Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2755

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
200.112.072/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:1818, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging van omstandigheden inzake kosten levensonderhoud en studie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 25 juni 2013

Zaaknummer: 200.112.072/01

Zaaknummer eerste aanleg: 187423/FARK11-4081

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. Y. Welter te Purmerend,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.M. Stam te Zaandam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 23 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 5 juni 2012 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 187423/FARK11-4081.

1.3.

De man heeft op 26 oktober 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 19 december 2012 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 2, 3 en 7 januari 2013 en de man heeft op 3 januari 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 14 januari 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. B.J. Davidse, advocaat te Amsterdam.

1.8.

Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt […] (hierna: [dochter]). Hoewel behoorlijk opgeroepen, is [dochter] ter zitting niet verschenen. Evenmin heeft zij een verweerschrift ingediend.

2.De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1991 gehuwd. Zij zijn op 9 april 2009 uit elkaar gegaan. Hun huwelijk is op 29 september 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 30 maart 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [dochter] [in] 1994 en […] (hierna: [zoon]) [in] 1992.

2.2.

Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] dient te voldoen van € 225,- bruto per maand. Bij beschikking van dit hof van 18 januari 2011 is de beschikking van de rechtbank vernietigd en is bepaald dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage van € 375,- per maand dient te voldoen. Bij die beschikking is voorts het verzoek van de vrouw om een uitkering tot levensonderhoud vast te stellen, afgewezen.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor [dochter] met ingang van 1 januari 2013 € 386,- per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1964. Hij is alleenstaand. [zoon] woont bij hem.

Hij is directeur-grootaandeelhouder van de besloten vennootschap […] (hierna: [B.V.]) Het bedrijfsresultaat van de onderneming bedroeg in 2009, 2010 en 2011 respectievelijk € 10.006,- negatief, € 7.134,-, negatief en € 16.725,- negatief. Volgens de voorlopige jaarstukken 2012 bedraagt het bedrijfsresultaat in dat jaar € 7.818,-.

Blijkens de jaaropgaven bedroeg zijn fiscaal loon over 2012 € 57.361,-. Op dit fiscaal loon dient de bijtelling privégebruik auto in mindering te worden gebracht.

Aan premie voor een (fiscaal aftrekbare) arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalt hij € 587,- per maand.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem bewoonde woning betaalt hij € 1.226,- per maand aan rente en € 221,- per maand aan aflossing/spaarpremie. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 248.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 99,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 350,- per jaar. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1965. Zij is alleenstaand. [dochter] woont bij haar.

Zij is werkzaam in loondienst bij […]. Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over oktober, november en december 2012 € 1.201,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, bij een werkweek van 20 uur.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door haar bewoonde woning betaalt zij € 194,- per maand aan rente. Zij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 229.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 145,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 350,- per jaar. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang, het verzoek van de vrouw de beschikking van 18 januari 2011 te wijzigen in die zin dat de man aan haar een uitkering tot levensonderhoud dient te voldoen van € 1.031,- bruto per maand met ingang van 1 september 2011, afgewezen, en is de man niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de door de man te betalen kinderbijdrage wordt bepaald op € 187,50 per maand.

3.2.

De vrouw verzoekt in principaal appel, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, alsnog de beschikking van 18 januari 2011 te wijzigen in die zin dat de man aan haar een uitkering tot levensonderhoud dient te voldoen van €  1.031,- bruto per maand met ingang van 1 september 2011.

3.3.

De man verzoekt in principaal appel het verzoek van de vrouw af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt hij de beschikking van 18 januari 2011 te wijzigen in die zin dat de bijdrage voor [dochter] wordt bepaald op nihil, althans op een bedrag van € 187,50, met ingang van 15 januari 2012, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum.

3.4.

De vrouw verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en in incidenteel appel:

4.1.

Vooreerst is aan de orde de vraag of door de het hof bij beschikking van 18 januari 2011 vastgestelde bijdrage voor [dochter] kan en dient te worden gewijzigd in die zin dat deze op nihil wordt bepaald.

Tussen partijen is voorts in geschil of een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man en ten behoeve van de vrouw dient te worden vastgesteld. In dat kader is in geschil tussen partijen de (aanvullende) behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Het hof zal eerst het verzoek van de man met betrekking tot de bijdrage voor [dochter] beoordelen.

4.2.

De man stelt dat de rechtbank hem ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de bijdrage voor [dochter] omdat er volgens hem wel degelijk een wijziging is gelegen in het feit dat het overbruggingskrediet dat hij had afgesloten ter zake van de aankoop van zijn woning, was afgelopen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit feit weliswaar een wijziging van omstandigheden inhoudt, doch in het onderhavige geval geen relevante wijziging nu dit in beginsel een toename van de draagkracht van de man veroorzaakt, waar de man nu juist een verlaging van de bijdrage voor [dochter] verzoekt. De gestelde wijziging van omstandigheden kan het verzoek van de man derhalve niet dragen.

