Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2751

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
23-004763-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BU4079, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BU4025, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2854, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek "Faasse".

1. Vertrouwensbeginsel. Openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk in het hoger beroep gelet op toezeggingen met betrekking tot de omvang daarvan.

2. Verjaring en verandering van wetgeving.

3. Geen niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens afspraken tussen het openbaar ministerie en getuigen die geen betrekking hebben op de onderhavige zaak of wegens tijdsverloop.

4. Toetsingskader voor de beoordeling van betrouwbaarheid getuigenverklaringen. Verklaringen met grote behoedzaamheid gehanteerd wegens wijze van totstandkoming daarvan en grote tijdsverloop voor eerste confrontatie daarmee van de verdachte. Vrijspraak van alle ten laste gelegde hasjtransporten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004763-11

datum uitspraak: 2 september 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 10 november 2011 in de strafzaak onder parketnummer 15-973006-10 tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Algemeen

Het openbaar ministerie heeft op 23 november 2011 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 10 november 2011. Blijkens de appelmemorie van 23 november 2011 richtte het hoger beroep zich tegen de vrijspraak van feiten ten aanzien waarvan door het openbaar ministerie tot een veroordeling was gerekwireerd alsmede tegen de hoogte van de opgelegde straf.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2012 echter medegedeeld dat het openbaar ministerie het hoger beroep slechts wenste te handhaven ten aanzien van zaaksdossier B9 (feit 3) en voor het overige niet meer. De advocaat-generaal heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2013 medegedeeld dat het openbaar ministerie bij nader inzien het appel ten aanzien van de door de rechtbank met betrekking tot feit 3 (zaaksdossier B9) gegeven beslissing tot vrijspraak, evenmin wenst te handhaven.

Uit het voorgaande volgt dat de advocaat-generaal in zoverre geen belang meer heeft bij een voortzetting van de behandeling van het hoger beroep.

De verdachte heeft op 10 november 2011 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

Nu de verdachte van het als feit 1 primair en subsidiair (zaaksdossier B1) en het als feit 3 (zaaksdossier B9) ten laste gelegde is vrijgesproken, zodat hij voor wat betreft deze beslissingen van de rechtbank reeds op grond van het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet in zijn beroep kan worden ontvangen en het hof tot slot voor bedoelde voortzetting ook ambtshalve geen aanleiding ziet, zullen het openbaar ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hen ingestelde beroep voor zover gericht tegen de feiten 1 en 3.

Ten aanzien van de verjaring

Het standpunt van de advocaat-generaal

Voorts heeft de advocaat-generaal zich ter terechtzitting in hoger beroep van 2 en 5 juli 2013 op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de feiten zoals tenlastegelegd onder 2, 3 en 4, subsidiair, zijn verjaard voor zover deze tenlasteleggingen betrekking hebben op de verkoop, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van (kort gezegd) hasj. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het als feit 3 ten laste gelegde medeplegen van “vervoeren, afleveren etc.” zal worden veroordeeld. Hij heeft daartoe verwezen naar zijn brief aan de voorzitter van 27 juni 2013, van welke brief de verdediging een afschrift heeft ontvangen. De advocaat-generaal heeft betwist dat hij het hoger beroep ten aanzien van de verjaring heeft ingetrokken. Hij heeft gesteld dat het hoger beroep van het openbaar ministerie met betrekking tot dit punt is gehandhaafd.

Het oordeel van het hof

Beginselen van behoorlijke procesorde brengen mee, dat de voor het justitiële beleid verantwoordelijke organen niet handelen naar willekeur, maar in gebondenheid jegens de verdachte aan toezeggingen, welke bij laatstgenoemde gerechtvaardigde verwachtingen hebben opgewekt. Blijkens de appelmemorie van 23 november 2011 richtte het hoger beroep zich tegen de vrijspraak van feiten ten aanzien waarvan door het openbaar ministerie tot een veroordeling was gerekwireerd alsmede tegen de hoogte van de opgelegde straf. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 oktober 2012 blijkt voorts dat de advocaat-generaal daar heeft verklaard dat hij het ingestelde hoger beroep in de zaak van de verdachte, met uitzondering van feit 3 (zaaksdossier B9), niet zou handhaven. Het hof beschouwt het hierboven weergegeven onderdeel van de appelmemorie, in samenhang met de verklaring van de advocaat-generaal als een toezegging als hiervoor bedoeld, waarop de advocaat-generaal later niet, althans niet zonder meer, kon terugkomen. Noch hetgeen de advocaat-generaal hieromtrent in zijn brief van 27 juni 2013 heeft medegedeeld, noch hetgeen hij hieromtrent ter terechtzitting van 2 en 5 juli 2013 heeft gesteld, kan leiden tot een ander oordeel. Het hof zal de advocaat-generaal dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in verband met de verjaring van feit 2, 3 en feit 4, subsidiair, voor zover deze betrekking hebben op het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van hasj. De vraag of genoemde feiten zijn verjaard is overigens wel aan de orde in het kader van het – eveneens onbeperkt ingestelde - hoger beroep van de verdachte en zal hieronder worden besproken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2013, 4 juli 2013, 5 juli 2013, 9 juli 2013 en 19 augustus 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 (

zaaksdossier B1):

