, naast de arbeidskorting over het loon uit dienstbetrekking van [A] c.v. (hierna: [A]), recht heeft op toepassing van de arbeidskorting over (het volledige bedrag van) de door hem van het UWV ontvangen WAO-uitkering.

Voorts is, evenals bij de rechtbank, de wijze van berekening - en daarmee het bedrag - van de heffingsrente in geschil.

Tenslotte is in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding op basis van de werkelijk gemaakte kosten en op een vergoeding van zijn (overige) schade.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1.1.

Belanghebbende heeft bij pleidooi een aantal preliminaire grieven van formeelrechtelijke aard aangevoerd. Als hier ingelast heeft te gelden hetgeen omtrent die grieven is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.2 in de heden gedane uitspraak in de zaak met kenmerknummer 09/00242, met dien verstande dat voor “ontvanger” telkens gelezen moet worden “inspecteur”.

4.1.2.

Als ingelast geldt hier tevens hetgeen met betrekking tot de gestelde schending van de hoorplicht is overwogen onder 4.4 in de uitspraak met kenmerknummer 09/00242 met dien verstande dat voor “ontvanger” telkens gelezen moet worden “inspecteur”.

4.1.3.

Het Hof komt aldus toe aan beoordeling van de materiële geschilpunten.

4.2.1.

Met betrekking tot het geschilpunt inzake de omvang van de arbeidskorting heeft de rechtbank (die daarbij belanghebbende heeft aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’) het volgende overwogen.


“Arbeidskorting

4.9.

In artikel 8.11, eerste lid, Wet IB 2001 is bepaald dat de arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid winst uit een onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet.

In art. 1.7a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 (tekst 2005) wordt voor de toepassing van voormelde bepaling met inkomen uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid.. In het tweede lid, onderdeel a, van deze bepaling (tekst 2005) is bepaald dat onder inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid niet worden begrepen uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

(WAO).

4.10.

Eiser betoogt dat de arbeidskorting ten volle op de door hem in 2005 genoten WAO-uitkering van toepassing is. Hij voert daartoe aan dat in zijn geval de WAO-uitkering geen loondervingsuitkering voor langdurige arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO is, maar een inkomst wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De rechtbank kan eiser daarin niet

volgen. Eiser heeft niet betwist dat de door hem in de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 december 2005 genoten uitkering een op grond van de WAO verstrekte uitkering betrof, zoals ook is aangegeven op het door verweerder ter zitting overgelegde renseignement. Een dergelijke uitkering kan niet als een onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid worden beschouwd. Zij moet derhalve worden gerekend tot de inkomsten uit vroegere arbeid. Zij is ook niet op grond van artikel 1.7a Wet IB 2001 voor de toepassing van de arbeidskorting gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid (zie met name het tweede lid;

onderdeel a, van artikel 1.7a). Dit brengt mee dat voor de door eiser genoten WAO-uitkering

de arbeidskorting van artikel 8.11 Wet IB 2001 niet geldt. De omstandigheid dat eiser de door hem genoten uitkering ervaart als te zijn verstrekt voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid dan wel bij wijze van loonsubsidie, maakt dit niet anders.

4.11.

Voor zover eiser stelt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel kan de rechtbank hem daarin evenmin volgen. De enkele omstandigheid dat eiser naast een WAO-uitkering in het onderhavige jaar tevens regulier loon (inkomsten uit tegenwoordige arbeid) heeft genoten, brengt hem, anders dan hij voorstaat, voor de toepassing van de arbeidskorting niet in een gelijke positie met de belastingplichtige die uitsluitend inkomsten uit tegenwoordige arbeid heeft genoten. Ten aanzien van die belastingplichtige bestaan de inkomsten immers geheel uit inkomsten die de onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid vormen, terwijl zij ten aanzien van eiser voor een deel — de WAO-uitkering —

Bestaan uit inkomsten die niet als een onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid kunnen worden beschouwd. Dit is een verschil op grond waarvan de wetgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat voor de toepassing van de arbeidskorting geen sprake is van gelijke gevallen (vgl. HR 28januari 2005, BNB 2005/133).