4.3.

De man voert voorts in hoger beroep aan dat een andere wijziging van omstandigheden is gelegen in het feit dat hij op 31 augustus 2012 een overeenkomst van geldlening van € 5.000,- is aangegaan en dat hij daarop maandelijks een bedrag van € 200,- aflost. De man stelt dat zijn draagkracht is beperkt vanwege vorenbedoelde aflossingsverplichting. Daarnaast stelt hij voorts dat de vrouw dient bij te dragen in de kosten van [dochter]. Dit alles rechtvaardigt een nihilstelling van zijn onderhoudsverplichting, zo begrijpt het hof de stellingen van de man.

4.4.

Deze door de man gestelde wijziging van omstandigheden heeft, wat de bijdrage voor [dochter] betreft, uitsluitend betrekking op de periode waarin [dochter] al meerderjarig was. [dochter] is niet in de procedure in hoger beroep verschenen, zodat de stelling van de man in zoverre onweersproken is gebleven. Ten aanzien van [dochter] moet dus van de juistheid van de stellingen van de man worden uitgegaan. Het daarop gebaseerde (primaire) verzoek van de man in incidenteel appel komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de nihilstelling zal worden bepaald op de dag van wijziging van omstandigheden, derhalve 31 augustus 2012.

Het hof zal thans het geschil met betrekking tot de partnerbijdrage beoordelen.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat, als gevolg van verkoop van de voormalig echtelijke woning, sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan thans moet worden beoordeeld of en in hoeverre een partnerbijdrage kan worden vastgesteld.

4.6.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage wordt als volgt overwogen.

De vrouw stelt dat haar behoefte op basis van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.539,- netto per maand, te verminderen met de kosten van de kinderen, € 1.031,- bruto per maand bedraagt. Volgens de man is de behoefte van de vrouw € 716,- netto per maand.

Nu de vrouw haar stelling niet nader heeft onderbouwd, zal het hof, gelijk hij bij zijn beschikking van 18 januari 2011 heeft gedaan, uitgaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.475,- netto per maand, waarop de kosten van de kinderen van € 748,- in mindering dienen te worden gebracht, zodat resteert € 2.727,- netto per maand. De behoefte van de vrouw bedraagt 60 % van dat bedrag, derhalve € 1.636,-, te verminderen met de eigen inkomsten van de vrouw van € 920,- (inclusief vakantiegeld) netto per maand, zodat de behoefte van de vrouw, vermeerderd met de wettelijke indexering, € 732,- netto en € 837,- bruto bedraagt.

4.7.

De man stelt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud dient te voorzien en dat zij daartoe haar werkzaamheden moet uitbreiden.

Volgens de vrouw is zij niet in staat zelf (gedeeltelijk) in haar aanvullende behoefte te voorzien. Zij stelt dat zij niet meer kan werken dan 20 uur per week, ook niet in haar eigen massage-/therapiepraktijk. Zij lijdt aan posttraumatische dystrofie aan haar voet sinds de man daar in 2001 overheen is gereden. Het betreft een chronische aandoening waardoor zij veel pijn heeft en vaak vermoeid is. Zij krijgt begeleiding van een orthopedagoog bij het accepteren van haar beperkingen, tweemaal per week fysiotherapie en eenmaal per maand manuele therapie. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw onder meer verwezen naar schriftelijke verklaringen van 20 februari 2012 van mevrouw Leguijt, orthopedagoge, van 21 februari 2012 en 14 juni 2012 van mevrouw Beaufort, fysiotherapeut, en van 25 juni 2012 van mevrouw J. Schnieders, revalidatiearts. Ook heeft zij verwezen naar twee berichten van het CAK waaruit volgt dat zij een tegemoetkoming ontvangt op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).

De man betwist de door de vrouw gestelde dystrofie aan haar voet. Haar klachten voldoen niet aan de symptomen die door de Nederlandse vereniging van posttraumatische dystrofie patiënten zijn gesteld. De verklaring van mevrouw Leguijt is niet ter zake dienend aangezien zij geen verstand heeft van arbeidsgerelateerde zaken. De verklaring van mevrouw Beaufort is niet onpartijdig aangezien zij een vriendin is van de vrouw. Dat de vrouw een uitkering op grond van de Wtcg ontvangt, is niet relevant, aangezien de uitkeringsinstantie CAK zich niet bezighoudt met de beoordeling van ziekten. De behandeling door de fysiotherapeut duurt inmiddels elf jaar, hetgeen ongebruikelijk is. De vrouw dient zich onder behandeling te laten stellen van Heliomare en een revalidatietraject in te gaan, aldus nog steeds de man.