Primair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2000 tot en met 6 mei 2000 te Noordwijk en/of Katwijk aan Zee en/of Bussum, althans in Nederland, en/of te Lissabon en/of Vendas Novas, althans in Portugal, en/of elders in Europa en/of te Tanger en/of Rabat, althans in Marokko, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van ongeveer 3.155 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als vermeld op de bij die wet behorende lijst II, met dat opzet tezamen en in vereniging met een ander,

- eerdergenoemde hoeveelheid hasj verkocht en/of ter beschikking gesteld en/of

- een leverancier en/of een afnemer voor eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj heeft geregeld en/of

- een vrachtauto en/of een (shovel)bak en/of een graafmachine bestemd voor het vervoeren en/of verbergen van eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj en/of een chauffeur ter beschikking heeft gesteld en/of heeft benaderd en/of

- een contactpersoon in Portugal heeft aangesteld en/of

- een locatie bestemd voor het laden en/of afleveren van eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj ter beschikking heeft gesteld en/of

- ( een) perso(o)n(en) met eerdergenoemde vrachtauto naar Portugal heeft laten rijden en/of die vrachtauto aldaar met eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj, althans met een graafmachine waarin deze hoeveelheid hasjiesj was verstopt, heeft laten beladen en/of die vrachtauto vanuit Portugal in de richting van Nederland heeft laten rijden en/of

- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) heeft gehad en/of (een) bespreking(en) heeft gevoerd en/of afspra(a)k(en) heeft gemaakt met een of meer leverancier(s), transporteur(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten, medeverdachten en/of ander(en) met betrekking tot eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj en/of

- tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2000 tot en met 6 mei 2000 te Noordwijk en/of Katwijk aan Zee en/of Bussum, althans in Nederland, en/of te Lissabon en/of Vendas Novas, althans in Portugal, en/of elders in Europa en/of te Tanger en/of Rabat, althans in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 3.155 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als vermeld op de bij die wet behorende lijst II;


2 (zaaksdossier B8):

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 januari 2003 te Sassenheim en/of Noordwijk en/of Amsterdam en/of Bussum, althans in Nederland, en/of te Villajoyosa en/of Alicante en/of Denia en/of Marbella, althans in Spanje, en/of elders in Europa en/of te Casablanca en/of Rabat en/of Tanger, althans in Marokko tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 3.700 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 januari 2003 te Sassenheim en/of Noordwijk en/of Amsterdam en/of Breda en/of Bussum, althans in Nederland, en/of elders in Europa en/of te Larache en/of Casablanca en/of Rabat en/of Tanger, althans in Marokko, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van ongeveer 3.700 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als vermeld op de bij die wet behorende lijst II, met dat opzet tezamen en in vereniging met een ander,

- een leverancier en/of een afnemer voor eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj heeft geregeld en/of

- ( een) perso(o)n(en) met een vrachtauto met dubbele wanden naar Marokko heeft laten rijden, in welke vrachtauto de hasjiesj zouden worden geladen en/of

- een locatie bestemd voor het laden en/of overladen en/of afleveren van eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj ter beschikking heeft gesteld en/of

- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) heeft gehad en/of (een) bespreking(en) heeft gevoerd en/of afspra(a)k(en) heeft gemaakt met een of meer leverancier(s), transporteur(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten, medeverdachten en/of ander(en) met betrekking tot eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj en/of

- tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven;


3 (zaaksdossier B9):

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2003 tot en met 5 oktober 2003 te Borkel en Schaft en/of Bussum, althans in Nederland, en/of Malaga, althans in Spanje en/of in Duitsland en/of elders in Europa en/of te Casablanca en/of Rabat en/of Tanger, althans in Marokko en/of te Taragona, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 3.500 kilogram hasjiesj (in totaal een hoeveelheid van ongeveer 7.000 kilogram hasjiesj) in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4 (

zaaksdossier B18):

Primair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 25 juni 2004 te Bussum en/of Naarden en/of Kranenburg en/of Bussum, althans in Nederland, en/of in Hamburg, althans in Duitsland, en/of te Villajoyosa, althans in Spanje en/of elders in Europa en/of te Casablanca en/of Rabat en/of Tanger, althans in Marokko, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van ongeveer 4.096 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, met dat opzet tezamen en in vereniging met een ander,

- eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj heeft verkocht en/of ter beschikking heeft gesteld en/of

- een Duitse rechtspersoon heeft opgericht en/of gekocht, met de bedoeling eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj voor rekening van en/of onder naam van deze rechtspersoon te vervoeren en/of

