Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2688

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
200.119.392-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke incassokosten ter zake van lidmaatschapsbijdrage van Vereniging van eigenaars. Voor de toepassing van 6:96 BW en het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten moet deze vordering worden beschouwd als een vordering uit de overeenkomst. Vordering ook ten aanzien van toekomstige termijnbedragen toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.119.392/01

kenmerk rechtbank Amsterdam : 1370885 CV ECPL 12-24321

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juli 2013

inzake

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS NIEUWBOUWWONINGEN KRUITBERG, GELEGEN AAN KRUITBERGWEG TE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. Y.H. van Ballegooijen te Breda,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de VvE en [geïntimeerde] genoemd.

De VvE is bij dagvaarding van 20 december 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 21 september 2012, gewezen tussen haar als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.

De VvE heeft bij memorie twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, het in hoger beroep gevorderde zal toewijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

Ten slotte heeft de VvE arrest gevraagd.

2 Feiten

Als gesteld en niet weersproken is in dit geding het volgende komen vast te staan.

i. [geïntimeerde] is eigenares van het appartementsrecht met betrekking tot Kruitberg 5029B te Amsterdam. Zij is als zodanig van rechtswege lid van de VvE.

ii. Bij vonnis van 20 december 2011 van de kantonrechter te Amsterdam is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van achterstallige periodieke voorschotbedragen over de periode tot en met oktober 2011.

iii. Ook over de periode vanaf november 2011 is een achterstand in de betaling van de voorschotbedragen ontstaan. Tot en met juli 2012 bedroeg die achterstand € 2.005,83. De VvE heeft overeenkomstig de bij vergaderingsbesluit vastgestelde incassoprocedure eenmaal [geïntimeerde] gesommeerd de achterstallige bijdrage te voldoen en daarna de vordering uit handen gegeven aan haar advocaat, die [geïntimeerde] bij brief van 13 april 2012 heeft gesommeerd.

3 Beoordeling

2.1

In eerste aanleg heeft de VvE gevorderd dat [geïntimeerde] zou worden veroordeeld tot betaling van de hiervoor genoemde achterstand, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten ad € 358,04, zijnde 15% van de hoofdsom, zoals vastgesteld in de incassoprocedure. Daarnaast heeft zij gevorderd dat [geïntimeerde] zou worden veroordeeld tot betaling van de nog te vervallen periodieke bijdragen en in de kosten van het geding. [geïntimeerde] is ook in eerste aanleg niet verschenen.

2.2

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.005,83 aan achterstallige bijdrage, vermeerderd met rente. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen, evenals de vordering tot voldoening van de toekomstige bijdragen. De kantonrechter heeft hiertoe overwogen dat de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten ten dele ziet op de periode na 1 juli 2012 en niet voldoet aan de eisen die het per 1 juli 2012 gewijzigde artikel 6:96 BW stelt en voorts dat de verplichting tot betaling van de periodieke bijdragen blijft bestaan zolang het lidmaatschap van [geïntimeerde] duurt en geen aanleiding is gesteld of aannemelijk geworden die tot een veroordeling van nog niet opeisbare termijnen moet leiden.

2.3

De eerste grief is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van toekomstige termijnbedragen. In de toelichting op de grief wijst de VvE erop dat [geïntimeerde], zoals zij ook in eerste aanleg al heeft betoogd, niet alleen heeft geweigerd een verklaring te ondertekenen waarin zij toezegde haar verplichtingen te zullen nakomen, maar bovendien na bij vonnis van 20 december 2011 reeds tot betaling te zijn veroordeeld, wederom een achterstand heeft laten ontstaan.

2.4

Deze grief slaagt. Het betoog van de VvE, dat noch in eerste aanleg noch in hoger beroep is weersproken, biedt voldoende grond om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de nog te vervallen termijnen. Er bestaat immers een reële vrees dat [geïntimeerde] ook in de toekomst haar verplichtingen niet vrijwillig zal nakomen.

2.5

De tweede grief betreft de afgewezen buitengerechtelijke incassokosten. In de toelichting op deze grief voert de VvE aan dat de kantonrechter de wet onjuist heeft toegepast, omdat de wijziging in artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten uitsluitend van toepassing zijn op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom, terwijl de betaling van bijdragen door leden aan de VvE niet uit overeenkomst voortvloeit, maar uit de wet (artikel 5:125 BW jo 5:111 onder d BW). Dat de wijziging van artikel 6:96 BW niet op de vordering van een VvE op haar leden van toepassing is, is volgens de VvE ook redelijk en billijk.

2.6

De VvE heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat aan de eisen van het gewijzigde artikel 6:96 BW niet is voldaan. De grief houdt slechts in dat die wijziging en het Besluit in dit geval niet van toepassing zijn. Die grief is tevergeefs voorgedragen. Voor de toepassing van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten moet de onderhavige vordering, een vordering voortvloeiend uit het lidmaatschap van de vereniging, worden beschouwd als een vordering uit overeenkomst. Door zijn toetreding tot de vereniging wordt het lid aan de bijdrageregeling gebonden. In hetgeen in de memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van artikel 6:96 BW (kamerstuk 32418, nr. 3) is opgemerkt over de ratio van de beperking tot vorderingen uit overeenkomst – namelijk dat dan de omvang van de te innen vordering, eenvoudig is vast te stellen – is ook geen grond te vinden om vorderingen als de onderhavige daarbuiten te laten. Hetzelfde geldt voor hetgeen de VvE heeft aangevoerd over het belang van de VvE en haar leden bij volledige vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten; het belang van de VvE en haar leden verschilt niet wezenlijk van dat van andere schuldeisers.

2.7

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat alleen de eerste grief slaagt en het vonnis zal worden vernietigd op het punt van de vordering tot betaling van de inmiddels vervallen en de nog te vervallen periodieke bedragen en voor het overige zal worden bekrachtigd. In hoger beroep heeft de VvE betaling gevorderd van een bedrag van € 6.372,71, zijnde de achterstand in periodieke bijdragen tot en met 17 december 2012 inclusief buitengerechtelijke incassokosten en daarnaast van een bedrag van € 358,04 aan buitengerechtelijke incassokosten. Die dubbele incassokosten zijn niet goed te begrijpen. Voorts leidt het hof af uit het in hoger beroep overgelegde “rekeningoverzicht” dat van voormeld bedrag van € 6.372,71 ook deel uitmaakt een bedrag van € 4.826,57 dat per 1 januari 2012, dus vlak na het eerdere vonnis, reeds was verschuldigd en waarvoor geheel of ten dele, naar moet worden aangenomen, reeds een titel bestaat in dat vonnis van 20 december 2011. Niet valt in te zien welk belang de VvE erbij heeft om [geïntimeerde] nogmaals tot betaling daarvan veroordeeld te zien. Dat twee executoriale titels zouden bestaan voor dezelfde vordering acht het hof onwenselijk. De VvE zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld haar vordering tot betaling te beperken tot die bedragen waarvoor in het vonnis van 20 december 2011 nog geen veroordeling is uitgesproken en toe te lichten hoe het zit met de dubbele incassokosten.

2.8

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 30 juli 2013 voor akte aan de zijde van de VvE als omschreven onder 2.7;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.H. Huijzer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.