Het hof is van oordeel dat de vrouw niet in staat is haar werkzaamheden thans uit te breiden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Uit voornoemde verklaring van mevrouw J. Schnieders blijkt dat de vrouw sinds 2001 lijdt aan posttraumatische dystrofie (CPRS I) aan haar voet, een chronische aandoening, waardoor zij is beperkt in duurbelasting. Gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw al jaren ernstig lijdt onder deze aandoening, dat zij veel tijd en aandacht besteedt aan haar behandeling en welzijn, en dat externe factoren waaronder de onderhavige procedure en spanningen tussen partijen van negatieve invloed zijn op haar lichamelijke en psychische toestand. Voor zover de man betoogt dat de vrouw dient te worden onderzocht en behandeld in zorginstelling Heliomare, heeft de vrouw verwezen naar een brief van 29 oktober 2012 van mevrouw I. Kos, de verpleegkundig specialist chronische zorg van Heliomare, waarin staat vermeld dat er in haar geval behandelmogelijkheden zijn, maar dat de onderhavige rechtszaak een averechts of negatief effect kan hebben op de behandeling, zodat Heliomare op dit moment niets voor haar kan betekenen. Nu uit voornoemde verklaring van mevrouw Schnieders blijkt dat uitbreiding van de werkzaamheden tot het opvlammen van de CPRS I kan leiden, is het hof van oordeel dat op dit moment niet van de vrouw worden verlangd dat zij daartoe – zonder behandeling en/of ondersteuning, hetgeen op dit moment niet mogelijk is – overgaat.

In het licht van het bovenstaande heeft de man zijn stelling dat de vrouw ander werk zou kunnen aanvaarden, onvoldoende onderbouwd. Van de vrouw kan niet worden gevergd dat zij haar huidige baan opzegt en ander werkt zoekt.

4.8.

Voor zover de man betoogt dat de vrouw inkomen heeft uit vermogen, is het hof van oordeel dat hij ook deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof dat de vrouw thans niet in staat is zelf in haar (aanvullende) behoefte te voorzien.

4.10.

Voor de berekening van de draagkracht van de man zal het hof uitgaan van de feiten als hiervoor onder 2.3. genoemd alsmede van het navolgende.

4.11.

De man stelt dat zijn inkomen sinds 2011 is verlaagd van € 4.700,- tot € 4.300,- bruto per maand, en heeft daartoe verwezen naar een bericht van de accountant van 2 november 2012 alsmede de salarisspecificaties van oktober, november en december 2012.

De vrouw heeft dit betwist. Het hof begrijpt haar standpunt aldus, dat aan de zijde van de man een jaarinkomen van € 67.000,- in aanmerking dient te worden genomen, nu uit de conceptjaarstukken van 2012 volgt dat de man voor dat bedrag aan personeelskosten heeft gebudgetteerd. Bovendien dient volgens haar een dagvergoeding van € 157,- per maand bij het inkomen van de man te worden betrokken.

Het hof acht het redelijk voor de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van het inkomen dat hij in 2012 blijkens de jaaropgave van dat jaar heeft ontvangen, derhalve een bedrag van € 57.361,-. Naar het oordeel van het hof heeft de man - in het licht van die jaaropgave - zijn stelling dat hij sinds 2011 een bedrag van € 4.300,- bruto per maand heeft verdiend, onvoldoende onderbouwd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lager bedrag. Anderzijds ziet het hof in de stelling van de vrouw geen aanleiding uit te gaan van een hoger bedrag, nu het in de concept jaarstukken opgenomen bedrag van € 67.000,- een gebudgetteerd bedrag betreft waarin bovendien werkgeverslasten zijn opgenomen.

De door de vrouw gestelde dagvergoeding zal het hof niet in aanmerking nemen, nu voldoende aannemelijk is dat dit een redelijke vergoeding voor door de man in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf gemaakte kosten betreft, zoals de man stelt.

Het hof ziet geen aanleiding rekening te houden met het bedrag dat de man tengevolge van de bijtelling aan inkomstenbelasting is verschuldigd. Deze last is in feite een door de man te betalen vergoeding voor privégebruik van de auto. Een dergelijke last kan niet gaan boven zijn onderhoudsplicht en dient uit zijn vrije ruimte te worden voldaan.

4.12.