- een lading vis heeft gekocht, welke lading vis tezamen met de eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj zou worden vervoerd, teneinde de ontdekking van de hasjiesj te voorkomen en/of te bemoeilijken en/of

- een vrachtauto bestemd voor het vervoeren van eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj en/of (een) chauffeur(s) heeft gekocht en/of ter beschikking heeft gesteld en/of heeft benaderd en/of

- eerdergenoemde vrachtauto heeft voorzien van dubbele wanden, achter welke wanden de eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj zou worden verstopt en/of

- ( een) perso(o)n(en) met eerdergenoemde vrachtauto naar Marokko heeft laten rijden en/of die vrachtauto aldaar met eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj heeft laten beladen en/of die vrachtauto vanuit Marokko in de richting van Nederland heeft laten rijden en/of

- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) heeft gehad en/of (een) bespreking(en) heeft gevoerd en/of afspra(a)k(en) heeft gemaakt met een of meer leverancier(s), transporteur(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten, medeverdachten en/of ander(en) met betrekking tot eerdergenoemde hoeveelheid hasjiesj en/of

- geld voor de financiering van vorenomschreven feiten beschikbaar heeft gesteld en/of

- tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 25 juni 2004 te Bussum en/of Naarden en/of Kranenburg en/of Bussum, althans in Nederland, en/of in Hamburg, althans in Duitsland, en/of te Villajoyosa, althans in Spanje, en/of elders in Europa en/of te Casablanca en/of Rabat en/of Tanger, althans in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 4.096 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg betoogd dat door het openbaar ministerie aan [getuige 1] (het hof begrijpt: de vrachtwagenchauffeur, die in mei 2006 in Frankrijk ter zake een onderschept hasjtransport is aangehouden) ontoelaatbare toezeggingen zijn gedaan, dat hij in Nederland niet verder zou worden vervolgd, die niet schriftelijk zijn vastgelegd en niet toetsbaar zijn gebleken. Dit klemt temeer, aangezien de verklaring van [getuige 1] aan het begin van het onderzoek Faasse staat. Het openbaar ministerie heeft hieromtrent geen openheid gegeven. Aldus heeft het openbaar ministerie bewust ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Op grond hiervan dient, zo stelt de verdediging, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De verdediging heeft voorts – eveneens onder verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg – aangevoerd dat het Openbaar ministerie geen openheid heeft gegeven omtrent de afspraken die met de [getuige 2 en getuige 3] zijn gemaakt. Bovendien heeft het openbaar ministerie door een zeer oude zaak met zeer gebrekkige en discutabele verklaringen van onder meer de [getuige 2 en getuige 3] ter beoordeling aan de rechter voor te leggen, waarbij het voor de verdediging bij gebreke van andere “harde” gegevens niet mogelijk is deze verklaringen te toetsen, een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op het fair trial beginsel. Dit alles in samenhang bezien dient volgens de verdediging te leiden tot de conclusie dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, welk vormverzuim onherstelbaar is en dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpuntgesteld dat er in het geheel geen toezeggingen door het openbaar ministerie aan [getuige 1] zijn gedaan, zodat om die reden geen grond bestaat voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

De advocaat-generaal heeft voorts betoogd dat het weliswaar met de beide getuigen [getuige 2 en getuige 3] een overeenkomst heeft gesloten, maar dat deze geen betrekking had op de zaken die in het onderzoek Faasse een rol spelen. Voorts heeft hij betoogd dat het dossier weliswaar oude zaken betreft, maar dat het openbaar ministerie prudent met de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] is omgegaan en dat deze transparant hebben verklaard over de wijze waarop hun verklaringen tot stand zijn gekomen. Van enige schending van het Zwolsman- of Karman-criterium is geen sprake, zodat het verweer moet worden verworpen.

Het oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

De verklaringen van [getuige 1]

Met de rechtbank stelt het hof vast dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat door de Nederlandse autoriteiten toezegging zijn gedaan aan de getuige [getuige 1] op basis waarvan deze als tegenprestatie verklaringen heeft afgelegd. Ook anderszins is dat niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] – algemeen

Het hof begrijpt het standpunt van de verdediging aldus dat de wijze van totstandkoming van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] een zodanig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) oplevert, dat dit tot het rechtsgevolg van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte moet leiden. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt echter als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De overeenkomst tussen de [getuige 2 en getuige 3] en het Openbaar Ministerie

Vast is komen te staan dat het openbaar ministerie een overeenkomst heeft gesloten met [getuige 2] respectievelijk [getuige 3], maar deze overeenkomst ziet, naar het Openbaar Ministerie meermalen heeft meegedeeld, niet op de hasjtransporten die aan de orde zijn in het onderzoek Faasse. Reeds in eerste aanleg en tevens ter terechtzitting in hoger beroep heeft het openbaar ministerie verklaard dat de bewuste overeenkomst tussen het openbaar ministerie en ieder van de [getuige 2 en getuige 3] niet zag op feiten uit het onderzoek Faasse, anders dan dat de [getuige 2 en getuige 3] strafkorting zouden krijgen met betrekking tot de feiten die aan de orde zijn na hun overbrenging naar Nederland in het kader van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen.