4.12.

De stelling van eiser dat hij ten onrechte niet door verweerder is gehoord alvorens hij uitspraak op bezwaar deed, kan de rechtbank evenmin volgen. Verweerder heeft blijkens de tot de gedingstukken behorende brief van 21 juni 2007 eiser in de gelegenheid gesteld zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Hij heeft eiser uitgenodigd daarvoor een afspraak met hem te maken en daartoe zijn doorkiesnummer vermeld. Ter zitting heeft verweerder onbestreden gesteld dat eiser daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Van schending van de hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank dan geen sprake.”

4.2.2.

Het Hof komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank, op overeenkomstige gronden als vermeld onder 4.3.3.1 tot en met 4.3.4 in de heden gedane uitspraak in de zaak met kenmerknummer 12/00321.

4.3.1.

Belanghebbende heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank in de onderhavige zaak zijn grief tegen de berekende heffingsrente niet heeft behandeld. Het Hof zal dat alsnog doen.

4.3.2.

Bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2005 en van de onderhavige definitieve aanslag over datzelfde jaar is (telkens) heffingsrente berekend over de periode die eindigt met de dag van de desbetreffende belastingaanslag. Dit heeft ertoe geleid dat aan belanghebbende bij de voorlopige aanslag € 12 heffingsrente in rekening is gebracht en dat bij de definitieve aanslag, waarbij de voorlopige aanslag geheel is verrekend, € 6 heffingsrente aan belanghebbende is vergoed.

4.3.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij aldus teveel heffingsrente verschuldigd is geworden, omdat - naar zijn mening - heffingsrente ingevolge artikel 30f, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), over het door hem op 11 mei 2006 overgemaakte bedrag van € 330, slechts tot aan die dag, zijnde de dag van betaling, mag worden berekend.

4.3.4.

Dit standpunt berust evenwel op een misvatting. De inspecteur heeft terecht erop gewezen dat de berekening van heffingsrente bij aanslagbelastingen als de onderhavige uitsluitend wordt beheerst door artikel 30f, eerste lid, van de AWR, en dat daarbij de dag van betaling geen rol speelt.

4.3.5.

Ook de grief inzake de berekening van heffingsrente kan dus niet leiden tot een gegrond beroep.

4.4.

Nu geen sprake is van een gegrond beroep, is aan een noodzakelijke voorwaarde voor toekenning van een schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet voldaan. Ten overvloede overweegt het Hof dat geen feitelijke grondslag is komen vast te staan voor de constatering van een schending (laat staan een gekwalificeerde schending) door de inspecteur van enige gemeenschapsrechtelijke of andere bovenwettelijke rechtsnorm.

4.5.1.

Voor de proceskosten in bezwaar en beroep bieden artikel 7:15 Awb respectievelijk artikel 8:75 Awb en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht een exclusieve en beperkte vergoedingsregeling (hierna tezamen ook: de Nederlandse proceskostenvergoedingsregeling).

4.5.2.

Voor zover belanghebbende zich hiertegen keert, falen zijn stellingen (nog daargelaten of bij een ongegrond beroep als het onderhavige überhaupt zou kunnen worden toegekomen aan een proceskostenvergoeding). Ter motivering verwijst het Hof naar hetgeen is overwogen onder 4.7.3 van zijn uitspraak met kenmerknummer 09/00242.

4.6.

Al hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het Hof passeert daarbij tevens het door belanghebbende in algemene zin gedane bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd. Hof merkt nog op dat belanghebbende geen verzoek heeft gedaan tot vergoeding van immateriële schade op grond van overschrijding van de redelijke termijn.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, met aanvulling van gronden als vorenvermeld, te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding een partij op de grondslag van art. 8:75 Awb te veroordelen in de kosten van het geding.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. J. den Boer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier. De beslissing is op 5 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.