Vast staat dat de man pensioen opbouwt via [B.V.] Evenmin als dit hof bij zijn beschikking van 18 januari 2011 aanleiding zag, ziet het hof nu aanleiding rekening houden met de op de salarisspecificaties van de man genoemde pensioenlasten van € 140,- per maand, nu de man deze last eerst na het uiteengaan van partijen is aangegaan. De man heeft nog verwezen naar een e-mailbericht van 30 december 2011 van de heer P. van Velzen, accountmanager hypotheken, waarin staat vermeld dat geadviseerd wordt de pensioenopbouw aan te vullen in verband met de hypothecaire lening die hij eveneens na de echtscheiding heeft afgesloten. Het hof is van oordeel dat de man daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot het opbouwen van extra pensioen gehouden is. Naar het oordeel van het hof dient dit niet ten laste van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage te komen. Het voormeld fiscaal loon zal derhalve worden vermeerderd met € 1.680,.

4.13.

De vrouw stelt dat geen rekening dient te worden gehouden met de door de man te betalen aflossing op de hypothecaire lening. Volgens de man is hij tot aflossing van de hypothecaire lening verplicht. Nu de woonlasten van de man in een redelijke verhouding staan tot zijn inkomen, ziet het hof geen aanleiding deze inleg buiten beschouwing te laten, en zal daarmee – zoals te doen gebruikelijk - rekening houden.

4.14.

De man stelt dat hij een bedrag betaalt van € 144,- ter zaken van lidmaatschapskosten voor de Vereniging van Eigenaren (VVE). Hij stelt dat hij tot het betalen van deze bijdrage is gehouden en dit onder meer kosten van beveiliging, elektra en onderhoud betreft. De vrouw betwist dat daarmee rekening dient te worden gehouden, nu deze lasten zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm. Het hof zal de kosten voor de VVE in aanmerking nemen in die zin dat het hof in plaats van het volgens de gebruikelijke normen gehanteerde forfait overige eigenaarlasten van € 95,- uit zal gaan van dit bedrag van € 144,- per maand.

4.15.

De man stelt dat hij op 31 augustus 2012 een overeenkomst van geldlening is aangegaan ten bedrage van € 5.000,- en dat hij uit dien hoofde verplicht is daarop maandelijks een bedrag van € 200,- af te lossen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat deze lening ziet op advocaatkosten vanwege verschillende tussen partijen gevoerde procedures. De vrouw heeft de overeenkomst van geldlening betwist. Gezien de door de man in het geding gebrachte overeenkomst en betalingsbewijzen, acht het hof voldoende aannemelijk dat de man deze daadwerkelijk is aangegaan en daarop aflost. Het hof ziet evenwel geen aanleiding daarmee rekening te houden, reeds nu niet is gesteld, noch is gebleken dat deze lening ziet op advocaatkosten die zijn gemaakt vanwege de echtscheidingsprocedure tussen partijen. Het hof ziet om dezelfde reden geen aanleiding rekening te houden met een door de man gesteld bedrag van € 50,- per maand aan advocaatkosten.

4.16.

De man stelt dat hij kosten maakt in verband met de omgangsregeling met [dochter]. Het hof acht het redelijk rekening te houden met een bedrag van € 10,- aan omgangskosten, nu de vrouw stelt dat de man twee keer per maand omgang heeft met [dochter] en de man dit niet betwist. Het hof houdt voorts rekening met het feit dat de man tot en met 31 augustus 2012 de alimentatiebijdrage voor [dochter] is verschuldigd, waarover hij fiscaal voordeel ontvangt.

4.17.

Gelet op het vorenoverwogene en in aanmerking genomen de norm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60, is de man in staat met ingang van 1 september 2011 tot 31 augustus 2012 aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te betalen van € 206,- bruto per maand en met ingang van 31 augustus 2012 € 772,- bruto per maand. Daarbij is rekening gehouden met het fiscaal voordeel dat voor de man aan het betalen van partneralimentatie verbonden is.

4.18.

De vrouw heeft verzocht de ingangsdatum van de partnerbijdrage te bepalen op 1 september 2011. Nu de man daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal het hof het verzoek op dit punt toewijzen.

5.Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, behoudens voor zover de man in zijn verzoek in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en, opnieuw rechtdoende:

in principaal appel:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw over de periode van 1 september 2011 tot en met 30 augustus 2012 op € 206,- (zegge: tweehonderd zes euro) bruto per maand en met ingang van 31 augustus 2012 op € 772,- (zegge: zevenhonderd tweeënzeventig euro) bruto per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

In incidenteel appel:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 18 januari 2011, de door de man aan [dochter] te betalen bijdrage in haar kosten van studie en levensonderhoud op nihil met ingang van 31 augustus 2012;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M. Wigleven en mr. S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.