[getuige 2] heeft weliswaar ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij niet zeker wist, of hij op grond van de overeenkomst met het openbaar ministerie verplicht was in de onderhavige zaak te verschijnen, maar ook uit de door [getuige 3] afgelegde verklaringen in eerste aanleg blijkt dat de overeenkomst niet zag op de onderhavige feiten.

Het hof ziet op grond hiervan geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door het openbaar ministerie gegeven informatie met betrekking tot de overeenkomst. Het neemt daarbij voorts in aanmerking dat de verklaringen van de beide getuigen aanvankelijk zijn afgelegd in het kader van Duitse strafrechtelijke procedures voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomst en dat het openbaar ministerie daarmee derhalve geen bemoeienis heeft gehad. Het hof neemt voorts in aanmerking dat het openbaar ministerie in eerste aanleg in aanwezigheid van deze getuigen duidelijk heeft gemaakt dat zij in vrijheid konden verklaren, ook omtrent ‘de deal’ zelf. Het tegendeel is niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt op dit onderdeel verworpen.

De wijze van totstandkoming van de verklaringen van[getuige 2] en [getuige 3]

Ook de wijze waarop de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] tot stand zijn gekomen, kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het belangrijkste bezwaar van de verdediging wat dit aangaat betreft, naar het hof begrijpt, het (vaststaande) feit dat de beide getuigen [getuige 2 en getuige 3] hun verklaringen in Duitsland hebben afgelegd, terwijl zij daaraan voorafgaand kennis hadden genomen van de verklaringen van andere betrokkenen. [getuige 3] had bovendien voorafgaand aan het afleggen van zijn verklaringen wetenschap van hetgeen [getuige 2] had verklaard.

Hoewel een en ander vragen kan oproepen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen, acht het hof dit geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Genoemde verklaringen zijn immers afgelegd ten overstaan van Duitse politieambtenaren, voor wier handelen het Openbaar Ministerie geen verantwoordelijkheid draagt, en neergelegd in processen-verbaal welke in het dossier Faasse zijn gevoegd. Niet is gesteld of gebleken dat deze processen-verbaal niet aan de daaraan te stellen eisen zouden voldoen, of om enige andere reden niet in het procesdossier behoorden worden gevoegd. De verdediging is meermalen in de gelegenheid geweest [getuige 2] en [getuige 3] te ondervragen en heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als ook in hoger beroep de gelegenheid gehad hun verklaringen te betwisten, van welke gelegenheden zij ook gebruik heeft gemaakt. Bovendien zijn deze getuigen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter terechtzitting verschenen en heeft zowel de rechtbank als het hof zich aldus ook zelf een oordeel omtrent hun betrouwbaarheid kunnen vormen. Het hof komt samenvattend tot de conclusie dat niet is gebleken van enig vormverzuim door Nederlandse opsporings- of vervolgende ambtenaren. Het verweer op dit onderdeel dient dan ook te worden verworpen.

Over de waardering van deze verklaringen in het kader van het bewijs in verband met de wijze van totstandkoming daarvan, komt het hof hierna nog te spreken.

Het tijdsverloop

Uit het requisitoir van de officier van justitie blijkt – kort samengevat – van de volgende gang van zaken met betrekking tot het verloop van het onderzoek “Faasse”. Dit opsporingsonderzoek is gestart in november 2005, waarna in de periode tot en met januari 2007 verschillende personen, die later ook als verdachte zijn aangemerkt, als getuigen zijn gehoord. Hierna zijn tot het najaar van 2009 in het kader van “Faasse” geen opsporingsactiviteiten ontplooid, aangezien de Nationale Recherche over onvoldoende capaciteit beschikte om het onderzoek af te ronden. Vanaf februari 2010 zijn de verdachten aangehouden en zijn zij met de onderzoeksresultaten geconfronteerd.

De raadsman kan worden nagegeven dat sprake is geweest van een aanzienlijk tijdsverloop sinds zowel de in de tenlastelegging genoemde pleegperioden als de aanvankelijke start van het opsporingsonderzoek. Bovendien onderkent het hof dat een niet voortvarende afhandeling van het opsporingsonderzoek en een zeer aanzienlijk tijdsverloop na de ten laste gelegde strafbare feiten een negatieve invloed kunnen hebben op met name het herinneringsvermogen van niet alleen (potentiële) getuigen, maar ook van de verdachte zelf, met name ook waar het gaat om het geven van een de verdenking ontkrachtende verklaring. Anders dan de raadsman stelt kunnen deze omstandigheden, hoe onwenselijk ook, echter niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Voor zover genoemde omstandigheden al een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv opleveren, hetgeen door de raadsman niet nader is onderbouwd, is niet gesteld dan wel aannemelijk geworden dat daarbij sprake is van een situatie waarin doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekortgedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak.

Het verweer op dit onderdeel wordt mitsdien verworpen.

Het hof merkt op dat het tijdsverloop wel consequenties heeft voor de beoordeling van het bewijs, hetgeen later nader uiteen zal worden gezet.

Partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat feiten die op 1 juli 2006 nog niet waren verjaard, vanwege de verhoogde strafmaat voor grote hoeveelheden per die datum, onder de verlengde verjaringstermijn vallen. Nu in de zaak van de verdachte de eerste daad van vervolging is gelegen vóór 1 juli 2012, zijn alle feiten die ná 1 juli 2000 zijn gepleegd niet verjaard. Het openbaar ministerie is dan ook, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte met betrekking tot de onder 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten, ook voor zover deze betrekking hebben op het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van hasj.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft dit standpunt betwist, onder verwijzing naar het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De procesgang

De verdachte wordt (onder meer) verdacht van overtreding van het verkopen, afleveren, verstrekken vervoeren en aanwezig hebben van hasj in de periodes gelegen tussen 1 januari 2003 tot en met 31 januari 2003 (feit 2) en 1 februari 2004 tot en met 25 juni 2004 (feit 4 subsidiair). Op 8 februari 2010 heeft de officier van justitie een vordering in de zin van art. 126b Sv aan de rechter-commissaris gedaan tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] en op 28 juli 2010 is de inleidende dagvaarding aan de verdachte uitgebracht.

Het wettelijk kader

De ten laste gelegde handelingen zijn strafbaar gesteld in artikel 3 (eerste lid) onder B en C van de Opiumwet, juncto artikel 11 Opiumwet. In 2003 luidde artikel 11, tweede lid, Opiumwet als volgt:

o Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Op 1 juli 2006 (Stb. 292 d.d. 1 juni 2006) is aan artikel 11 Opiumwet een nieuw vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

o Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

Artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit (Besluit van 9 december 2002, houdende uitvoeringsvoorschriften krachtens de Opiumwet), luidt als volgt:

o De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II.

Lid 1 van artikel 70 Sr luidde in 2003 en luidt ook ten tijde van het nemen van deze beslissing, voor zover hier van belang als volgt:

Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

 in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

 in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

Artikel 72, eerste lid Sr luidde in 2003 en tot 1 januari 2006 als volgt:

Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij.

Sinds 1 januari 2006 luidt het eerste lid van artikel 72 Sr als volgt:

Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

Is het ten laste gelegde feit verjaard?

Volgens het oude recht, zoals dat gold ten tijde van het ten laste gelegde en tot 1 juli 2006, bedroeg de vervolgingsverjaring voor overtreding van het bepaalde in artikel 3, eerste lid onder B en C Opiumwet zes jaren te rekenen vanaf de dag na het begaan van die overtreding (artikel 71 Sr). Dat brengt met zich dat het eerste feit, voor zover relevant, volgens het oude recht was verjaard op (uiterlijk) 31 januari 2009. Het tweede feit was, voor zover relevant en mede gelet op de bepaling van artikel 72, eerste lid Sr zoals die tot 1 januari 2006 gold, (uiterlijk) verjaard op 25 juni 2010, aangezien de als dan als eerste daad van vervolging aan te merken inleidende dagvaarding op 28 juli 2010 is uitgebracht. Dit zou tot gevolg hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden verklaard in zijn vervolging.

Uitgaande van de sedert 1 januari 2006 respectievelijk 1 juli 2006 geldende regelgeving zou het recht tot vervolging ten aanzien van beide feiten 2 en 4 subsidiair tot op heden echter niet verjaard zijn. De verjaringstermijn ingevolge deze regeling bedraagt immers twaalf jaren en is door de door de officier van justitie op 8 februari 2010 gedane vordering in de zin van art. 126b Sv aan de rechter-commissaris tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming op naam van de medeverdachte [medeverdachte 1]

- als daad van vervolging bedoeld in artikel 72, eerste lid Sr - gestuit.

De vraag dient derhalve te worden beantwoord of in casu de vanaf 1 januari 2006 respectievelijk 1 juli 2006 geldende wijzing ten aanzien van de stuiting van de verjaring respectievelijk de verhoging van het wettelijk strafmaximum en de als gevolg daarvan verlengde verjaringstermijn al dan niet directe werking heeft en, in het verlengde daarvan, of het openbaar ministerie al dan niet niet-ontvankelijk is in zijn vervolging.

Daarbij is van belang dat in de onderhavige situatie de verjaringstermijn volgens het oude recht nog niet was verstreken op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe regeling.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Voor regels van sanctierecht, die het specifieke strafmaximum als ook meer algemene regels omtrent de sanctieoplegging kunnen betreffen, waartoe de regels omtrent verjaring behoren, geldt dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. In het onderhavige geval is, zoals uit het voorgaande volgt, ten aanzien van beide wetswijzigingen van een werking ten gunste van de verdachte echter geen sprake. Dit brengt met zich mee dat, gelet op hetgeen in artikel 1, tweede lid, Sr is bepaald, in het onderhavige geval de oude wetgeving dient te worden toegepast, onder welke wetgeving de onderhavige onderdelen van feit 2 alsmede feit 4 subsidiair ten tijde van de eerste daad van vervolging, het uitbrengen van de dagvaarding, waren verjaard. Het hof zal het openbaar ministerie daarom (in zoverre) niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging terzake van feit 2 en feit 4 subsidiair.

Bespreking en waardering van bewijsmiddelen

De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3]

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in hoger beroep (subsidiair) bepleit dat de verklaringen van de [getuige 2 en getuige 3] onbetrouwbaar zijn en dienen te worden aangemerkt als één verklaring, zodat de verdachte bij gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar standpunt herhaald hetgeen zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht en gesteld dat de kwaliteit van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] dubieus te noemen is. De broers kenden elkaars verklaringen ten tijde van hun eigen verhoren en hadden als spijtoptanten ook een serieus belang om mooie verklaringen af te leggen, gelet op de forse strafkorting die uiteindelijk tot stand is gekomen in samenwerking met de Duits/Nederlandse autoriteiten. Voor de verdediging is het onmogelijk gebleken deze verklaringen op waarheid te toetsen en zij moet het doen met verhalen uit een ver verleden, waar een geur van fraude omheen hangt. Redenen van wetenschap blijken bij [getuige 2] te komen van ‘horen zeggen’. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van [getuige 3]. De verdediging is van mening dat [getuige 2] en [getuige 3] in het kader van de artikel 31 procedure in Duitsland hun verklaringen op elkaar hebben moeten afstemmen teneinde niet in de problemen te komen met de Duitse justitie. Het is om deze reden dat [getuige 2] er voor heeft gezorgd dat hij en zijn broer een advocaat hadden van hetzelfde kantoor. Van [getuige 2] en [getuige 3] werd in het kader van genoemde procedure verwacht dat ze volledige openheid van zaken zouden geven, hetgeen ook inhield het noemen van opdrachtgevers. Gebleken is dat [getuige 3] tijdens zijn detentie in Duitsland een mobiele telefoon ter beschikking heeft gehad. Voor de verdediging staat gelet op dit alles vast dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet onafhankelijk van elkaar tot stand zijn gekomen. Naar de mening van de verdediging dient het gestelde te leiden tot vrijspraak.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft het standpunt betrokken geen reden te hebben te twijfelen aan de oprechtheid van [getuige 2] en [getuige 3] of aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen. [getuige 2] en [getuige 3] hebben niet als eerste bekennend verklaard en hun verklaringen staan niet op zichzelf, nu ze voortbouwen op de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] en door die verklaringen worden ondersteund. Ook worden de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] ondersteund door bevindingen uit onderzoeken van de politie in diverse landen en door verklaringen van diverse anderen, onder wie medeverdachten. Daar komt bij dat [getuige 2] en [getuige 3] voornamelijk zichzelf belasten en dat komt hun geloofwaardigheid ten goede. Ook het feit dat zij veel details hebben gegeven over de betrokken personen, plaatsen en vrachtauto’s komt hun geloofwaardigheid ten goede. Dat geldt eveneens voor het feit dat ze elkaar op diverse punten verbeteren.

Dat [getuige 2] en [getuige 3] zich ten tijde van de behandeling in eerste aanleg en ook in hoger beroep niet meer alles even goed kunnen herinneren, wekt geen verwondering, aangezien de transporten een lange tijd geleden hebben plaatsgevonden, zeer talrijk zijn geweest en veel gelijkenissen met elkaar vertonen.

Aan [getuige 2] en [getuige 3] kan weliswaar eigenbelang bij het afleggen van hun verklaringen bij de Duitse politie niet worden ontzegd, maar daar staat tegenover dat ze ook zijn gewezen op de bepalingen van artikel 164 van het Duitse Wetboek van Strafrecht ter zake valselijke beschuldiging. Het is mede daarom niet aannemelijk dat ze anderen er maar met de haren bij hebben gesleept. Ze zijn in hun verklaringen transparant geweest omtrent hetgeen ze wisten uit het dossier. Ze hebben verklaard het niet altijd eens te zijn met hetgeen [getuige 4] en [getuige 5] hebben verklaard. Ook onderling hebben ze elkaars verklaringen gecorrigeerd in het geval de ander niet juist heeft verklaard. Ten slotte hebben ze ook verklaard over zaken die nog niet bekend waren bij de politie. Uit de twee laatstgenoemde punten blijkt dat er geen afstemming tussen de broers heeft plaatsgevonden. [getuige 2] en [getuige 3] hebben ook bij herhaling verklaard dat afstemming niet nodig was, aangezien ze besloten hadden open kaart te spelen. De verklaringen van de [getuige 2 en getuige 3] kunnen dan ook worden gebruikt voor het bewijs, aldus de advocaat-generaal.

Oordeel van het hof

Toetsingskader bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen

Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] heeft het hof de vraag te beantwoorden of en zo ja, in hoeverre deze verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, zulks te meer nu de verdachte iedere betrokkenheid bij de feiten, waarover deze getuigen ten aanzien van hem hebben verklaard, ontkent en bestrijdt dat hetgeen in die verklaringen over hem is gezegd juist is en de verdediging de betrouwbaarheid van die verklaringen ook gemotiveerd in twijfel heeft getrokken.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen met betrekking tot bepaalde verdachten of overigens is verklaard overeenkomt met of steun vindt in - zo te noemen - objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens (zie Hof Amsterdam 25 juli 2003, LJN AM1503). Daarnaast kunnen de ouderdom en de complexiteit van de feiten, waarover is verklaard, bij de beoordeling een rol spelen, evenals het motief voor het afleggen van de verklaring.

Het enkele feit dat de betreffende verklaringen zijn afgelegd in de verwachting hierdoor strafvermindering te verkrijgen, zoals in het onderhavige geval aan de orde is geweest, maakt dit niet anders. Dit aspect speelt immers in het beoordelingskader reeds een rol en dient te worden bezien en gewogen in samenhang met de overige aanknopingspunten voor de toetsing van de betrouwbaarheid.

Toepassing op de zaak Faasse

In het onderhavige geval speelt een belangrijke rol dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet ‘uit zichzelf’ zijn afgelegd. Het hof stelt vast dat zowel [getuige 2] als [getuige 3] voorafgaand aan hun verklaringen, zoals afgelegd tegenover de Duitse politie, konden beschikken over het strafdossier en meer in het bijzonder over de verklaringen die waren afgelegd door [getuige 4] en door [getuige 5]. Voorts stelt het hof vast dat [getuige 3], voorafgaand aan zijn verklaringen tegenover de Duitse politie, kon beschikken over, althans kennis heeft kunnen nemen van, de door [getuige 2] afgelegde verklaringen tegenover de Duitse politie.

Ook het tijdsverloop is van belang. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] zien op vele, gelijksoortige hasjtransporten en hasjdiefstallen, die over een tijdspanne van een groot aantal jaren door een schijnbaar beperkte groep van personen in al dan niet wisselende samenstellingen zijn uitgevoerd. Deze hasjtransporten hadden jaren vóór hun verklaringen als verdachten bij de Duitse politie plaatsgevonden. Ten tijde van hun getuigenverklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg en vervolgens in hoger beroep waren nog aanzienlijk meer jaren verstreken sinds deze hasjtransporten en hasjdiefstallen.

Daarnaast moet acht worden geslagen op het motief voor het afleggen van de onderhavige verklaringen. Vaststaat dat [getuige 2] en [getuige 3] op enig moment en nagenoeg gelijktijdig na een gesprek met een Duitse hoofdofficier van justitie (Oberstaatsanwalt) en, naar [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, na onderling overleg daaromtrent via hun raadslieden, hebben besloten gebruik te maken van artikel 31 van de Duitse Opiumwet. Deze bepaling houdt blijkens hetgeen daaromtrent is opgenomen in de processen-verbaal van verhoor van [getuige 2] en [getuige 3] – voor zover van belang – in dat het gerecht naar eigen beoordeling de straf kan verminderen of geen straf kan opleggen, wanneer de dader door het geven van vrijwillige openheid van zaken er wezenlijk toe heeft bijgedragen dat het feit, bovenop zijn eigen aandeel, kon worden opgehelderd.

Vorenstaande feiten en omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof op zichzelf beschouwd niet met zich mee dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] onbetrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. Deze feiten en omstandigheden betekenen echter wel dat sprake is van risico’s voor wat betreft de betrouwbaarheid van die verklaringen en dat aan de overige punten voor het toetsen van de betrouwbaarheid bijzonder gewicht toekomt. Dit geldt temeer, nu de verdachten in de zaak Faasse eerst in 2010 – vele jaren na de ten laste gelegde feiten – ter zake de verdenkingen tegen hen zijn gehoord en daardoor naar het oordeel van het hof in belangrijke mate in hun verdediging zijn geschaad. Zoals de verdediging terecht heeft gesteld, is dit aanzienlijke tijdsverloop immers van negatieve invloed op het menselijke geheugen en op de mogelijkheden relevante (ontlastende) informatie te produceren.

Het hof zal daarom bij de waardering van het door het openbaar ministerie – in navolging van de rechtbank – gepresenteerde bewijs in de vorm van de verklaringen van [getuige 2] en/of [getuige 3] ten aanzien van de afzonderlijke zaaksdossiers terughoudendheid en grote behoedzaamheid betrachten ten aanzien van die verklaringen. Dit uitgangspunt brengt met zich mee dat voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten voldoende objectief steunbewijs zal worden vereist, dat ziet op de specifieke rol van de betreffende verdachte en dat bij het ontbreken daarvan naar het oordeel van het hof het bewijs niet zal zijn geleverd, zodat vrijspraak zal moeten volgen.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier B8) en feit 4 primair (zaaksdossier B18)

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake het als feit 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld. Hierbij heeft de advocaat-generaal gewezen op de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2], welke worden ondersteund door de in- en uitreisgegevens ten aanzien van Marokko van [getuige 5], de verklaringen van [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]. Voorts is vast komen te staan dat de broer van de verdachte, [medeverdachte 2], beschikt over een “boerderij” in Marokko en passen de verdachte en diens broer naadloos in een door de advocaat-generaal geschetste crimineel samenwerkingsverband.

Het als feit 4 primair ten laste gelegde komt eveneens voor bewezenverklaring in aanmerking. De advocaat-generaal heeft daartoe gewezen op de verklaringen van de [getuige 2 en getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 8], zoals de rechtbank deze heeft gebezigd voor het bewijs. Hieruit kan volgens de advocaat-generaal worden afgeleid dat de verdachte als medepleger van de poging tot opzettelijke invoer in Nederland van een partij hasj moet worden aangemerkt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier B8)

[getuige 2] heeft – kort samengevat en voor zover van belang – op 12 april 2005 verklaard over één van twee hasjtransporten van 3,5 tot 4 ton vanuit Marokko naar Nederland, dat in opdracht van een Marokkaan genaamd [naam] plaatsvond, waarbij de hasj in geheime bergplaatsen in twee wisselbruggen was verborgen. [getuige 3] heeft op 29 april 2005 eveneens een verklaring afgelegd over dit transport, waarin hij de verdachte aanwees als opdrachtgever.

Alhoewel zowel [getuige 3] als [getuige 2] verklaringen hebben afgelegd over de feitelijke gang van zaken in Marokko, verklaren zij ook dat zij zelf nooit in Marokko zijn geweest. Hieruit leidt het hof af dat zij hierover niet uit eigen waarneming hebben verklaard.

Geen van de medeverdachten of getuigen die terzake zijn gehoord hebben de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] ten aanzien van de rol van de verdachte bij dit transport bevestigd.

Nu ook overigens naast de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] geen steunbewijs voor de vermeende rol van de verdachte bij dit hasjtransport voorhanden is, acht het hof, gelet op het hierboven geformuleerde toetsingskader, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het als feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 primair (zaaksdossier B18):

[getuige 2] heeft op 13 april 2005, kort samengevat, verklaard dat hij en zijn broer [getuige 3] in februari 2004 een ontmoeting hadden met “[naam]” (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) en vervolgens op diens verzoek in Duitsland een rechtspersoon hadden opgericht met de naam “[naam rechtspersoon]”, zodat onder de vlag van die rechtspersoon met vrachtwagens hasjtransporten vanuit Marokko naar Nederland konden worden verricht. Vervolgens zou een hasjtransport vanuit Marokko plaatsvinden. Later vernam [getuige 2] dat de hasj in Marokko in beslag was genomen; “[naam]” was hier erg boos over, omdat hij hoorde dat vrachtwagen zonder deklading Marokko had getracht te verlaten.

[getuige 3] heeft op 3 mei 2005 de verklaring van [getuige 2] bevestigd, namelijk dat hij en zijn broer door [naam] werden benaderd om een rechtspersoon in Duitsland op te richten voor de uitvoering van hasjtransporten vanuit Marokko naar Nederland.

Geen van de medeverdachten of getuigen die terzake zijn gehoord hebben de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] ten aanzien van de rol van de verdachte bij dit transport bevestigd.

Nu ook overigens naast de verklaringen van de [getuige 3] en [getuige 2] geen steunbewijs voor de vermeende rol van de verdachte bij dit hasjtransport voorhanden is, acht het hof, gelet op het hierboven geformuleerde toetsingskader, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het als feit 4, primair, ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voorzover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, primair en subsidiair, en 3 ten laste gelegde en de officier van justitie tevens voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbend op de onderdelen “verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben” van hasjiesj.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 2, voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de onderdelen “verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben”, en ten aanzien van feit 4 subsidiair.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.S.G. Verhoeff, mr. A.E.M. Röttgering en J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. A. Binken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 september 2013.

mr. Verhoeff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.